Wie ’s avonds langs Weimarstraat 319 in Den Haag loopt, zal denken dat hier niets te beleven valt. Gordijnen dicht. Deur gesloten. Geen licht naar buiten. Alleen het verweerde Grolsch-bord verraadt dat hier iets zit. Toch duw ik de deur open. Mij is namelijk verteld dat Kafee de Klarist dé plek is om in Nederland de Hamburgse derby tussen FC St. Pauli en HSV te kijken.

Binnen sta ik oog in oog met een tiental mannen in bruine St. Pauli-shirts. Het is doodstil. Een voorzichtige ‘goedenavond’ volstaat; alle blikken keren terug naar het scherm. Daar wordt een doelpunt van de Nederlandse St. Pauli-spits Martijn Kaars uit een eerdere wedstrijd tegen Heidenheim bejubeld alsof het live valt. De aanwezig beoordelen elk doelpunt met een rapportcijfer, de mooiste goal wordt gekozen op basis van het hoogste gemiddelde cijfer. “Ja, dit is een negen!” roept een jongen met een Union Berlin-pet, terwijl hij het cijfer naast Kaars’ doelpunt noteert op zijn formuliertje.

Punkers, activisten en krakers

Kafee De Klarist hangt vol Totenkopf-vlaggen, doeken met het iconische witte doodshoofd van FC St. Pauli. Tussen die piratenvlaggen hangen ook vaandels van de Braunweiße Tulpen, de Nederlandse fanclub die onlangs haar 25-jarig bestaan vierde. De leden komen hier wekelijks samen. Het is de oudste nog bestaande buitenlandse fanclub van FC St. Pauli.

Braunweiße Tulpen

St. Pauli begon in 1902 als een gewone voetbalclub, maar kreeg in de jaren tachtig een radicale identiteit toen de Hamburgse krakerscene zich de club toe-eigende. Met hen kwamen politieke overtuigingen. St. Pauli werd de eerste club die racisme, discriminatie en fascisme expliciet verbood. De tribunes vullen zich sindsdien met een regenboog aan punkers, activisten en krakers.

Op de bierpullen staat het logo van Astra, het Hamburgse bier uit de wijk St. Pauli. Of het hier ook wordt geschonken? Kastelein Jochem Waleboer reageert droog: ‘‘Ik ga niet helemaal naar Hamburg fietsen voor kratjes Astra.’’ Hij zet twee glazen neer en gooit er een stapel Neue Tulpen bij, het fanclubmagazine waarin deze supporters, naast de laatste feitjes over St. Pauli, hun tripjes naar Duitsland documenteren.

Klaar met supportersgeweld

Naast me ploft de jongen met de Union Berlin-pet op een barkruk. Hij stelt zich voor als Bauke en woont om de hoek. ‘‘Ik mocht hier ooit een keer naar binnen van Jochem, als ik me zou gedragen. Sindsdien ben ik er elke wedstrijd.’’ Ooit zat hij bij de harde kern van Feyenoord. ‘‘Ik was klaar met het geweld. De linkse cultuur bij St. Pauli, maar ook bij Union, sprak me aan.’’ Terwijl hij praat, krabbelt hij zijn wedstrijdvoorspelling op een formuliertje. Wie goed gokt, krijgt een drankje van de zaak.

Braunweiße Tulpen

Door het café loopt een Duitse herder met een St. Pauli-vlaggetje om zijn nek. Hij heeft een eigen kleedje, pal onder het scherm. Aan de tafel het dichtst bij het scherm zitten Peter van der Spek en Kees Koster, twee van de oprichters van de BWT. Van der Spek had jarenlang een seizoenskaart bij Feyenoord, Koster bij Ajax. Overdag stonden ze voor de klas op de Daltonschool in Voorburg; in de pauzes ging het over grammatica, