Een heerlijk grauwe trip langs gokhallen, de geur van oud frituurvet en een spoedcursus in de wondere wereld van de Wetherspoon’s, de ultieme Britse budget-pub. Op bezoek bij een stadion dat van pure vergane glorie aan elkaar hangt: welkom bij cultclub Southend United!
Vraag een willekeurige groundhopper naar de mooiste voetbaltrip op het Britse eiland en de kans is groot dat hij een reisje naar Blackpool noemt. Waarom? Simpel: het is een rauwe badplaats waar de remmen totaal losgaan. Een plek die aanvoelt als één grote vrijbrief voor drank, herrie en ordinair gedrag. Een chaotische kermis vol vrijgezellenfeesten en neonlicht. En, oh ja, er is ook nog een voetbalclub.
Southend-on-Sea
Wat veel mensen niet weten, is dat Blackpool een evenknie heeft: Southend-on-Sea. Al voelt Southend meer als het nettere neefje in een tokkiefamilie. Nog altijd in trainingspak, maar wel met gepoetste schoentjes. Alles wat Blackpool heeft, heeft Southend ook. Alleen een tandje minder ordinair. Maar op één punt wint de stad het met afstand van Blackpool: de voetbalclub. Die steekt er qua ziel en karakter met kop en schouders bovenuit.

Southend-on-Sea dus. Al kun je die toevoeging ‘on-Sea’ hier en daar best ter discussie stellen. De stad ligt ingeklemd tussen de Noordzee, het Kanaal en aan de monding van de Thames, waardoor het water vermoedelijk meer diesel bevat dan zout. Maar als de wind goed staat, ruik je tussen de fish and chips en het oude frituurvet door af en toe iets wat op zeelucht lijkt. Dus vooruit, we rekenen het goed.
Shrimper Zone
In de week voorafgaand aan vertrek had ik op ShrimperZone, het online supportershome van Southend, een bericht geplaatst. Ik liet weten dat ik vanuit Nederland zou overkomen voor de wedstrijd tegen koploper Chesterfield, met de vraag waar ik het beste kon parkeren en welke pubs ik moest bezoeken om de juiste sfeer mee te pakken. Binnen de kortste keren stroomden de reacties binnen. Parkeertips, pubtips en een onverwacht warm welkom. Er werd geadviseerd om te parkeren langs Prittlewell Chase, op zo’n tien minuten lopen van Roots Hall.
Ergens tussendoor kwam ook een uitnodiging: “Come to the Railway Tavern, we’ll have a pint together.” Die uitnodiging heb ik uiteindelijk overgeslagen, met een gegronde reden. Ik word die nacht in mijn Nederlandse bed wakker met een beginnende verkoudheid, die onderweg naar Engeland besluit niet langer als ‘beginnend’ door het leven te gaan.
Griepvirus
Eenmaal aangekomen in de haven van Calais voor de overtocht naar Dover, zegt mijn verstand dat ik beter kan omdraaien om de rest van het weekend met een glas muntthee onder de wol te kruipen. Mijn voetbalhart denkt daar heel anders over en heeft allang besloten om de oversteek te wagen en die arme Engelsen te gaan aansteken met een Nederlandse versie van het griepvirus.

En dus volg ik braaf het online advies van de Shrimpers op. Rond 11.00 uur parkeer ik mijn auto langs Prittlewell Chase. Omdat het nog zo vroeg is, besluit ik eerst maar eens een verkenningsrondje naar het stadion te lopen.
Floodlights door de grijze lucht
Het oude beestje ligt in een buurt waar het leven eruitziet alsof het al een tijdje geen zin meer heeft. Veel dichtgetimmerde ramen, een leeg winkelpand hier, een half ingestorte schutting daar. Alles geeft me het gevoel dat ik onderweg ben naar een voetbalclub die jarenlang is leeggezogen door een eigenaar, die waarschijnlijk zelfs zijn eigen moeder nog zou verpatsen voor een snelle winst.
Wanneer ik de hoek om loop, word ik echter meteen gegrepen door pure nostalgie. Vier klassieke floodlights prikken trots door de grijze lucht van Essex.
Roots Hall
Roots Hall. Het klinkt als een kringloopwinkel, en eerlijk gezegd voelt het stadion ook aardig tweedehands en uitgeleefd aan. Vooralsnog moet ik het doen met een blik vanaf de buitenkant, want de hekken zijn nog potdicht. Maar wat ik zie, is exact waarvoor ik ben gekomen. Afgebladderde verf, roestvlekken en een dikke laag mos op het tribunedak. Zelfs de clubshop is onderdeel van dit decor. Als je naar binnenstapt, waan je je direct weer in 1992. Heerlijk!

Na een kort rondje troosteloosheid pak ik de trein, één halte verder naar het centrum. Southend High Street toont het vertrouwde, typisch Engelse gezicht van klassieke winkelketens, banken en een groot overdekt winkelcentrum. Je hebt hier eigenlijk helemaal niet door dat je in Southend loopt. Het had ook zomaar het centrum van Sheffield of Reading kunnen zijn.
Recreatiepier
Pas helemaal aan het uiteinde verandert het decor. Daar kun je via een lift of trap naar beneden richting de promenade, waar je in de wereld van gokhallen, arcades en amusement stapt. Je vindt er ook zo’n heerlijk aftands pretpark en de beroemde, dik twee kilometer lange recreatiepier, waar zelfs een treintje overzee rijdt.
Kleverige menukaarten en Iers medicijn
Maar voor dat amusement ben ik hier vandaag niet gekomen. Ik laat de trappen naar de gokkasten voor wat ze zijn, want ik ben op zoek naar de Britse cultuur in zijn meest puur versneden vorm. Vlak voor het punt waar de High Street ophoudt en de afdaling naar de promenade begint, sla ik rechtsaf.
En dáár doemt hij op: de Wetherspoon’s! Mijn veilige haven in iedere Britse stad. Nergens waar je zo mooi mensen kunt kijken als in de Spoons. Hier komen de plaatselijke alcoholisten, hangouderen, studenten, vriendengroepen en een bonte wirwar van types samen in een soort permanent sociaal experiment. Chaos verzekerd en uiterst vriendelijk voor de portemonnee.
Reusachtige pub
Het is fascinerend hoe deze keten te werk gaat. Vaak zijn het enorme panden die ooit een heel andere functie hadden: een statige bank, een oude bioscoop, een pakhuis of soms zelfs een opera. Alles wat leegstaat en vergane glorie ademt, wordt opgekocht en omgetoverd tot één reusachtige pub. Maar hoe groot de metamorfose ook is, die historie van het pand blijft altijd prachtig verwerkt in het interieur.

Het concept? Dat is even simpel als geniaal: goedkoop eten en drinken, waarschijnlijk mogelijk gemaakt door een bulkinkoop waar je u tegen zegt. Tientallen tapkranen die nooit droogstaan, vergezeld door de iconische, altijd ietwat plakkende menukaarten. En vergeet vooral de tafels niet. Die kleven óók altijd. Zelfs wanneer ze recht voor je neus een zogenaamde opfrisbeurt krijgen van het personeel. Je weet wel, met exact hetzelfde, doordrenkte vaatdoekje waarmee acht uur daarvoor de allereerste tafel van de dag al werd ‘schoongemaakt’. Het hoort er allemaal bij.
All day brunch
Het is inmiddels begin van de middag. Een gevaarlijk tijdstip, want de Spoons zit ramvol. Omdat ik alleen ben, weet ik ergens in een hoekje nog net een minuscuul tafeltje met één stoel te claimen. Tijd voor een bodem.
Ik bestel een All day brunch, wat in feite een traditioneel Engels ontbijt is. Maar omdat het hier na 12.00 uur geen ontbijt meer mag heten, pleuren ze er gewoon een schep friet bij op. Probleem opgelost.
Guinness
En de vloeibare ondersteuning? Verkoudheid of niet: ik ben niet aan deze kant van het Kanaal geweest als ik geen Guinness heb gedronken. Weliswaar een Iers medicijn, maar het werkt uitstekend op Britse bodem.
Vanaf mijn tafeltje observeer ik de pub, die inmiddels blauw-wit kleurt van de Shrimpers, met hier en daar plukjes uitsupporters van Chesterfield ertussen. Hoe vaak ik dit ook meemaak, ik blijf het geweldig vinden dat dit hier gewoon kan: thuis- en uitsupporters vreedzaam door elkaar aan de bar. Het zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn. In Nederland vinden we het echter al een hele prestatie als een uitsupporter zonder politiebegeleiding heelhuids het stadion bereikt. Een hardnekkig mentaliteitsprobleempje, zullen we het maar noemen.

