Martin Ødegaard is een lichtpunt, verder valt Vitesse dit seizoen tot dusverre tegen. Jeugd breekt er niet of nauwelijks door en doeltreffend gescout wordt er ook niet, met Rasmus Thelander – een soort parodie op Tommy Beugelsdijk – als dieptepunt.

Hoewel trainer Leonid Sloetski de Arnhemse harten met zijn markante geijsbeer heeft gestolen, vallen zowel de resultaten als het voetbal tegen. Ondenkbaar is het niet dat Sloetski een Arnhemse variant wordt van Peter Hyballa, die ook meer als een supporter dan als een alles onder controle hebbende coach langs de lijn drentelde. Een trainer die fanatieker is dan zijn spelers (en supporters) komt vaker voor, maar als de kloof te groot wordt, dreigt het op de lachspieren te werken.

Als Vitesse-supporter heb ik de neiging om algemeen directeur Joost de Wit van alles de schuld te geven. Onder zijn leiding blijft het GelreDome matig bezet en worden er geen grote sponsoren vastgelegd, al besef ik dat het lastig is om bedrijven binnen te hengelen zolang de club in buitenlandse handen is. Het beeld dat ooit door Marcel van Roosmalen is geschetst over De Wit is vast karikaturaal, maar blijft kleven. De Wit, die aangifte deed tegen Merab Jordania (“I cut off your fingers”), sindsdien zie ik hem meer als schijterd die ‘het tegen de meester gaat vertellen’ dan iemand die je om een boodschap sturen kan.  

Natuurlijk ligt het niet aan ‘filiaalhouder’ Joost de Wit dat Vitesse tegenvalt, maar aan Karel Aalbers. Althans: omdat ik met Karel – een charismatische visionair die zaken van de grond kreeg – ben opgegroeid, blijf ik mijn leven lang te hoge verwachtingen koesteren. Want dat Vitesse vijfde staat is eigenlijk gewoon goed, in de wetenschap dat Arnhem qua inwoneraantal slechts de veertiende stad van Nederland is.

Afgelopen herfst bezocht ik de voormalig Vitesse-voorzitter in zijn prachtige witte villa in het Gelderse Eerbeek. Ik hoopte dat ik hem kon overhalen om mee te werken aan een boek. Al voor onze ontmoeting waarschuwde Karel dat als een boek mijn insteek was, ik beter thuis in Arnhem kon blijven. “Je bent – als zijnde Vitesse-supporter – van harte welkom om een kopje koffie te drinken, maar aan een boek werk ik niet mee. Tijdens dat kopje koffie leg ik je wel uit waarom niet”, aldus Aalbers.

Onder het motto ‘je kunt nooit weten’ ging ik natuurlijk toch. Bovendien vond ik het een voorrecht om met Karel, voor mij een held die een standbeeld verdient, te mogen praten. Hoewel, praten. Karel vertelde en ik luisterde hoe hij terugblikte op zijn Vitesse-tijd. Over de inhoud van het gesprek kan ik slechts loslaten dat het zonde is dat Karel – hoewel hij de deur op een kiertje houdt – zijn prachtige verhalen niet wil publiceren. Het is een understatement dat zo’n boek geen verspilling van bomen zou zijn.

Aalbers is nog steeds een fenomeen. Een geboren leider, die over iedere vierkante meter van de club een plan had om er meer uit te halen, die zelfs de doorgaans lamlendige en afstandelijke Arnhemmers wist te enthousiasmeren. Commercieel gezien is de club geen schim meer van wat het in de gloriedagen was.  

Wat ik een interessante, zijdelingse doch rake observatie vond van Karel: vroeger waren voorzitters het gezicht van een club. Kartrekkers als Riemer van der Velde (SC Heerenveen), Michael van Praag (Ajax), Hans van Delft (NEC), Harry van Raaij (PSV), Jorien van der Herik (Feyenoord) en natuurlijk Karel zelf. Het waren sportmannen, die van het voorzitterschap een roeping maakten, die zich compleet vereenzelvigden met hun club. Later kregen Joop Munsterman (Twente) en Dirk Scheringa (AZ) het voor elkaar om te doen wat Aalbers niet lukte: kampioen worden met een provincieclub. Meest recente flamboyante en recent gestopte voorzitter: Jan Smit van Heracles. Frans van Seumeren (Utrecht) blijkt geen voorzitter.   

Ik heb het moeten opzoeken: ene Leen Meijaard en Jan Albers staan aan het roer bij respectievelijk Ajax en PSV, bij Feyenoord is het onduidelijk wie op dit moment de baas is, om over de subtoppers nog maar te zwijgen (oligarch Valeri Ojf bij Vitesse). Mannen die, vermoedelijk bewust, in de schaduw opereren en geen talking heads zijn. Het is al een tijdje een trend: de onzichtbare voorzitter. Emotioneel betrokken, naar het dictatorschap neigende leiders, die alles voor de club gaven (Karel noemde Vitesse altijd zijn familie, supporters zagen in hem een godfather-figuur) en ook ver kwamen, bestaan niet meer. Misschien toeval, maar de subtop staat zonder hemelbestormers als Scheringa, Aalbers, Munsterman en Van der Velde dichterbij de middenmoot dan bij de top drie.

Of er causaal verband bestaat tussen het verdwijnen van de ‘voorgrondvoorzitter’ en de neergang van subtoppers? Geen idee. Voor het antwoord moet je bij iemand als Karel Aalbers of Riemer van de Velde zijn.

Foto header: Pro Shots/Stanley Gontha