Een bezoek aan FC Pristina in Kosovo

FC Pristina is veruit de grootste club van Kosovo. Het speelde ooit op het hoogste Joegoslavische niveau, maar de club uit de hoofdstad was veel succesvoller. Van 1983 tot en 1988 handhaafde FC Pristina zich tussen de elite.

Legendarisch is de 1-3 overwinning op Rode Ster Belgrado, de club die voor veel Kosovaren het Servisch nationalisme symboliseert. Ster in dat team van FC Pristina was Fadil Vokrri. Hij werd in 1986 overgenomen door Partizan Belgrado, een club die veel minder nationalistisch is. Shkenca Goci, de perschef van FC Pristina, regelt dat iemand mij vanuit Pristina naar Obilić brengt, want dat is volgens haar lastig te bereiken. Ik sla dat aanbod natuurlijk niet af.

The Uncle

Twee uur voor de wedstrijd belt Goci mij op. Ik moet naar een bepaald hotel en daar staat een zilveren Mercedes klaar. Normaal is dat de dienstauto van trainer Lutz Lindemann, maar die is al bij het stadion. Bij de auto moet ik vragen naar The Uncle, dat is de naam van de chauffeur. Het klinkt allemaal heel dubieus, maar dat bevalt mij wel. De auto is er inderdaad en The Uncle staat ernaast. Hij ziet eruit zoals ik had verwacht. Een beer van een vent met een gouden tand, strak in het pak en handen als kolenschoppen. Ik vraag “The Uncle?” aan hem. Hij steekt zijn klauw uit, vermorzelt mijn hand en zegt “The Uncle!” Vanbinnen juich ik bij zoveel clichés. The Uncle vraagt of ik Duits spreek en ik antwoord bevestigend.

Dat vindt hij prettig, want zijn Engels is niet goed. The Uncle vertelt dat hij achttien jaar in Berlijn heeft gewoond. Naar eigen zeggen kent hij iedere wijk in de stad, want hij is tien keer verhuisd. Als ik hem vraag wat hij daar deed, blijft hij vaag. Klusjes voor opdrachtgevers en dingen met import en export. Ik hoop stiekem dat hij huurmoordenaar was.

Macchiato

Ondertussen zoeven we over de weg. Volgens The Uncle, wiens echte naam Adem is, kan hij in elk voertuig en op elke ondergrond rijden. Hij is tegenwoordig chauffeur van de president van de club en vervoert Lindemann en zakenrelaties van de president. Vlak voordat we in Obilić zijn, slaat The Uncle af. We rijden naar een café waar hij een pakketje moet afgeven. Uiteraard drinken we een macchiato. “Het schijnt de beste ter wereld te zijn”, zeg ik tegen The Uncle. Hij knikt bevestigend en zegt: “Ik ben op veel plekken in de wereld geweest en nergens is het beter dan hier. Een macchiato maken, is hier een soort kunst. Het grote geheim is dat wij melk nooit hergebruiken. Anderen doen dat wel en dat maakt de smaak minder. In Kosovo is dat een doodzonde. Waar je ook een macchiato bestelt, of het nu in een toprestaurant is of bij een benzinestation, overal is het goed.”

Terwijl wij wachten op de persoon voor wie het pakketje is, vraag ik aan The Uncle of hij ook naar Albanië gaat voor de wedstrijd van Kosovo. The Uncle schudt van nee. “Ik ben geen voetbalfan. Door mijn werk zie ik weleens een wedstrijd van FC Pristina, maar ik vind voetbal saai. Ik ben een boksfan. Dat heb ik ook jaren gedaan. Maar al was ik voetbalfan, dan zou ik nog niet gaan. Ik ben tegen het Kosovaarse elftal, want ik geloof niet in Kosovo. Wij horen bij Albanië. De Kosovaarse vlag doet mij ook helemaal niets. Er is maar één vlag en dat is de rode met zwarte adelaars.”

Twee adelaars

Op het moment dat The Uncle dat zegt, kruist hij zijn polsen en maakt met zijn handen een symbool dat twee adelaars moet voorstellen. “Let op mijn woorden, binnen twintig jaar is er één Albanië. Het ligt nu nog te gevoelig in de internationale gemeenschap, maar dat komt wel goed. De ultras van FC Pristina denken er hetzelfde over. Zij boycotten het Kosovaarse elftal daarom. Let straks maar op, je zal alleen Albanese vlaggen zien en niet dat blauw-gele kleuterwerkje.”

