Staantribune-volger Christian Swinkels was een paar jaar geleden al een keer met zijn voetbalmaten in Hongarije, waar hij de derby tussen Ferencváros en Újpest bezocht. “De wedstrijd was zó slecht dat ik spijt had dat ik mijn lenzen had ingedaan. Maar als ik aan Hongarije denk, denk ik vooral aan één speler: József Kiprich.”
De ultieme Cultheld der Culthelden. In ieder geval van Feyenoord, al zijn er in de Eredivisie niet veel spelers geweest van zijn kaliber. Zijn matje, vlassnorretje en postuur, inclusief buikje. József zou ook bij, pakweg, een slagerij kunnen werken. Maar hij speelde in de jaren negentig in de spits bij Feyenoord en niet onverdienstelijk.
Kiprich woont op een goed uur met de trein – of iets dat er op lijkt – vanaf Boedapest in Tatabánya. En omdat we toch in de buurt waren, leek ons de gok wel waard. Ik wist ongeveer waar hij woonde nadat ik een documentaire op YouTube had gezien, waarin zijn straat en huis te zien waren, en ging op Google Maps op zoek naar dat soort huizen in Tatabánya. ’t Duurde even, maar uiteindelijk had ik een match van het huis van de Tovenaar van Tatabánya.
De Tovenaar van Tatabánya
Uiteindelijk ben ik tijdens die trip tweemaal naar zijn huis gegaan. Een keer met z’n drieën en eenmaal alleen, maar beide keren was József niet thuis. Bij de tweede poging regende het enorm. Een zonnig Tatabánya is al twijfelachtig qua schoonheid, maar een grauw Tatabánya is een droevig tafereel. Een illusie armer ging ik terug naar Nederland.
Nog een poging
We schakelen door naar mei 2026. Ik kan het idee niet loslaten. ‘Niet thuis’ is wel de lulligste uitleg als je de reis hebt gemaakt en voor de deur van een jeugdheld staat. Ik besluit om het er niet bij te laten zitten en boek het enige hostel op loopafstand van Józsefs straat, voor welgeteld één nacht. De vliegtijden zijn erg ongelukkig: ik land op dinsdagavond 19.30 uur en vertrek weer op donderdagochtend om 09.00 uur.
Aangekomen op Boedapest Airport pak ik een taxi naar Tatabánya. De rit duurt ruim een uur. Adam, de taxichauffeur van een jaar of 25, vraagt wat ik kom doen. “Ik probeer op bezoek te gaan bij József Kiprich”, antwoord ik aarzelend. Ik denk niet dat hij deze zin vaker heeft gehoord. Adam zegt dat hij de voormalig Feyenoorder kent, maar het lijkt mij een sociaal wenselijk antwoord, hopend op een fooi.
In de goede wijk
Als we de wijk in rijden waar József woont, herken ik een winkeltje. Ik vraag Adam hoe het hier zit met de veiligheid, ’s avonds en ’s nachts. De taxichauffeur zegt dat het een goede wijk is in vergelijking met zijn eigen wijk. Dat zegt nog weinig over de veiligheid van deze wijk, maar goed. De bovengrondse houten stroompalen met een grote kluwen aan draden doen vermoeden dat het elektriciteitsnetwerk hier niet altijd stabiel is. Er staan vrij grote huizen, vaak met mooie auto’s op de stoep. Misschien heeft Adam toch gelijk.
De volgende ochtend loop ik richting het huis van József. Met wat twijfel, merk ik. Wat moeten hij en zijn familieleden wel niet denken. Misschien wel: staat er (weer) iemand uit Nederland voor de deur. Laat me met rust!
Ik herinner me een interview waarin de Hongaar zegt dat hij het altijd waardeert als Feyenoord-supporters hem komen opzoeken. Die gedachte hou ik vast. Bovendien: op dit moment weer omkeren is minstens vreemd, zo niet vreemder, dan nu toch maar aanbellen.
Een slapende Kiprich
Ik zie het huis en de oprit. “Mooi, auto’s”, zeg ik hardop tegen mezelf, “dan is de kans groot dat-ie er is.” Ik zie honden bij de deur liggen en bel aan bij de intercom. Ik hoor een krakend ‘hello‘-achtig woord. Ik besluit in het Engels van start te gaan. “Hello, is József at home?” vraag ik wat schuchter. “Moment”, klinkt het uit de wat versleten speaker.
