Het eerste weekend na de vliegramp voltrekt zich in een waas van terneergeslagenheid. Familieleden, vrienden en kennissen ontvangen een voor een de ansichtkaarten van spelers die inmiddels al zijn begraven. Het is bizar om hun opgewekte groeten te lezen met de wetenschap van nu. Ook de gewone burger, Torino-supporter of niet, voelt het gemis. De spelers van Il Grande Torino stonden midden in het leven. Talloos waren de momenten dat je ze zo maar ergens tegen kon komen: in een barretje, in een restaurant of bij de bioscoop. Ze stonden ook altijd open voor een praatje. Zoveel plekken herinneren nu aan de overleden helden, ieder plein in de stad ademt hun afwezigheid. 

Jeugdspelers van Torino brengen op 8 mei een emotioneel bezoek aan Superga waar ze, tussen de wrakstukken door, de impact aanschouwen. Daar staan ze dan, met het Granata-shirt om hun schouders sprakeloos te kijken naar de immense ravage. Hoewel de begrafenis de harde realiteit al had bevestigd, voelt het allemaal nog steeds onwerkelijk. 

Doelman Vandone is dat moment op de heuvel van Superga nooit vergeten: “Het was verschrikkelijk beangstigend om op de plek te zijn waar het vliegtuig was neergestort. Vergeet niet, het waren onze mentoren en nu waren ze zo maar in één klap weg, zonder dat we ze voor een laatste keer hadden kunnen omhelzen. Zonder ook maar een groet.”

Op de weg terug naar de stad kan niemand een woord uitbrengen. Terwijl de bekende contouren van hun stad dichterbij komen, is iedereen in zijn eigen gedachten verzonken. Elke week speelden de jeugdspelers een oefenwedstrijd tegen het eerste team. Zowel op sociaal vlak als op het voetbaltechnische gedeelte waren de spelers van Torino de leermeesters van de Squadra Primavera, het jeugdteam.

Vier dagen na de ramp vliegt er een vliegtuig boven alle stadions, waarin competitiewedstrijden worden gespeeld om bloemen te laten neerdalen op de velden. In één stadion wordt geen bal op de middenstip gelegd en klinkt ook geen fluitsignaal ter aanvang van de wedstrijd.

Om 15.00 uur – het tijdstip waarop normaliter de wedstrijd van Torino tegen Fiorentina zou aanvangen – staan elf jongemannen, tegen de achtergrond van huiveringwekkend lege tribunes, in het gelid. Ze hebben bloemen gelegd op de middenstip om de overledenen te eren. Niemand kan de tranen bedwingen. In de laatste vier wedstrijden van het seizoen zal op deze jongelingen de loodzware taak rusten om de overleden voetballers op een waardige manier te vervangen. Maar eigenlijk willen de jongens van de Squadra Primavera maar één ding: dat de mannen van Il Grande Torino lachend naar hen toekomen en hen geruststellen: “Rustig maar, het is niet echt, natuurlijk zijn we er nog”. Maar ze staan er alleen voor, nu en in de toekomst.

Van Roberto Pennino (1971) verscheen in het voorjaar van 2018 het boek Onsterfelijk Torino bij de Nederlandse Sportboeken Club. In 2016 sprak hij in Italië met nabestaanden van de slachtoffers, onder wie Sandro Mazzola (de zoon van aanvoerder Valentino) en Bill Lievesley (de zoon van trainer Leslie Lievesley). Uit die gesprekken, aangevuld met zijn ervaringen en passie voor het Italiaanse voetbal, schreef hij een voetbalgeschiedenisboek. Uit het boek blijkt eens te meer dat het noodlot niet alleen de direct betrokkenen treft, maar nog generaties lang kan nadreunen.

Eind mei verschijnt de Italiaanse vertaling van Onsterfelijk Torino. Uitgever Bradipolibri Editore S.r.l. brengt het boek onder de titel Gli Immortali del Grande Torino e i ragazzi del 1949 uit op de Italiaanse markt.