Recensie: De Rebellen van de Bunnikside

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: De rebellen van de Bunnikside is niet voor tere zieltjes. Als je zelf geen lid van een harde kern bent (geweest), geen interesse hebt in verhalen over geweld of op een andere manier geïntrigeerd bent door het schimmige wereldje der hooligans – wat zich tegenwoordig ver buiten de voetbalstadions afspeelt – kun je dit boek beter terzijde schuiven en ook meteen ophouden met het lezen van deze recensie.

Want De rebellen van de Bunnikside is net als vele andere hooliganboeken dan ook een aaneenschakeling van vecht- en slooppartijen en roof- en plundertochten. Over het voetbal zelf gaat het – uiteraard – nauwelijks en bekende clichés als “vechten voor de eer van de stad”, “onvoorwaardelijke clubliefde” en dat men af en toe moest rennen, maar dat men meestal bleef staan en vaak met een minderheid als winnaar uit de strijd kwam, worden natuurlijk ook gevinckt.

Eerste hooligangroep

De Utrechters waren/zijn “gevreesd in binnen- en buitenland” en – erg belangrijk om te vermelden – FC Utrecht was de allereerste club in Nederland met een “georganiseerde en beruchte hooligangroep” (wat in het boek ongeveer 327 keer wordt herhaald). Het is de bekende bravoure die min of meer hoort bij boeken als deze. En dat alles is rauw – en zonder waardeoordeel – opgetekend door schrijvers Remco Kraak, Mike Vermeulen en Danny van der Linden (foto onder van links naar rechts).

Je kunt erover discussiëren of de samenstellers met dit boek geweld verheerlijken. Maar hun doel was vooral om de verhalen van en over de Bunnikside voor het nageslacht vast te leggen, ook de minder fraaie episodes van een halve eeuw met de fanatieke Utrechtse aanhang.

De Rebellen van de Bunnikside

Compleet beeld

Wat het boek aardig maakt, is dat het trio auteurs een compleet beeld heeft geschetst van de opkomst van de harde kern van FC Utrecht in de jaren zeventig tot de Bunnikside anno 2019. Alle generaties hooligans komen in de vijf hoofdstukken (de jaren ’70, ’80, ’90, ’00 en ’10-heden) ruimschoots aan bod. Met alle kopstukken van de Utrechtse groep, die geen enkel blad voor de mond nemen, is uitgebreid gesproken. Op sommige moment is het boek een beetje té uitgebreid, want bepaalde anekdotes hadden best wat korter gemogen. Het boek is goed gedocumenteerd met talloze fragmenten uit krantenarchieven, waaruit ruimschoots wordt geciteerd, en zo’n honderdvijftig foto’s (helaas wel allemaal in zwart-wit).

F-Sider

De schrijvers hebben ook met mensen buiten de harde kern van FC Utrecht gesproken, waaronder opvallend genoeg met hooligans van andere clubs. Zoals met F-Sider Ronald Pieloor, die onder meer vertelt over zijn opmerkelijke ‘vriendschap’ met Bunniksider Ben. “Samen met Bennie kwam ik terug met de nachtboot uit Engeland, waar we naar Ipswich Town – Manchester United waren geweest. We gingen van boord in Hoek van Holland. Ben ging vervolgens meteen door naar Utrecht, ik naar Amsterdam. En een paar uur later stonden we tegenover elkaar in de Galgenwaard.”

Ook met hun geestverwanten uit Den Haag is er een haat-liefdeverhouding, vooral rond wedstrijden van het Nederlands Elftal, wat ook een paar keer terugkomt in het boek.

Fietskettingen

Als lezer krijg je door het boek een goed beeld van het hooliganisme in Nederland. Hoe het allemaal begon in de geromantiseerde jaren zeventig/begin jaren tachtig, toen alles – maar dan ook werkelijk àlles – nog kon. Zo gingen er regelmatig junks van winkelcentrum Hoog Catherijne mee naar wedstrijden in andere steden om maar een ‘zo gék mogelijke groep’ te hebben om de eer van de stad te verdedigen. Ook was het bon ton om naar een uitwedstrijd ‘gereedschap’ als ploertendoders, stanleymessen, vleeshaken en vooral fietskettingen – lekker praktisch (“Die kon gemakkelijker in je borstzakje”) – mee te nemen. Zoals Ben in het boek vertelt: “Ik zeg altijd tegen mijn kinderen: als jullie nu doen wat ik allemaal gedaan heb, krijg je TBS.”

Maar ook de huidige generatie hooligans komt aan bod. Zij rollebollen met elkaar in een bos of weiland, omdat het in de stadions niet meer mogelijk is vanwege de vele camera’s en andere maatregelen. Of bekwamen zich in het uit het buitenland overgewaaide ultragebeuren, waarbij allerlei ingewikkelde regeltjes en codes gelden.

Overleden

Ook lezenswaardig, ter afwisseling van de passages over vechtpartijtjes in de provincie: de portretten van overleden hooligans, zoals ‘Bolle Bertus’ Zeilmaker, die op een gegeven moment driehonderd (!) kilo weegt en zijn huis niet meer uitkomt. Zijn maten van de Bunnikside slepen hem in een busje en rijden hem naar de Galgenwaard, zodat Bertus nog eenmaal een wedstrijd van zíjn FC bij kan wonen.

Of het tragische verhaal van Maarten Kroon, aan de ene kant een stille, zachtaardige jongen, die een ander gezicht van een keiharde hooligan heeft. Maarten heeft niks met voetbal, maar komt puur voor het knokken en is altijd op zoek naar actie (“Maarten was Rupsjenooitgenoeg”). Kroon groeit uit tot het boegbeeld van de Bunnikside en speelt een verbindende rol binnen de harde kern van FC Utrecht. Helaas besluit Maarten op jonge leeftijd zelf uit het leven te stappen.

De Pulitzerprijs zullen de schrijvers niet winnen met De Rebellen van de Bunnikside, maar voor de liefhebber van dit genre is het zeker een aardige aanvulling voor de hooliganboekenverzameling.

terug naar overzicht

Lees verder...