Terwijl we Obilić naderen, vraag ik of het niet gek is dat de plaats nog steeds naar een Servische held is vernoemd. Maar volgens The Uncle ben ik fake news aan het verspreiden. “Obilić was geen Serviër, maar een Albanees. Dat is later in de geschiedenisboeken vervalst. Overigens wordt de stad Obilić ook Kastriot genoemd. Dat was de achternaam van onze nationale held Gjergj Kastrioti. Hij staat ook bekend als Skanderbeg (oftewel Skënderbeu in het Albanees, een naam die waarschijnlijk wel bekend is vanwege KF Skënderbeu Korçë, de club die van 2011 tot en met 2016 Albanees landskampioen werd, JvdW). Aan het begin van de Moeder Teresa Boulevard staat een enorm standbeeld van hem, dat moet je gezien hebben. Dankzij hem hebben wij de zwarte adelaars want dat was zijn familiewapen.”

Skanderbeg

Het is opvallend dat Skanderbeg wordt gezien als de grootste Albanees ooit, ondanks zijn achtergrond. De edelman was een katholiek en vocht jarenlang tegen de islamitische Ottomanen. Skanderbeg stond vaak tegen legers die vijf keer zo groot waren als het zijne, maar toch won hij (op één na) alle belangrijke veldslagen. Skanderbeg was een held onder de christelijke leiders in West-Europa, want dankzij hem konden de Ottomanen niet verder oprukken. Zijn vlag, rood met twee zwarte adelaars, is tegenwoordig de vlag van Albanië.

The Uncle blijkt een groot liefhebber van geschiedenis te zijn en ik krijg een heel hoorcollege over de Albanese ontstaansgeschiedenis. De versie lijkt wel wat gekleurd te zijn, maar ik vind het wel boeiend om te horen. Dan komen we in Obilić aan. In de verte staan grote schoorstenen grijze rook in de lucht te brullen. Zowel Stefan als Albert hadden mij al over deze kolencentrale verteld, schijnbaar het meest vervuilende complex van Europa. The Uncle is ook geen fan. “Die fabriek moet dicht. Ooit leverde dat veel energie op, maar tegenwoordig vervuilt die fabriek vooral. De Serviërs hebben veel gestolen uit die centrale tijdens de burgeroorlog, daarom is die nu zo verouderd.”

Het is dankzij de kolencentrale dat hier een voetbalclub speelt. KEK is namelijk de voetbalclub die bij de fabriek hoort. Het stadionnetje van KEK ziet er niet heel bijzonder uit. Ik loop even naar binnen en zie een karkas dat een tribune moet voorstellen en voor de rest zijn er veel staanplaatsen. Op de achtergrond zijn de schoorstenen van de centrale zichtbaar die flink wat rook de lucht inblazen, een pittoresk plaatje. Op de muren rondom het stadion is overal de naam Elektricistët, de bijnaam van KEK, aangebracht. Hier in Obilić moet je niet aankomen met praat dat je fan bent van windenergie. De kolencentrale zorgt ervoor dat de club bestaat en dat de lokale mensen werk hebben.

Smog

Dat het niet helemaal gezond is, merk ik al snel. Er hangt veel smog in de lucht, het zicht is slecht en als je je mond even opent, proef je de smerigheid op je tong. Naast het stadion zit een bar en omdat het nog een halfuur is voordat de wedstrijd begint, ga ik daar even zitten. Ik zie een roodharige jongen staan met een Schots rugbyshirt. Hij heeft totaal geen Kosovaarse trekken en ik vraag hem of hij uit Schotland komt. Dat blijkt niet zo te zijn. Het is namelijk een Duitse vincker. Ik kan het niet geloven. Ik sta hier op een donderdagmiddag in een obscuur stadje naast een smerige fabriek voor een niet bijzondere wedstrijd en er is een Duitse vincker aanwezig.

Zoals het Duitse vinckers betaamt, gaat hij meteen over vincks uit het verleden praten. Hij is bezig om alle 55 Europese landen die aangesloten zijn bij de FIFA te bezoeken met een wedstrijd. Zijn teller staat op 53 en vandaag vinckt hij nummer 54. Ik vraag hem of hij naar de derby in Gjilan gaat morgen, maar van die wedstrijd weet hij niets af. Hij gaat namelijk naar Macedonië om zijn lijstje compleet te maken. Zonde. Het is best een aardige jongen en we hebben het nog wat over zijn club Eintracht Frankfurt en Willem II. Uiteraard is hij al eens in Tilburg geweest, want hij heeft alle Nederlandse profclubs al jaren geleden gevinckt.

