De jaren van René van der Gijp in Lokeren

Sporting Lokeren is vandaag failliet verklaard. Begin jaren tachtig wilde de club, die ontstond na een fusie tussen Standaard en Racing Lokeren, de laatste stap naar de Belgische top zetten. Onder meer met René van der Gijp in de gelederen, die in 1982 overkwam van Sparta. Gijps bedje lag gespreid, maar de voetsporen waarin hij moest treden, bleken een maat te groot. “Het was eigenlijk gewoon ‘nen toffe mens.”

Een van de beste ploegen die Sporting Lokeren ooit tussen de lijnen bracht, zo typeert Lokerenaar en toenmalig jeugdtrainer en scout Aimé Anthuenis de ploeg van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Met drie keer een vierde plaats, één keer een tweede en een finale in de beker van België schurkte Lokeren aan tegen de Belgische top. Europees stootte Lokeren in 1981 door tot de kwartfinales van de UEFA Cup, waarin het werd uitgeschakeld door AZ ’67. In 1983 haalde het de achtste finales.

De Deen Preben Elkjaer Larsen en de Polen Grzegorz Lato en Wlodzimierz Lubanski hadden een belangrijk aandeel in die successen. Zij vormden samen het aanvalstrio. Lato, in 1974 met zeven doelpunten topschutter van het WK en inmiddels een dertiger, was met de Poolse nationale ploeg – net als in 1974 – wel nog derde geworden op het WK 1982 in Spanje. De drie jaar oudere Lubanski was een van de meest succesvolle Poolse spitsen ooit, terwijl Preben Larsen, die uit de anonimiteit werd opgevist bij FC Köln, in Lokeren ontlook en zich in 1984 tot Deens Speler van het Jaar ontpopte.

Het waren spelers die de nadagen van hun carrière doormaakten of juist aan het begin ervan stonden, maar stuk voor stuk wereldtoppers die er in de Belgische competitie bovenuit staken. Ze vormden een voorlinie die driehonderd internationale wedstrijden in de weegschaal kon leggen. Lubanski was in 1972 door het Poolse ministerie van Sport een transfer naar Real Madrid geweigerd – zo ging dat in die tijd onder het communistische regime. Twee zware knie-operaties en de bijhorende revalidaties later kreeg hij alsnog de toestemming om naar het westen te vertrekken.

Topclubs waren niet meer geïnteresseerd, maar Sporting Lokeren deed er een uitstekende zaak mee. “Bij Lokeren had ik enkele Nederlandse ploegmaats”, zei Lubanski in een interview op 29 juni van dit jaar met Gazet van Antwerpen. “Ze vertelden vaak: ‘In Holland hebben wij gevoetbald met Johan Cruijff, maar in Lokeren met Wlodek Lubanski.’ Met zo’n opmerking kon ik jaren verder.”

Met de arm in het raam

Lokeren zag de Polen Lato en Lubanski in het begin van de jaren tachtig vertrekken, maar Larsen bleef. Hij zou samen met René van der Gijp, de jonge Arnor Gudjohnsen en de van West Ham United overgekomen François Van der Elst de nieuwe aanvalslinie vormen.

De geruchten waren René van der Gijp voorgegaan toen hij zich voor het eerst aanmeldde op de Daknamstraat 91: hij zou “een beetje speciaal” zijn, iemand met wie er bij zijn vorige club “wel eens problemen” waren opgedoken. Robert Waseige, de trainer van Lokeren en latere bondscoach van België, was door clubmanager Aloïs Derycker op de hoogte gebracht van Van der Gijps speel- en levensstijl. “Want ik kende hem niet”, bekent Waseige. “Dus ik zag in het begin alleen de mens en niet de voetballer, omdat je toch eerst in de gaten aan het houden bent hoe hij zich gedraagt. Je verwacht problemen en je stelt je daar wat op in.”

Fruitboer

Van der Gijp betrok een bungalow in de Baronsdreef in Heirbrug, een wijk vlakbij het stadion van Lokeren, waar Fiel Laureys (91), zestig jaar bestuurslid en clubman met hart en ziel, een fruithandel had. “De fruitboer” noemde Van der Gijp hem. “Hij kwam soms bij ons om eten en zijn ouders stonden elke week in Lokeren”, herinnert Laureys zich. “Ze waren verschrikkelijk beschermend. Dat is naderhand verminderd omdat ze zagen dat het hier goed was.” De neef van Willy Peeters, nu nog altijd ploegafgevaardigde, woonde ernaast. “René was een lieve man, maar hij had voortdurend iets nodig”, glimlacht Peeters, “en dan kwam hij bij mijn neef aan de deur kloppen.