Troosteloze stilte
Lange tijd om te tafelen heb ik niet. Na de laatste slok Guinness loop ik terug naar het station voor die ene halte terug. Weg uit de High Street, op naar waar het vandaag écht om draait.
Als ik even later de wijk rondom het stadion inloop, is de troosteloze stilte van 11,00 uur compleet verdwenen. De buurt bruist. Overal lopen groepen supporters, de geur van hamburgers en uien hangt zwaar in de lucht en rondom de smalle toegangspoorten van Roots Hall verdringen de mensen zich om naar binnen te mogen. Het is tijd om deze heerlijke tweedehands bak eindelijk eens van de binnenkant te gaan bekijken.
Passen en meten bij de turnstiles
Als Engelandvaarder met een ongezonde afwijking voor klassieke, Britse roestbakken kan ik mijn geluk vandaag niet op. Mijn telefoon maakt overuren. De ene na de andere foto verdwijnt in mijn album. Roots Hall stelt in geen enkel opzicht teleur.
De toegang tot dit walhalla verloopt via de traditionele turnstiles. Deze zijn zo bizar smal dat je jezelf oprecht afvraagt hoe het bekende, robuuste postuur van de gemiddelde Engelse voetbalsupporter zich hier in vredesnaam doorheen kan persen. Ik sta het van een afstandje glimlachend te aanschouwen, terwijl mijn hoofd op de een of andere manier het deuntje van de Game Boy-klassieker Tetris begint af te spelen.
Clubliefde
Eenmaal door het ijzerwerk heen kom je niet direct op een tribune, maar op een soort talud. Het is een open ruimte achter de tribunes, waar de supporters nog snel even een peuk roken, de laatste roddels doornemen en uiteraard de nodige pints wegtikken.

Ik scoor een bak slappe koffie en zoek een rustig muurtje op om te zien of de gemaakte foto’s een beetje gelukt zijn. Lang blijft het niet stil. In Engeland ben je als buitenstaander nooit lang alleen, en binnen no-time staat er een gastje van een jaar of zestien naast me. Hij woont een kilometer of dertig verderop, vertelt hij trots, en bezit een seizoenkaart.
Familie
Waarom? “Family, mate.” De clubliefde is hem met de paplepel ingegoten; zijn hele familie is blauw-wit. Als ik vertel dat ik helemaal uit Nederland ben overgekomen om zijn club te zien, twinkelen zijn ogen. Maar als de wedstrijd van vanmiddag ter sprake komt, slaat het tieneroptimisme direct om in Brits realisme. Wat hij van de pot tegen Chesterfield verwacht? “A defeat, definitely.”
Heel gek is die gedachte niet. Chesterfield staat zwaar bovenaan in de National League en kan in deze vroege novembermaand de promotie naar League Two al bijna ruiken. Maar ach, ze liggen er hier in Southend niet wakker van. Sterker nog: ze zijn allang blij dat de club überhaupt nog bestaat. Een half jaar geleden dachten de Shrimpers serieus dat ze hun allerlaatste thuiswedstrijd hadden bezocht. De club was vakkundig naar de afgrond geleid door een louche eigenaar, totdat op het allerlaatste moment een overname redding bracht. Verliezen van de koploper? Een peulenschil vergeleken met het bijna-faillissement van een paar maanden terug.
Soepele nekspieren
Wanneer ik na het gesprek met de jonge Shrimper eindelijk de tribune op loop, wordt meteen duidelijk dat de opmerking restricted view op het ticket hier geen loze belofte is. Er staat een dubbele rij palen die het dak ondersteunt. De Shrimpers op deze tribune moeten na al die jaren van acrobatisch turen langs die stalen kolossen wel over buitengewoon soepele nekspieren beschikken. Maar wie luxe wil, gaat maar naar Arsenal. Hier zit je tenminste nog bovenop de actie onder een schitterend oud, golfplaten dak.
The Last Post
Voordat de wedstrijd begint, is het eerst tijd voor een indrukwekkend brok in de keel. Omdat de wedstrijd rondom Remembrance Day plaatsvindt, betreden militairen en veteranen het veld om kransen te leggen, begeleid door een drumband. Na een minuut stilte en The Last Post die wordt getrompetterd, is het kippenvelmoment compleet. Meer dan achtduizend man valt collectief stil. Een record crowd voor Southend dit seizoen, wat samen met een ramvol uitvak van Chesterfield voor een sfeer zorgt die eigenlijk helemaal niks meer met de National League te maken heeft.
Dit is qua grootte en atmosfeer gewoon een League One-clash, en er staan zowaar camera’s omdat de pot live op televisie wordt uitgezonden.
De wedstrijd
Chesterfield komt in de eerste helft op 0-1 door een doelpunt van de Noord-Ier Will Grigg. Jawel, die van Will Grigg’s on fire! Voor de weinige mensen die het destijds hebben gemist: dit was dé cult hit van het EK in 2016 toen de Noord-Ierse supporters het zongen, ondanks dat de beste man dat hele toernooi geen minuut heeft gespeeld.

