Ruud Gullit, de trots van Haarlem

De club Haarlem heeft veel moois voortgebracht op voetbalgebied, maar het mooiste is misschien toch wel – de vandaag jarige – Ruud Gullit (1962). Persoonlijke herinneringen van Staantribune-medewerker Tom van Hulsen aan de opkomst van een voetbalheld en aan een inmiddels verdwenen club.

Het was 20 maart 1982, toen Haarlem – Roda JC dreigde uit te draaien op een teleurstellende 0-0. We hadden de staantribune aan de lange zijde al verlaten en aanschouwden vanuit de hoek van het stadion, voor de walmende frietkraam, de laatste minuten van de wedstrijd. Haarlem was in de aanval, aan de andere kant van het veld.

Zojuist hadden wij op het grote scorebord gezien dat bij de wedstrijd IJzerhandel Guldemond Sleutelservice (‘Gereedschap zowel voor vakman als amateur’) tegen Van Duivenboden (‘Voor mooier wonen en ideaal interieur’) de stand op 1-0 was gekomen. Die wedstrijd stond synoniem voor FC Twente – Sparta, wisten we. Op het scorebord was zoals gebruikelijk iedere wedstrijd vervangen door een duel tussen twee sponsors. De corresponderende clubnamen vond je terug op de laatste pagina van het programmablaadje Topscorer.

Gejuich

Een licht gejuich had door het stadion geklonken bij de 1-0 voor FC Twente, want Sparta was een voorname concurrent van Haarlem in de strijd om Europees voetbal. Net als FC Utrecht trouwens, dat blijkens de stand bij Dekker’s bakkerijen BV (‘Uw warme bakker Brood-o-theek’) tegen Loodgieters- en installateurs combinatie Haarlem BV met 1-0 achter stond bij NEC. Maar er zat dus ook puntverlies voor Haarlem aan te komen tegen Roda JC, middenmoter slechts, ondanks een aantal behoorlijke spelers onder wie Martin van Geel, Eugène Marijnissen en de legendarische Dick Nanninga.

“Corner!” riep iemand, onderwijl een patat wegkauwend, toen de laatste speelminuut al was ingegaan. Dat had ik allang gezien natuurlijk, aan het hek gekluisterd. Laatste kans op twee punten. Daar kwam de bal vanaf de rechterhoekvlag ons gezichtsveld binnengevlogen, hoog voor het doel. Het leek of alle voetballers plots aan de grond genageld stonden en er slechts één speler reageerde. Een fenomenaal gezicht: twee lichtmasten die hun spotlights exclusief richtten op die ene speler, de ranke jongen met die enorme sprongkracht. Ruud Gullit torende hoog boven iedereen uit. Kopbal. 1-0.

Ruud Gullit bij HFC Haarlem

Haarlem 1981-1982: Ruud Gullit, tweede van links op de onderste rij.

Zo is het in mijn herinnering, althans. Patatbakken vlogen in de lucht, voordat even later de wedstrijd werd afgefloten. Terwijl we klodders mayonaise van onze jassen veegden, liepen we opgetogen het stadion uit, op weg naar de bus die ons terug naar ons dorp zou brengen. “Hij is pas negentien jaar, hè”, zei een vriend. Zelf waren we zeventien. Twee van ons werkten bij een rozenkweker, een stond op de markt, ikzelf bezorgde post, op zaterdag. Gullit was slechts iets ouder en nu al een held. Hij had zelfs al een wedstrijd in het Nederlands Elftal gespeeld.

Haarlem eindigde het seizoen als vierde in de eredivisie en plaatste zich voor het eerst in de clubhistorie voor Europees voetbal. De 3-1 nederlaag in de laatste competitiewedstrijd, thuis tegen landskampioen Ajax op 22 mei 1982, deed daar niets aan af. Ruud Gullit maakte in dat duel zijn laatste goal voor Haarlem. Hij vertrok naar Feyenoord. En de rest is geschiedenis, zeggen ze dan. Maar die geschiedenis was toen allang begonnen.

Jan Gijzenkade

Met de bus vanuit ons dorp Kudelstaart, via Aalsmeer, naar Haarlem. De route konden we dromen. Als de bus geparkeerd was bij station Haarlem, liepen we eerst naar een snackbar op de Kruisweg. Patat speciaal en een frikandel. Vervolgens met de bus naar de Jan Gijzenkade. Kaartje kopen voor Tribune Noord, 8 gulden. Programmablaadje, 1 gulden.

Haarlem was, naast topclub Ajax en het zieltogende FC Amsterdam, de profclub-het-meest-dichtbij. Goedkoop te bereiken, voor de kosten van een busrit, een patat speciaal en een frikandel. Een warme club, waar ik met Haarlem – FC Twente in 1978 samen met mijn vader mijn eerste live profvoetbalwedstrijd zag – omdat ik eigenlijk fan van FC Twente was. Fijn was ook dat Haarlem nog nooit iets groots had gepresteerd in het profvoetbal, of het moest een plek in de middenmoot van de eredivisie zijn, in een jaar dat de club niet in de eerste divisie speelde.