De voordeur gaat van het slot. Zou József zometeen echt in de deuropening staan, mij verwelkomen, omarmen en een halve liter Soproni aanbieden? Helaas, het is een jonge vrouw die opendoet. “Hello“, begin ik opnieuw, “I’m looking for József Kiprich?” Ik merk dat ik mijn zin als een vraag laat eindigen, uit twijfel hoe de vrouw erop gaat reageren. “József is sleeping… moment…” De vrouw loopt terug naar binnen. Ze zal hem toch niet wakker gaan maken?
Drie uur in Tatabanya
Aan de andere kant: van niet thuis naar ‘hij slaapt’… we komen een stapje dichterbij. Binnen een minuut is de vrouw weer terug. “This afternoon”, zegt ze. We spreken om 14.00 uur af. Met wat vriendelijke woorden bedank ik haar very much.
Het is pas 11.00 uur. Teruggaan naar Boedapest is geen optie. Dan moet ik mezelf maar drie uur vermaken in Tatabánya. Het is weliswaar geen New York, maar ik besluit me te laten verrassen. Ik twijfel wel of het vanmiddag wel goed komt. Ik geloof niet dat József zijn agenda aanpast omdat er een verdwaalde Nederlander om 14.00 uur op de stoep staat. Maar goed, ik kan niet anders dan het vanmiddag opnieuw proberen. Ik loop naar het kleine winkeltje, waar ze alles hebben uitgestald wat een mens nodig kan hebben aan dagelijkse boodschappen.
Kapotte ruiten
In dit soort zaakjes is in ieder geval altijd gekoeld bier. Ik koop twee blikken en maak een korte wandeling door het nabijgelegen park. Drie uur duren dan toch vrij lang. Het is gelukkig goed weer, waardoor het allemaal een tikje vrolijker oogt dan tijdens mijn eerdere bezoekjes. Ik loop langs het treinstation van Tatabánya. Een groot, roestig gebouw waar meer ramen uitliggen dan erin hangen. Ik vermoed dat er qua isolatiemogelijkheden nog winst valt te behalen.

Om 13.00 uur besluit ik om dicht in de buurt van de woning te gaan posten. Er staan nog steeds dezelfde auto’s. Als het goed is, is mijn target nog altijd binnen in de woning. Aan het eind van de straat is een voetbalveldje, waar wat eenvoudige stoelen staan. Ik besluit een stoel wat te draaien en met een nieuw biertje gewoon te wachten tot de tijd verstrijkt en het huis te observeren.
Casa Kiprich
14.00 uur. This is it. Ik loop richting casa Kiprich en druk weer op de intercom. Wederom een krakende reactie. “Hello, I’m coming for József”, zeg ik nu iets zelfverzekerder. Ik heb immers een afspraak, hou ik mezelf voor. “Ja”, hoor ik. De deur gaat langzaam open. Het is dit keer niet de jonge, maar een oudere dame. József zal ongetwijfeld veranderd zijn, maar niet in een vrouw van rond de zestig.
“Hello, I’m coming for József. I’m from The Netherlands.”
“Praat maar Nederlands, hoor”, zegt de vrouw hartelijk.
“Ik zou graag een handtekending van József willen.”
“Wil je een handtekening, foto of een praatje maken…?”
Nou, als mij dit keuzemenu wordt voorgelegd, ga ik voor C. “Als een praatje kan…” en ik maak mijn zin niet af.
“Ja, natuurlijk, kom maar binnen.”
Eh, kom maar binnen? Wat zullen we nu krijgen?
Een praatje maken
De vrouw opent het hek en zegt dat ik haar mag volgen. Als ik over de drempel stap, realiseer ik dat ik in het huis van József Kiprich loop. Al zou ik nu worden beschoten of staat-ie onder de douche, of een andere reden waardoor het weer misloopt, het is nu al een goed verhaal.
“Daar is hij”, zegt de vrouw, wijzend op een man in een rolstoel. Daar is hij inderdaad. József Kiprich. Dé József Kiprich. Tja, wat zeg je dan op zo’n moment? Ik besluit een veilig maar vriendelijk Hallo József” te gebruiken. “Hallo, hallo”, zegt József uitnodigend. Hij staat op en geeft mij een hand. Het voelt onwerkelijk. “Jij wil een foto?” vraagt de vrouw opgewekt, en ze reikt naar mijn telefoon, die ik al in de aanslag had. “Ja, graag.”