‘Heb je soms dit? Kan je mij daaraan helpen? Kan jij dit doen, want daar ken ik niet veel van?’” Hij nam het leven niet te zwaar op. “Hij heeft hier twee of drie auto’s gehad, waaronder een rode sportwagen, en hij reed dan door Lokeren met de arm in het open raam”, lacht Peeters.

Niks kon hem meer schelen en wij als nuchtere Belgen keken daar naar op

Van der Gijps toenmalige vrouw Jacqueline flaneerde er door de straten met hun parmantig op zijn poten staande Duitse dog Zico. “Iedereen keek daar natuurlijk naar, een Nederlandse schone deerne met zo’n hond in dìe volkse wijk”, zegt Rik Van Cauter, destijds een van de jongere spelers in de kern van Lokeren.

René van der Gijp, de Dordtenaar, doelman Bob Hoogenboom, de Amsterdammer en de jonge aanvaller Angelo Nijskens, een Zeeuws-Vlaming: als een Nederlandse enclave binnen de club wil Nijskens het niet benoemd hebben, maar de Nederlanders konden het toch goed met elkaar vinden. “Het klikte wel tussen ons”, zegt Nijskens. “Ik was 21 of 22, dan zoek je na het voetbal als jonge gast graag wat vertier op.” En dan kon je bij Van der Gijp altijd wel terecht. “De eerste keer dat fans een foto van hem wilden maken, vroegen ze: ‘Meneer, mag ik u een keer trekken?’ Toen schrok hij wel even. Maar dat jargon heeft hij snel geleerd”, lacht Nijskens.

De lach was nooit ver weg met Van der Gijp in de buurt. “Iemand van de tv kwam eens een interview afnemen”, herinnert Rik Van Cauter zich, “en die had een band om z’n nek omdat hij wervelletsel had opgelopen bij een ongeval. Ze waren met hem aan het lachen. Of hij misschien in een zwembad gedoken was zonder water?” “Hij lachte de hele tijd”, grijnst Robert Waseige. “Hij gedroeg zich eigenlijk niet als een voetballer.”

Achttien doelpunten in tweeëneenhalf seizoenen en topschutter van de bekercompetitie met zeven doelpunten in het seizoen 1982-1983 – Lokeren ging er in de halve finales uit tegen SK Beveren: de cijfers die Van der Gijp bij Lokeren als aanvaller kon voorleggen, waren eerder mager te noemen. Een paar mooie doelpunten gemaakt, ja, maar een constant presterende topper die de ploeg droeg? Nee.

Verkwist talent

“Het was geen werker, maar hij kon spectaculaire goals maken”, zegt Van Cauter. “Een topper vond ik het toen niet. Hij was geen topschutter zoals Preben Larsen. Hij had een glijdende passeerbeweging en dan kwam er een schot, dat was zijn sterkte. Ik herinner mij nog hoe hij eens van ver op doel schoot en de bal de hele afstand tien centimeter boven de grond bleef. Een streep, zoals ze zeggen. Hij scoorde wel uit alle hoeken en kon zo soms het verschil maken, maar hij droeg de ploeg niet, daar was hij te losbandig voor.”

“Hij bleek toch een beetje een verkwist talent”, zegt Angelo Nijskens. “Die jongen kon echt, écht alles wat hij maar wilde. Het probleem was alleen dat hij het maar één of twee keer op de tien deed. Maar als hij het deed, was het weergaloos om naar te kijken.”

Van der Gijp doet wat-ie wil, daar op die rechtervleugel

De wedstrijd die iedereen zich dan voor de geest haalt om dat te staven, is er een tegen Standard Luik. “Van der Gijp doet wat-ie wil, daar op die rechtervleugel”, luidde het commentaar dat Alain Coninx op de BRT-televisie gaf. Van der Gijp maakte na achttien minuten de 0-1 en trapte daarna ook de 0-3 binnen. Maar wat het meeste beklijfde, was een schot vanop 35 meter dat geen doelpunt opleverde. “De bal kaatste van de deklat terug tot aan de middellijn”, zo herinnert Angelo Nijskens het zich. “Dat had ik nog nooit meegemaakt. Hij had een poeier in zijn voeten, dat was fenomenaal. Preud’homme (toen doelman van Standard) kreeg het gevoel dat hij in een schietkraam stond.”

Dat Van der Gijp of Van der Boem, zoals hij ook werd genoemd, op de rechterflank deed wat-ie wilde, had behalve talent ook nog een andere reden. “René was niet te coachen”, zegt Nijskens. “Hij deed gewoon zijn ding. Maar zat-ie goed in z’n vel, dan kon hij alles. En op andere dagen deed hij z’n goesting.” Hij was nogal nonchalant. “Niks kon hem iets schelen en wij als nuchtere Belgen keken daar naar op”, herinnert Van Cauter zich.

