“Ik heb nog met Remco Kock gevoetbald, vroeger.” Als jongetje droomde ik ervan dat mijn teamgenoten dat later trots vertelden aan hun kinderen, dat ze met die beroemde profvoetballer hadden samengespeeld. Maar helaas. Hoofdveldvrees, kopangst en te weinig testosteron stonden die droom in de weg. Teamgenoten noemden me antilope, maar pas jaren later kwam ik erachter dat ze niet doelden op dat sierlijke jachtdier, maar op het feit dat ik weinig en traag liep.

Wel speelde ik ooit hoog, met de C1. Heerlijk om op vrijdag op school te kunnen antwoorden op de “tegen-wie-moeten-jullie-morgen?”-vraag met “Vitesse!”. Eigenlijk stelde ik die vraag zelf, omdat ik wist dat ik hem dan terugkreeg. Ik zat maar net in de C1, als ideale dertiende man. Wanneer er ‘thuis’ weer eens een wedstrijdbal in de sloot werd geschoten, moest ik vissen. Toch was ik blij dat ik er bij was.

“Ach, het is allemaal vriendjespolitiek jongen”, zei een jongen die de potjes tegen De Graafschap en Twente moest missen omdat hij in de C2 terechtkwam. Jaloers noemde hij me “De Ballenjongen”. De jongen had wel een C1-techniek, maar zijn conditie was van C3-niveau, zijn lengte van E2-niveau en met zijn pens paste hij prima bij het Twaalfde. Gewogen en te zwaar bevonden. ‘Vriendjespolitiek’ was vaak een excuus van fanatieke vaders die het niet verkropten dat ‘het DNA van zijn moeder’ faalde. “Kijk, als Peter echt beter is dan mijn Willem hè, ben ik de eerste die dat toegeeft. Maar Willems linkerbeen is beter dan de linker van Peter. Ook omdat Willem links is en Peter rechts, maar je snapt mijn punt. Weet je: de oom van Peter is getrouwd met de buurvrouw van Wil Peters. Willie is weer een achterneef van Tonnie de Wolfkamp van het jeugdbestuur. Ik wil hier niemand beschuldigen, maar opvallend is het wel. Niet?”

Vriendjespolitiek. Een woord dat vaak uit de mond vloog van slechte verliezers. Ik geloofde er niet in, totdat ik in Spero C1 kwam. Vanwege wachtlijsten was ik als Arnhemmer gaan voetballen in Elst, een dorp tussen Nijmegen en Arnhem in. Als er ploegen uit Arnhem of Nijmegen op bezoek kwamen, bedankten ze ons voor het verjagen van de koeien en het strontvrij scheppen van het veld. Het motiveerde ons om die ‘stadsen’ een poepie te laten ruiken.

De meerderheid van de Elstenaren heette Hendriks van achteren. Of Elst groot geworden was door de intensieve inteelt weet ik niet: de meeste Hendriksen waren geen familie van elkaar. Althans, niet officieel. In de seizoensvoorbereiding waren er twee jongens kandidaat om keeper van Spero C1 te worden: Jimmy Hendriks, vernoemd naar de legendarische gitarist, en Ferry Thomassen – geen echte Elstenaar overigens – met wie ik had samengespeeld in de D1.

Ferry was een raskeeper. Stoere smoel, serieus, talentvol en een echte winnaar. Jimmy was pas net gestopt met voetballen omdat hij als veldspeler te veel moest sjouwen. Net als ik een antilope dus. Jim, een grappige gast, had zeker keeperstalent, maar was gewoon nog niet zo goed als Ferry. Toch werd niet Ferry maar Jim onze doelman. Officieel omdat Jimmy beter meevoetbalde, maar vermoedelijk speelde diens achternaam en het feit dat Jimmy en zijn ouders bij de door mijn pa genoemde “Elstse kliek” hoorde, een doorslaggevende rol. Ferry hield zijn brede kaken op elkaar en keepte stug door, ondanks dat hij nu de unieke kans misliep om zich tegen BVO’s in beeld te keepen.

Het bewijs dat het hier ging om vriendjespolitiek werd snel geleverd door NEC, dat Ferry bij onze C2 oppikte. Een paar jaar later zagen we Ferry in het televisieprogramma Masterclass van Sonja Barend, waarin de meest talentvolle doeljongens van Nederland (waaronder Maarten Stekelenburg en Ferry) een masterclass keepen kregen van Hans van Breukelen.

Ferry haalde de selectie van NEC. In GelreDome keek ik tijdens Vitesse – NEC altijd of Ferry op de bank zat. Jimmy bleef mijn doelman totdat ik er in de A mee kapte. Dat was overigens in een wedstrijd waarin Jimmy weer – ditmaal actief – betrokken raakte bij ‘corruptie’. Hij bood onze op degraderen staande tegenstander de helpende hand door twee ‘hete kroketten’ te laten glippen. De buit – twee kratjes bier – deelde hij overigens netjes met ons; geen kwaad woord over Jimmy.

Vanwege – volgens mij – zware blessures brak Ferry nooit door in het betaalde voetbal. Tik zijn naam op Google in en je stuit op een treurig krantenartikel waarvan ik helaas alleen de alleszeggende kop kan lezen: “Het mocht niet zo zijn”. Nee, het mocht niet zo zijn dat ik naar Studio Sport keek en kon zeggen: “Hè, met die gozer heb ik vroeger gevoetbald…..”