De verwachtingen waren niet hooggespannen, en daarom was het al snel leuk. Haarlem was de club van Barry Hughes, de trainer uit Wales met de eeuwige pet op zijn hoofd. De club van Piet Huyg, de stotterende verdediger met zijn lange stelten, die een sportzaak had in Haarlem. De club van Martin Haar, de robuuste speler met de lange bakkebaarden. De club van Keith Masefield, die door Barry Hughes was opgeduikeld in Engeland en als vleugelverdediger iedere wedstrijd onder luide aansporing vanaf de tribunes opstoomde langs de lijn, onvermoeibaar.

De club van Wim Balm, het grote, technische talent en van Frank Kramer, de zelfbenoemde komiek die eens verkleed als nar op de cover van Voetbal International had gestaan. De club van Gerrie Kleton, die bij Ajax had gespeeld – dat kon je wel zien – en de club van Abe van den Ban, fenomeen door zijn moustache.

Toptalent

In de zomer van 1979 ging er een gerucht: Haarlem had een toptalent aangetrokken. Ook Ajax wilde Ruud Gullit van DWS uit Amsterdam contracteren, maar dankzij Barry Hughes had deze jongen voor Haarlem gekozen. Zestien jaar was hij pas.

Uit het boek Gras, zweet en shampoo van Barry Hughes uit 1998: “Ik kreeg direct nul op het rekest. De vader (van Ruud Gullit, red.) deelde me vast besloten mee: ‘Ik vind hem nog te jong, kom over een jaar maar terug.’ Ik wees op mijn horloge en zei: ‘Het is nu 22 september, elf uur ’s ochtends. Precies over een jaar, op 22 september om elf uur ’s ochtends, sta ik weer bij u op de stoep.’ Precies een jaar later, op 22 september, exact om elf uur ’s ochtends, en geen seconde eerder of later, belde ik weer aan bij het huis van de familie Gullit. (…)”

“Vader Gullit kondigde aan dat het wachten op Ajax was. Zoals zo vaak moest ik tegen de grote Amsterdamse club zien op te boksen. ‘Als Michels langskomt, praten we verder.’ Ik vroeg: ‘Is die al geweest dan?’ Dat was niet het geval. Aangezien Rudi’s moeder blijkbaar veel waarde hechtte aan een goede opleiding van haar zoon, regelde ik direct een school voor Rudi in Haarlem. (…) Ze liet zich door mij overtuigen, praatte pa Gullit om en zo kwam Rudi Gullit naar Haarlem.”

Debuut

Het was 19 augustus 1979, toen Ruud Gullit debuteerde in de eredivisie. Dertien dagen voor zijn zeventiende verjaardag. Barry Hughes stelde hem als inschuivende laatste man op in de eerste competitiewedstrijd van het seizoen, thuis tegen het MVV van onder anderen Bert van Marwijk. Gullit bleek een gespierde lange slungel, die met wapperende armen over het veld danste.

De wedstrijd eindigde in 2-2. Willy ‘Stengel’ van Bommel en Marcel Adam scoorden voor MVV, Frank Kramer en Gerrie Kleton voor Haarlem. In Voetbal International kreeg Gullit een 7, net als een week later in de met 3-0 verloren uitwedstrijd tegen Sparta.

Uit Voetbal International, september 1979: “Ruud Gullit niet naar Anderlecht. Geschrokken door de hoge vraagprijs van één miljoen gulden heeft Anderlecht geen verder initiatief genomen Ruud Gullit te contracteren. Men was in België op dat idee gekomen vanwege de leeftijd van Gullit, zestien jaar. Tot ’t moment dat buitenlandse spelers 17 jaar worden, kunnen ze in België geregistreerd worden als ‘voetbalbelg’, voor Anderlecht uitermate interessant omdat dáár het maximum van drie buitenlanders al bereikt is. Afgelopen zaterdag is Haarlems ausputzer 17 jaar geworden (per 1 september) en tegen die achtergrond blijkt er geen belangstelling meer voor hem te bestaan.”

Kijken bij Haarlem

Ik ging vaak met mijn vrienden kijken bij Haarlem – en als zij geen zin hadden, ging ik alleen. Eén keer was ik zó vroeg, dat ik moest wachten tot de kassa openging. Ik was letterlijk als allereerste in het stadion. Magisch. Ik, helemaal alleen op die lange staantribune. De zon overscheen een gladgroen veld, de stoeltjes op de lege tribune aan de overzijde en het beton in de stavakken achter de doelen. De frietkramen waren nog dicht. Werkelijk niemand te bekennen, maar wel die zindering in de lucht, de spanning voor een wedstrijd. Geluk in een leeg stadion.