Foto’s
De vrouw maakt zonder problemen meerdere foto’s. Natuurlijk heb ik al vanaf vanmorgen een Feyenoord-shirtje uit 1993 in mijn jaszak zitten om te laten signeren door József. Op het moment dat ik denk dat deze dag nu al is geslaagd, hoor ik József zeggen: “Biertje?”
Hij knikt naar mij.
“Biertje? Eh, ja, dat sla ik niet af.”

József is inmiddels weer gaan zitten in zijn rolstoel. Ik zie hem zachtjes naar rechts hangen, waar een klein koelkastje staat, op hangafstand van de rolstoel. József haalt er twee halve liters uit en geeft er een aan mij.
Op een roze wolk
“Ga zitten”, nodigt József mij uit. Daar zit ik dan, op de bank bij József Kiprich. Ik kijk wat in het rond. De kamer oogt gedateerd, mede door de pastelgele verf overal op de muren. Er staan veel foto’s en memorabilia uit zijn Feyenoord-tijd. József leeft wat in het verleden, zo lijkt het. “Roken?” hoor ik naast me en ik zie een pakje sigaretten mijn kant op komen. Ik zou bijna ‘ja’ hebben gezegd, maar ik hou het bij een biertje.
József zegt niet veel. Er is darten op tv.

Ik ben wat overvallen door het feit dat ik hier nu zo zit. Ik vraag hem hoe het gaat en wie József nog spreekt uit zijn Feyenoord-tijd. “Larsson, Taument, Scholten, Heus”, lepelt hij vrij vlot op. József geeft aan dat het goed gaat, al zou ik hem qua gezondheid niet hoger dan een 6,5 geven. József is pas 62, zo blijkt uit ons gesprek, terwijl ik een jaar of 75 in gedachten had. József oogt geleefd en is ook wat kilo’s kwijt. “Normaal loop ik meer”, zegt hij in redelijk Nederlands. “En kijken naar voetbal van kleinzoon.” Maar de val van de trap, enige jaren geleden, waarbij hij meerdere breuken opliep, heeft toch wat sporen nagelaten.
Koelkast met bier
De koelkast met bier verraadt dat hij misschien vaker in deze zittende positie doorbrengt dan het RIVM adviseert. Ik vraag of ik de oude foto’s mag bekijken en een vitrine waar een programmaboekje, foto’s en een József Kiprich-klok staan. “Ja, natoerlijk”, zegt József met iets van trots in zijn stem. Af en toe knikt hij als ik een vraag stel. Het voelt alsof ik hier vaker kom en even kom bijkletsen. De vrouw is na de fotosessie aan tafel gaan zitten en heeft niet op of om gekeken. Alsof het allemaal maar heel gewoon is wat zich hier afspeelt.

Ik vraag of er vaker mensen aanbellen. József knikt, trekkend aan zijn sigaret. “Leuk?” vraag ik. Hij knikt weer, terwijl hij rook uitblaast naar het plafond. Mijn bier is op, evenals mijn vragen. Ik vind het na twintig minuten ook wel weer mooi geweest. “Nou, dan ga ik weer.”
József knikt nog maar eens en staat op. Ik geef hem nog een goeie hand, wat toch wat broos aanvoelt. Ik bedank hem nadrukkelijk voor de foto, handtekening en het bier.
“Graag gedaan. Doei”, zegt hij met een kleine lach.
“Doei, tot ziens”, zeg ik.
Verder niks
De vrouw staat op en loopt voor mij uit tot we weer bij de poort zijn. “Wat ga je nu doen?” vraagt ze vriendelijk. Ik zeg dat ik naar terugga naar Boedapest en verder eigenlijk niks.
“Wat kwam je dan doen in Hongarije?”
“Ik kwam eigenlijk alleen voor een handtekening van József”, zeg ik met een blik die verklapt dat ik ook wel weet dat dat niet helemaal normaal is.
De vrouw grinnikt en schud haar hoofd. Ook zij krijgt een welgemeende handdruk, bedankt en tot ziens.
Glunderend en tevreden loop ik door de poort de straat op, met maar één gedachte: dit pakt niemand mij ooit nog af.