Halverwege de week komt het mailtje van De Gelderlander, met welke amateurwedstrijd ik in het weekend mag verslaan. Mag, want amateurvoetbal is leuk, ook voor toeschouwers. Dat is wat ik geleerd heb in mijn debuutseizoen als voetbalverslaggever. Daarover later meer.

Dit keer mag ik naar Dodewaard – EMM. Gespeeld in een klasse waar niemand degradatievoetbal speelt, omdat degraderen onmogelijk is. Lager kan niet. “Let op Lempicki”, staat er in het mailtje. “Spits van Dodewaard: loopt twee op één!”

Zo, twee op één, denk ik cynisch. Ik ken de vierde klasse zaterdag waarin die Lempicki uitkomt. Vroeger voetbalde ik er zelf in (ik liep één op dertig) en dat is geen aanbeveling. Over Dodewaard herinner ik me een uitspraak van een teamgenoot, net nadat we van ze hadden gewonnen. “Aan die koppen van die lui te zien, lijkt het me toch ongezond om in de buurt van een kerncentrale te wonen.”

Omdat ik geen auto heb, moet ik met de fiets in de trein richting Dodewaard. Die trein stopt middenin in een weiland. Eerst denk ik dat een grapjas aan de noodrem heeft getrokken, maar het weiland blijkt mijn uitstapstation. Fietsend door afgelegen gebied waar de ambulance altijd te laat komt, vraag ik me af waar mijn leven over gaat. Het leven is toch veel te kort om te kijken naar voetballers die niet kunnen degraderen?

Dan arriveer ik op een prachtig sportpark. Althans, prachtig genaamd. Sportpark De Eng in Dodewaard. Iedereen is er blank en de voorzitter heet Gerrit, een aardige man die zijn club veel vaker ziet dan zijn vrouw: “Ik zou niet zonder kunnen. Zonder de club dan hè, haha.” Tijdens de wedstrijd staat de voorzitter in de dug-out van het eerste elftal, armen over elkaar.

Na tien minuten voetballen waait er een keiharde boer over het hoofdveld. Ik ben de enige die ervan opkijkt. De boer is afkomstig van bier drinkende jongeren achter de goal. Er zullen nog veel meer boeren volgen, boeren waar niemand op reageert.

Zoals gewoonlijk kost het me moeite om op het beroerde, veel van rugby weg hebbende spel te letten en luister ik vooral naar het gelul van toeschouwers. Een meisje laat aan een vriendin een ‘uitknop’ zien, die ze in Tiel op haar enkel heeft laten zetten. “Je vriend zal die knop vast vaak indrukken”, zegt haar vriendin lachend. Het contrast is groot met een oudere man iets verderop. Die heeft een ‘aan-knop’ op zijn strot om te kunnen praten.

Vlak voor rust krijgt een speler van Dodewaard rood. Onduidelijk is waarom. Natrappen, volgens de scheidsrechter. Een groepje hangouderen uit Dodewaard heeft niks gezien: “Vanavond even de samenvatting kieken.” Ik zoek de dader op in de rust, in de kantine. “Ik draaide me alleen om”, ontkent hij schuld na het nemen van een enorme slok bier. “Dus je mag tegenwoordig al niet meer omdraaien?” Waarna hij het biertje, een 0,33l – na twee slokken – op heeft en een nieuwe van een vol blad pakt.

“Van de krant?” vraagt een man op leeftijd die me notities ziet maken.  “Let op Lempicki”, zegt hij. De tweede helft is net begonnen. “We noemen hem Der Bomber van Dodewaard. Je ziet hem niet, maar hij scoort altijd.” O ja. Ik ben hier voor Thomas Lempicki, de regiotopscorer. Een spits die een kruising lijkt tussen Roy Makaay en Jhon van de Burger King. Nauwelijks meevoetballend, met gekromde rug loerend op kansen. “Der Bomber slaat op Gerd Müller, die kent u vast niet…. Maar het moment van Lempicki komt nog”, voorspelt de man op leeftijd nogmaals.

Twee keer scoort Lempicki, waarna de man op leeftijd zijn gram bij me haalt. “Ik zei het u, het moment van Lempicki komt altijd!” Dodewaard wint zo met een man minder van EMM (2-1). Vlak voor tijd krijgt Thomas Lempicki een publiekswissel die niet als publiekswissel bedoeld is.

Zijn trainer, Henk, vertelt na afloop: “Lempicki krijgt bij iedere hattrick een bal van me. Daarop schrijf ik met watervaste stift de wedstrijd op, met datum en uitslag. Nu dacht ik: ik wissel hem, anders kost het me weer een bal. Dit zou bal nummer vier geweest zijn, straks moet ik nog geld bijleggen om hier te coachen.”

Thomas Lempicki blijkt een bescheiden Oost-Duitser. Opgegroeid voorbij Hamburg, woonachtig in een door werkeloosheid getroffen gebied, reageerde hij twaalf jaar geleden op een vacature. In het Nederlandse dorpje Dodewaard zochten ze vloerenleggers. Zo kwam Lempicki naar Dodewaard. Zijn bijnaam, Der Bomber, vindt hij leuk, al spiegelt hij zichzelf liever aan Robert Lewandowski.

Die avond ben ik bij Vitesse – Roda. Omdat het een halfzevenwedstrijd is, lijkt het wel of de spelers te letterlijk volgevreten zijn. Tijdens het ergeren aan het lamlendige Vitesse dringt het tot me door hoe rijk het arme doch pure amateurvoetbal eigenlijk is. Bij Vitesse zitten er zogenaamd te weinig mensen op de tribune, maar op basis van het spel zitten er dit seizoen juist te veel en bij het amateurvoetbal te weinig. Want bij de amateurs valt er, als je er oog voor hebt, veel te genieten. Ieder weekend weer.