Plisat

Ondertussen staat de wedstrijd op het punt om te beginnen. Druk is het niet. Slechts een mannetje of driehonderd neemt de moeite om vanuit de hoofdstad naar hier te komen. Terwijl FC Pristina en Ferizaj aan de wedstrijd beginnen, valt mijn oog op een spandoek. Aan een roestig hek hangt een Albanese vlag met de tekst ‘Kosova është Shqipëri’, oftewel ‘Kosovo is Albanië’. Achter de vlag staan de mannen van Plisat, de ultragroep van FC Pristina. Zij zwaaien met vlaggen van Albanië. Een Kosovaarse vlag is, zoals voorspeld door The Uncle, niet te zien.

Ik heb vooraf via internet contact gehad met Labinot, een van de ultras. Waar ik vooral naar benieuwd ben, is waarom de mannen van Plisat zo anti-Kosovo zijn. Labinot is daarin heel duidelijk: “Kosovo is geen land, wij horen bij Albanië. Over een paar dagen speelt een Kosovaars elftal voor het eerst een kwalificatiewedstrijd tegen Kroatië. Als wij daar als Plisat heen zouden gaan, is het in een Kroatisch shirt.”

Het Kosovaarse elftal verdeelt de supporters in Kosovo. Zo zijn niet alleen de ultras van FC Pristina tegen het nieuwe elftal. Ook de meeste supporters van twee andere grote clubs, KF Vëllaznimi en Liria Prizren, boycotten het. Aan de andere kant steunen de ultras van de andere clubs het nationale elftal juist weer wel. De verdeling komt vooral door de vraag of Kosovo nu wel of niet bij Albanië hoort. Aan de ene kant heb je de progressieven. Zij vinden dat Kosovo zich moet ontwikkelen als apart land. Natuurlijk met goede banden met Albanië, maar niet als onderdeel van dat land.

Groot-Albanië

Aan de andere kant heb je de hardliners, Albanese nationalisten die geloven in een Groot-Albanië, waar Kosovo in hun ogen een onderdeel van moet zijn. Tot die laatste groep behoren de ultras van Plisat. Die naam is afkomstig van de traditionele Albanese hoed. Het was bij de oprichting van Plisat in 1987 een duidelijke verwijzing naar hun Albanese etniciteit. In die jaren speelde FC Pristina als enige club uit Kosovo in de hoogste divisie van Joegoslavië. De eerdergenoemde 1-3 overwinning op Rode Ster Belgrado in 1983 is een van de hoogtepunten van de club. De door Kosovaren meest gehate club op eigen veld verslaan gaf een enorme boost aan het zelfvertrouwen van de onderdrukte Albanezen. Het is misschien wel de belangrijkste overwinning die FC Pristina ooit boekte.

Ik spreek met Afrim, een andere ultra van Plisat. Ondanks het feit dat hij pas negentien is, is hij erg trots op die overwinning. Volgens de geschiedenisstudent is het zelfs een historische gebeurtenis. “Dat wij die Servische kontneukers versloegen op eigen veld is niet minder dan een wonder. Albanezen werden enorm onderdrukt in Joegoslavië. Wij waren tweederangsburgers. Er woonde maar een klein percentage Serviërs in Kosovo, maar zij hadden de macht. Scheidsrechters floten enorm in ons nadeel, zeker als wij tegen die flikkers van Rode Ster speelden. Daar met 1-3 winnen was dus eigenlijk onmogelijk. Maar wij deden het. Mensen noemen de titel van Leicester City een sprookje, maar dit was er werkelijk een. Ik hoop zó dat wij de titel pakken dit jaar en komend seizoen in de Champions League tegen Rode Ster moeten. Dat wordt de gekste wedstrijd ooit en die gaan wij weer winnen. Dan moet je echt hierheen komen.”

Mijn vlag is rood met twee zwarte adelaars, niet die van Kosovo die door een idioot is ontworpen. Daar veeg ik mijn kont mee af

Kosovaarse elftal

Ondanks het feit dat Kosovo in 1999 de facto onafhankelijk werd van Servië, ziet Afrim het liefst zijn land weer deel uitmaken van een ander land. “Wij horen bij Albanië. Daar wonen Albanezen en dat zijn wij dat ook. Het heeft weinig zin om ons apart te houden. Uiteindelijk worden we toch één land. Daarom snappen wij van Plisat het Kosovaarse elftal ook niet. Kosovo is geen land, maar onderdeel van Albanië.”