Maar in de tweede helft recht Southend de rug. Met twee doelpunten binnen een paar minuten na elkaar wordt het oude stadion compleet in vuur en vlam gezet. De sfeer was de hele wedstrijd al ontzettend goed, maar na de 2-1 winst rolt er een enorme golf van gejuich van de tribune. Roots Hall leeft.
Een rossige groet langs Prittlewell Chase
Na het laatste fluitsignaal loop ik in tien minuten terug naar mijn auto. De adrenaline zakt weg en die verkoudheid haalt me nu ineens keihard in. Het enige waar ik naar verlang, is mijn hotelkamer voor een welverdiend dutje.
Ik stap in en wil net de sleutel in het contact omdraaien als er plotseling hard op mijn zijraam wordt getikt. Ik kijk op en zie een rossige man van pakweg halverwege de vijftig naast de auto staan. Meteen schiet er van alles door mijn hoofd. Is er iets met de auto? Sta ik hier toch fout geparkeerd? Met de gedachte van ‘laat het slechte nieuws maar komen’ laat ik het raampje zakken. De man kijkt me aan en zegt uiterst vriendelijk: “Are you the Dutchman I saw on Shrimperzone?”
Geweldige tijd
Ik moet direct lachen. “Yes, that has to be me.” Hij vraagt enthousiast hoe ik de middag heb ervaren en ik vertel hem uiteraard dat ik een geweldige tijd heb gehad in hun stadion. Een brede glimlach verschijnt op zijn gezicht. Hij zet een stap achteruit, groet me en sluit af met de legendarische woorden: “Come again.” “I will”, antwoord ik.
Met die mooie herinnering op zak rijd ik naar mijn hotel. Na een broodnodige oplaadbeurt onder de wol, besluit ik me een paar uur later toch nog even in het Southendse nachtleven te storten. Na een stevige hap in dezelfde Wetherspoon’s, die hier de toepasselijke naam ‘The Last Post’ draagt, val ik van de ene verbazing in de andere.
Verbazing
Het stadscentrum is inmiddels veranderd in een bijna collectieve polonaise van waggelende Britten. Hoewel je álle leeftijdscategorieën mensen ziet zwalken op weg naar de bus of taxi, springen de lokale dames op leeftijd er toch wel echt uit. Ze lopen er in exact dezelfde gewaagde outfit bij als meiden van twintig, dapper op weg naar de onvermijdelijke kater. Prachtig.
Terwijl ik die avond met een laatste glimlach mijn bed opzoek, dwalen mijn gedachten toch weer even terug naar Roots Hall, de wedstrijd en die spontane groet langs Prittlewell Chase.
“Come again”, zei hij. En ik weet het inmiddels zeker: I definately will!