De bescheiden krabbel van Romário

Romario zag op 6 november 1988 zijn voetbalnaam voor het eerst terug op een scorebord in het koude Nederland. Locatie: Kerkrade. Tegen een sterk spelend Roda JC was O Baixinho (‘Het Kleintje’) voor het eerst beslissend voor zijn nieuwe werkgever PSV. Van de meeste Brazilianen wordt alleen de voetbalnaam onthouden. Van Pelé, Socrates of Zico weet niemand hoe ze in de burgerlijke stand van hun geboorteplaats staan ingeschreven. Althans, ik niet. Maar van Romário weten we het wel. Misschien wel omdat Evert ten Napel het zo mooi kon oplepelen: “Ro-má-rio-de-Souza-Fa-ria”.

Internet bestond er nog niet, dus de meeste voetballiefhebbers moesten het in zijn eerste Nederlandse seizoen doen met de statistieken zoals die uit Brazilië waren doorgegeven. Bij Vasco da Gama had hij in 47 wedstrijden veertien maal gescoord. En vervolgens had hij zich in de Europese kijker gespeeld tijdens de Olympische Spelen van dat jaar. In Zuid-Korea had de spits zijn land met zeven treffers het zilver bezorgd, maar daarvan raakte die zomer geen Nederlander in de war. ‘Wij’ waren immers net Europees kampioen geworden en de beste spelers ter wereld speelden toch in Oranje?

Toch raakten naast de PSV-supporters ook steeds meer andere Nederlanders in de ban van de Braziliaanse topscorer. De oorsprong van de term ‘duveltje uit een doosje’ werd met terugwerkende kracht aan Romário toegeschreven. Hoe ongeïnspireerd hij regelmatig ook oogde, eenmaal in het vijandelijke strafschopgebied velde hij scherper dan wie dan ook het vonnis over zijn tegenstanders.

Goals

Romário was niet alleen de maker van talloze doelpunten, hij ontpopte zich ook als koning van het break-even-point en liet keer op keer zien hoe een spits met zo min mogelijke inspanning zo veel mogelijk doelpunten kon maken. Dat hij zowel voor als na een flitsende actie “een beetje moe” was, deed er niet toe. Cruijff zei ooit: “Er is maar één moment dat je ergens op tijd aankomt, anders ben je te laat of juist te vroeg”, of woorden van gelijke strekking. Romário was de op-tijd-komer bij uitstek. En eenmaal op de juiste plek gearriveerd, zorgde zijn enorme technische bagage voor de vereiste, oogstrelende afwerking. Stiffies, puntertjes of uitgekiende schoten, wat nodig was om te scoren, deed de Braziliaan met speels gemak.

In actie tegen FC Volendam (1992, credits: Pro Shots/Stanley Gontha)

(1992, credits: Pro Shots/Stanley Gontha)

Naast zijn productiviteit op het veld zorgde zijn aaibaarheidsfactor voor de rest. Mannen wilden hem zijn, vrouwen wilden in zijn buurt komen. De guitigheid waarmee hij lispelend sprak over ‘appelmoes’ zorgde voor mooie televisie en dat hij regelmatig in Rio de Janeiro een vliegtuig miste, juist wanneer hij zich weer bij PSV moest melden, werd hem meestal vergeven. Zeker als hij bij zijn verlate rentree meteen weer scoorde. Hij was Neerlands best bewaarde voetbalgeheim en juist daarom kon PSV hem maar liefst vijf seizoenen in de gelederen houden.

Oog in oog met Romário

Op 14 april 1993 kwam ik voor het eerst – en tot nu toe ook voor het laatst – oog in oog te staan met de kleine vedette van PSV. Ik werkte die avond als portier bij Fortuna Sittard. Ik had onder meer als taak om de Eindhovense spelers na afloop van de wedstrijd een beetje af te schermen van al te opdringerig volk. Niet dat dit echt nodig was, want er stonden maar weinig handtekeningenjagers te wachten bij de PSV-bus. De thuisclub had zojuist afgetekend met 1-5 verloren en nog voor het laatste fluitsignaal hadden veel Fortuna-fans al het stadion verlaten. Tegen dit PSV was geen eer te behalen. Romário speelde niet groots, maar pikte wel weer zijn doelpuntje mee.

Nadat Willem Kieft en Hans van Breukelen mij waren gepasseerd, kwam de Braziliaan op zijn dooie akkertje mijn richting uit gesjokt. In het stadion wist ik natuurlijk meteen wie hij was. Maar als ik hem op straat zou zijn tegengekomen, was ik hem waarschijnlijk zonder om te kijken voorbij gelopen. Vriendelijk knikte hij naar me en toen heb ik – tegen de beroepscode aller portiers in – een handtekening aan hem gevraagd. “Asjeblief” zei hij op z’n bekende ‘appelmoesj’-manier en slenterde vervolgens verder naar de bus. Wat een normale jongen eigenlijk, dacht ik nog. In niets leek deze bescheiden Romário in 1993 op een wereldster in wording.

Wereldster

Zijn transfer naar het Barcelona van Johan Cruijff maakte alles anders. Zijn exposure steeg gigantisch en na een jaartje Primera División vormde hij tijdens het daaropvolgende WK in de Verenigde Staten samen met Bebeto een dodelijk koppel. Nadat Oranje in een gedenkwaardige kwartfinale door de Brazilianen was uitgeschakeld (een treffer van Romário) lette ik alleen nog maar op hem. De interviews die hij gaf, de gekte om hem heen. Het contrast met die voorjaarsavond in Sittard kon niet groter zijn. Ik zag gillende supporters smeken om een handtekening en dacht aan het gemak waarmee hij zijn krabbel had gezet achterop mijn A4’tje met de opstellingen van die avond.

Na de dramatische finale-winst van de Seleçao tegen Italië – Romário benutte zijn penalty, Baggio zoals bekend niet – was het hek helemaal van de dam. De nieuwe voetbalkoning heette Romário. Hij was niet meer alleen van ons Nederlanders, maar van de hele wereld.

Feliz aniversário, Romário!

Foto header: Nationaal Archief/Fotocollectie Anefo, Publiek domein, Rob C. Croes

terug naar overzicht

Lees verder...