Zijn mede-ultra Labinot is nog wat meer uitgesproken. “Dit hele Kosovaarse elftal is een en al politiek. De EU wil dat Kosovo een apart land wordt om de Serviërs niet voor het hoofd te stoten. Ik walg daarvan. Ik haat de Kosovaarse vlag die ze ons hebben opgedrongen. Mijn vlag is rood met twee zwarte adelaars, niet die van Kosovo die door een idioot is ontworpen. Daar veeg ik mijn kont mee af.”

In november 2015 speelden Kosovo en Albanië een vriendschappelijke interland in het Stadiumi i Qytetit van FC Pristina. Plisat was daar ook bij aanwezig. Labinot en zijn maten stonden in het uitvak. “Ons doel was om het hele stadion rood-zwart te laten kleuren. Dat is niet gelukt, maar er was toch wel een groot gedeelte in de Albanese kleuren. Nee, we hebben niet gevochten met mensen in het geel-blauw. Maar er zijn wel stevige discussies geweest met hen. Zij begrijpen niet dat ze door Kosovo te steunen de Albanese eenwording ondermijnen. Veel mensen liepen met beide vlaggen in de hand, maar die Kosovaarse vlag moet je helemaal niet gebruiken. Dan pleeg je verraad aan Albanië.”

Milot Rashica

In de zomer van 2016 maakten zes spelers de overstap van het Albanese elftal naar dat van Kosovo. Een van hen was Vitesse-speler Milot Rashica. In Albanië worden deze zes gezien als verraders. Bij de ultras van Plisat leeft hetzelfde sentiment. Labinot: “Rashica maakt met zijn twee handen altijd het gebaar van de dubbelkoppige adelaar, hét symbool van Albanië. Hij was zelfs bijna geselecteerd voor het EK en toch stapt hij over naar Kosovo. Daar snap ik echt niets van. Voor mij is hij een verrader, net zoals iedere speler die overstapt naar Kosovo. Dat soort voetballers zijn voor mij geen echte Albanezen.”

De wedstrijden van Kosovo ga ik negeren, hoeveel de media die ook aan ons gaan opdringen

Op het veld is weinig te beleven. Toch blijven de ultras van Plisat, zoals het ultras betaamt, stug doorzingen. Zelfs al staan ze in verontreinigende lucht die hun levensverwachting met jaren naar beneden haalt. FC Pristina maakt heel laat een doelpunt tegen degradatiekandidaat Ferizaj en de mannen van Plisat vieren het alsof ze de titel hebben gewonnen. Na afloop ga ik weer naar ze toe.

Afrim: “Het zag er niet uit, maar we zijn weer een stapje dichter bij de titel. Vanaf volgend seizoen mag er een Kosovaarse club meedoen in de Champions League. Het zou prachtig zijn als wij de eerste zijn. Helaas ligt de competitie nu anderhalve week stil door die interlands. Ik ga die wel volgen, maar natuurlijk alleen de wedstrijden van Albanië. De wedstrijden van Kosovo ga ik negeren, hoeveel de media die ook aan ons gaan opdringen. Ik hoop alleen dat Kroatië en Oekraïne winnen van Kosovo.”

Dromen over de Champions League

Na afloop heb ik nog een kort gesprekje met Lutz Lindemann, die het heel gek vindt dat er hier een Nederlander aanwezig is. Hij vertelt over zijn droom om FC Pristina naar de Champions League te leiden, maar vreest dat het nog wel vijf tot tien jaar kan duren voordat het Kosovaarse clubvoetbal kan aanhaken bij de buurlanden. Het nieuwe stadion is volgens hem nu prioriteit nummer één. The Uncle staat ondertussen aan de kant en wijst op zijn horloge. Met The Uncle ga je niet in discussie, dus ik rond mijn interview af.

In de auto gaat The Uncle los over de wedstrijd. Het was schandalig slecht, volgens hem. Hij ziet FC Pristina geen kampioen worden dit seizoen. Dat kan volgens hem ook pas als het stadion klaar is en dat kan volgens hem nog wel even duren door de incompetente Kosovaarse voetbalbond. Na zijn klaagzaag dropt The Uncle mij bij de Moeder Teresa Boulevard. Ik krijg weer een stevige handdruk die ik een paar uur later nog steeds voel.

Pot 6

Dit is een hoofdstuk uit het boek Pot 6 – Op bezoek bij de voetbaldwergen van Europa van Joris van de Wier. Het boek is is te bestellen in de Staantribune Webshop.

Word abonnee
terug naar overzicht