Het gehele elftal van Il Grande Torino (AC Torino) verongelukte op 4 mei 1949 aan de voet van de basiliek van Superga. Van het destijds wellicht beste voetbalteam van Europa overleefde geen enkele speler de ramp. Maar liefst 31 mensen vonden de dood. De schok was zo groot dat een miljoen mensen in Turijn de straat opgingen om de spelers de laatste eer te bewijzen.

Het vreselijke ongeval maakte zo’n diepe indruk dat het Italiaanse elftal uit veiligheidsoverwegingen besloot om na de ramp per schip in plaats van met het vliegtuig af te reizen naar het wereldkampioenschap in Brazilië (1950). De rampplek trekt ook vandaag de dag nog altijd bezoekers. Nog steeds reizen er (voetbal)pelgrims naar Superga om de spelers van AC Torino te gedenken.

Zes maanden voor de vliegramp speelde datzelfde elftal een vriendschappelijke wedstrijd in het Brusselse Drie Lindenstadion. Dit zeer onbekende sportcomplex is nog steeds het op één na grootste stadion van België (40.000 toeschouwers), maar profsport wordt er niet beoefend.

De opening van dit bijzondere bouwwerk was op 11 november 1948. Il Grande Torino was uitgenodigd om een galawedstrijd te spelen tegen Royal Racing Club Brussel, een Brusselse selectie. Zo’n 40.000 toeschouwers zagen Torino met 0-3 winnen. Het was de enige keer dat het stadion vol zou zitten.

Royal Racing Club Brussel verhuisde naar dit complex, omdat het vroegere Stade du Vivier d’Oie (Ganzenvijver) was verouderd. Maar Racing was niet meer de kampioensploeg van weleer en trok in die jaren weinig publiek. Dat ging nog een tijdje goed, maar al in 1954 slaagde de club er niet meer in om het bouwwerk af te lossen en verhuisde daarom naar de Heizel, het huidige Koning Boudewijnstadion.

Zes jaar later vestigde RRC Boitsfort zich in het Drie Lindenstadion. Deze ploeg speelt er nog altijd en draagt Royal Racing Club nog steeds in haar naam. De letters RRC verwijzen naar dit verleden. Na een van de vele fusies die de club kende, ging Racing namelijk op in RRC Boitsfort. Ook de vroegere atletiekvereniging van Racing sport nog steeds in het stadion.

De naam van het stadion is afkomstig van de drie lindebomen die zich op een naburige rotonde bevinden. Een poos klopte de naam eigenlijk niet meer en stonden er door sterfte minder dan drie lindes, maar momenteel zijn er geheel in stijl weer drie bomen aanwezig. Het is tevens het op een na hoogste geografische punt van Brussel.

Sinds 2010 is het stadion aan de Léopold Wienerlaan 60 een beschermd monument. Er was zelfs enige tijd sprake van dat het Drie Lindenstadion de thuisbasis van de atletiekmeeting Memorial Van Damme zou worden. Dat was echter wat optimistisch, gezien het zeer beperkte service- en veiligheidsniveau van het stadion. Hoewel het geheel in 2011 werd gerenoveerd, is het nog steeds een vrij kaal geheel en geen moderne entourage zoals het Koning Boudewijnstadion, waar het grote atletiekspektakel nu plaatsvindt. Aardig om nog te vermelden is dat de tennisacademie van zevenvoudig Grandslam-winnares Justin Henin ook in dit complex is te vinden is.

Bijzonder aan het Drie Lindenstadion is dat je er compleet aan voorbij zou lopen als je het bestaan niet kent. Achter bomen, struiken en een aarden wal ligt het grote stadion perfect verscholen in de fraaie Brusselse (tuin)wijk Floréal. Het stadion is vrij toegankelijk en wie binnentreedt, wordt verrast door de grote ruimte die zich plotseling ontvouwt. Zo’n machtig stadion verwacht je niet in zo’n keurige, rustige en groene wijk.

Het geheel heeft wel iets weg van een Romeins amfitheater. De zitplaatsen zijn van grof beton, een materiaal dat al bij de Romeinen bekend was. Grappig en bijzonder om te zien is verder dat er een boom in het stadion is gemetseld. Toeschouwers kunnen er tegenaan zitten en lui naar de wedstrijd kijken.

Het geheel maakt sowieso een zeer groene indruk omdat het stadion omgeven wordt door (linde)bomen en zelfs aan een stuk bos grenst. Een prettige entourage voor een voetbalwedstrijd. Het is weer eens iets anders dan al die gelikte, commerciële, moderne stadions met te veel sponsornamen op de gevel.

Het Drie Lindenstadion bezit ook een wat nieuwere tribune die niet misstaat ten opzichte van de rest van het complex. Vanaf dit modernere gedeelte van het stadion heb je een goed zicht op de wedstrijden en zit je wat comfortabeler in vergelijking met de rest van het onderkomen. Dat andere gedeelte is ook prima qua uitzicht, maar het zitcomfort is daar wel duidelijk van jaren-veertigniveau, toen men minder verwend en veeleisend was dan tegenwoordig. Er zijn hier geen afzonderlijke stoeltjes en mensen moeten daar op een ruig soort beton zitten. Zo basaal en spartaans zijn moderne bezoekers het duidelijk niet meer gewend.

Om het veld ligt een sintelbaan wat de afstand tot het veld wat groter maakt voor de toeschouwer, maar ruimtelijk gezien de kuip ook weer indrukwekkender maakt. Het stadion is omgeven door verschillende andere sportvelden waar men tal van sporten kan beoefenen, waaronder rugby, atletiek, tennis en jeu de boules (petanque).

Het mysterieuze Drie Lindenstadion heeft een absurdistisch, bijzonder kantje. De wereldberoemde surrealistische schilder Paul Delvaux woonde niet voor niets 34 jaar lang in Watermaal-Bosvoorde. De nabijgelegen treinstations van de gemeente heeft hij niet voor niks verschillende keren in zijn schilderijen opgenomen.  Of hij het Drie Lindenstadion ooit heeft bezocht, is niet bekend, maar dat hij het bijzondere stadion wel gewaardeerd zou hebben, lijkt bepaald niet ondenkbaar.

Paul Prillevitz