“Nu durven onze spelers hetzelfde als hij. Maar toen waren wij nog ‘de brave Belgskes’ die deden wat van ons gevraagd werd. Toen hij kwam, tja, dat was revolutie, hè. We hebben er wel van geleerd, van die mentaliteit. Hij permitteerde zich alles. Zo eiste hij alle vrije schoppen op. Hoewel er toen bij Lokeren toch wel wat gerenommeerde namen speelden op dat vlak, zoals Raymond Mommens en René Verheyen.” Beide spelers behoorden in die jaren tot de selectie van de Rode Duivels.

Massages

“Hij lag veel op de massagetafel tijdens de week”, herinnert Willy Peeters zich. “Twee keer trainen per dag, dat was te veel. Dat deed hij niet. En liever twee dagen niet dan wel. Hij sloeg geregeld over omdat hij altijd hier of daar net iets had gevoeld”, grijnst hij. “Ik had thuis een klein zwembad”, lacht Laureys. “Als er ’s morgens training was en het was warm, kwamen Larsen en af en toe Van der Gijp bij ons zwemmen.”

Zijn gedrag leidde ertoe dat Van der Gijp vaak in aanvaring kwam met zijn trainers. Nog het meest met Dimitri Davidovic. “Davidovic kon hem nooit vertrouwen tonen, dat zijn nooit de beste vrienden geweest. Wat René dàcht – het moest zelfs niet eens met de werkelijkheid overeenkomen – dat gooide hij eruit.” Robert Waseige, zijn voorganger, nam hun samenwerking filosofischer op dan de meer rigide Serviër. “René bleef in het begin alleen in zijn hoekje zitten en op het veld gedroeg hij zich ook heel individualistisch,” zegt Waseige. “Het was geen ‘emmerdeur’ (lastpost, red.), maar je voelde dat wat je hem vroeg niet was wat hij verwachtte. Het was een speciale, maar niet ‘méchant’ (boosaardig, red.).”

Geen haar meer

Na tweeëneenhalf seizoenen – net voor zijn driejarig contract afliep – vertrok René van der Gijp van Lokeren naar PSV. Daar zou hij de beste jaren uit zijn carrière beleven. Fiel Laureys regelde de transfer naar PSV, zegt hij. “Met een zekere Ploegsma, kan dat? PSV moet trouwens nog altijd een deel van de transfersom betalen. ‘Wij zijn PSV, wij betalen’, zei Ploegsma. Maar hij verliet de club en PSV heeft nooit meer betaald. Ondertussen is het verjaard, natuurlijk. Ik schat dat het om enkele honderdduizenden franken ging. Elk jaar kwam dat wel weer eens ter sprake en dan belden we hen. ‘We gaan dat regelen’, zeiden ze, maar er gebeurde niks.”

Sporting Lokeren was tijdens de passage van Van der Gijp afgegleden naar de Belgische middenmoot. Europees kwam het er niet meer aan te pas. Toen in 1984 een einde kwam aan het voorzitterschap van Etienne Rogiers raakte de ploeg zijn kansen op de landstitel kwijt. Toptalent Arnor Gujohnsen vertrok naar Anderlecht, Preben Larsen werd naar Hellas Verona getransfereerd en routinier François Van der Elst brak in een wedstrijd tegen RWDM na twintig minuten zijn been, wat het einde van zijn carrière betekende. De desintegratie van de ploeg die begin jaren tachtig naar de top had proberen te reiken, was een feit: tien jaar later speelde Sporting Lokeren in de Tweede Klasse.

René van der Gijp was toen net gestopt met voetballen bij Heerenveen. “We bezochten met Lokeren een keer PSV, herinner ik mij nog. Van der Gijp verzorgde daar de ontvangst en de rondleiding voor ons”, zegt Laureys. Maar het zou vooral door de uitzendingen van Voetbal Inside (nu Veronica Inside) zijn dat velen zich in Lokeren Van der Gijp nog eens voor de geest haalden. De herinneringen zijn eensluidend. Een guitige jongen en een sloeber, maar ook getalenteerd, zeer bemind en de lieveling van het publiek.

“Een tijdje geleden herkende ik ineens zijn stem in een televisiefragment”, zegt Rik Van Cauter. “Maar toen ik keek, herkende ik hem niet eens. Hij had geen haar! Ik vond hem op tv als analist soms nogal cru, hij leek er meer op uit om op te vallen. Bij ons in Lokeren was Van der Gijp zo niet. Hij was nogal assertief, dat wel, maar ik vond het eigenlijk ook gewoon ‘nen toffe mens’.”

Dit artikel van redacteur Raoul De Groote werd eerder gepubliceerd in Staantribune #9, te bestellen in onze webshop.

Word abonnee
terug naar overzicht

Lees verder...