Sowieso waren we altijd ruim van tevoren in het stadion. Meestal zagen we de spelers vóór de wedstrijd nog in hun clubkostuum het veld oplopen, vaak eerst de tegenstander en dan ook die van Haarlem. De meesten stonden met hun handen in hun zakken verveeld met elkaar te praten. Die ene viel altijd op. Strak in het pak, borst vooruit, trots het stadion rondkijkend: Ruud Gullit.

Sommige wedstrijden blijven je heel je leven bij. Van sommige wedstrijden weet je je geen detail meer te herinneren. Vier jaar Ruud Gullit bij Haarlem zijn in mijn hoofd samengeklonterd tot een paar fragmenten. Rushes, goals, passes, luchtduels. Op mijn netvlies staat onder meer die foto van Robert Collette uit Voetbal International, uit een thuiswedstrijd tegen Vitesse. Ruud Gullit springt in de nabijheid van Vitessedoelman Ben Nijhuis zo hoog, dat het door de camerapositie lijkt alsof hij met zijn benen boven het dak van de tribune uitkomt. Die foto hebben wij bewonderd

Ruud Gullit bij HFC Haarlem

Ruud Gullit tijdens Haarlem – Vitesse, 1980.

Ruud Gullit werd van inschuivende libero al snel middenvelder. Rechtsbuiten. Spits. Achter de spits. Soms viel zijn spel wat tegen. Maar meestal niet. Hij maakte razendsnel naam en zijn eerste doelpunt in het betaalde voetbal was een kwestie van geduld. Die goal herinner ik me niet. Maar hij kwam, zo lees ik terug, op 12 januari 1980. In de thuiswedstrijd tegen het FC Den Haag (1-1) van Aad Mansveld, Joop Korevaar en Lex Schoenmaker maakte Gullit gelijk na een snelle openingstreffer van Schoenmaker.

Gullit zou nog drie keer scoren dat seizoen, maar hij degradeerde wel in zijn eerste jaargang als profvoetballer. Dat wist ik dan weer wel. Na de degradatie vertrok Barry Hughes naar Sparta en kreeg Haarlem met Hans van Doorneveld een nieuwe trainer. Aan het eind van het seizoen 1980-1981, waarin Haarlem afgetekend de titel pakte, werd Ruud Gullit uitgeroepen tot Beste Speler van de Eerste Divisie. Enkele maanden later, precies op zijn negentiende verjaardag, debuteerde hij in het Nederlands Elftal als invaller voor Frank Rijkaard. Oranje verloor met 2-1 van Zwitserland.

We misten Gullit

Op stap in Amsterdam stonden wij eens in een café toen we hem plotseling zagen. We stootten elkaar aan, stiekem wijzend: “Kijk, Ruud Gullit!” Hij stond voor een spiegel, zag daarin onze bewonderende blikken en draaide zich lachend om. Wij lachten beschaamd terug. Slechts iets ouder dan wijzelf – en toch al zo’n afstand.

De meeste wedstrijden van Haarlem bezochten wij in het topseizoen 1981-1982. Gullit, de held, maakte zelf veertien doelpunten en zorgde voor de aanvoer naar spits Joop Böckling, die met zeventien goals clubtopscorer werd. De beloning was Europees voetbal, met memorabele wedstrijden tegen AA Gent en Spartak Moskou tot gevolg. Wij stonden op de tribune, zagen Aad Koudijzer en Cees Schapendonk voor Gent spelen en bewonderden van dichtbij Rinat Dasajev, de wonderkeeper van Spartak Moskou. Maar we misten Gullit.

Wembley

Waar hij ook zat, Ruud Gullit bleef die speler van Haarlem. Het was 17 mei 1997 toen ik – van postbezorger inmiddels journalist geworden – op de tribune van Wembley zat, voor de FA Cup-finale tussen Chelsea en Middlesbrough. Uit de spelerstunnel kwamen de ploegen het veld opgelopen, de managers voorop. Krom gebogen, de gedrongen gestalte van Bryan Robson, trainer van Middlesbrough. Naast hem de kaarsrechte gestalte van Ruud Gullit, strak in het pak, borst vooruit, trots het stadion rondkijkend. De wedstrijd was nog niet gespeeld, maar al gewonnen door Gullit. Het werd 2-0 voor Chelsea, onder meer door een goal van Roberto Di Matteo na 47 seconden.

Haarlem is en blijft de club van Barry Hughes, van legende Kick Smit, van het mos op de tribune, van de groene neon-letters op het scorebord, van de frietkramen in de hoek en achter het doel en van het prachtige rood-blauwe tenue. En van Ruud Gullit. Omdat een verdwenen club nooit verloren mag gaan.

Dit artikel verscheen eerder in Staantribune #15, dat geheel is uitverkocht, maar nog wel in digitale vorm is na te bestellen in de webshop.

Meer over Haarlem in het boek Verdwenen Profclubs van Staantribune-redacteur Martijn Schwillens, ook verkrijgbaar bij een abonnement op Staantribune.

Staantribune #15

Foto’s: Pro Shots/Voetbal International

Word abonnee
terug naar overzicht

Lees verder...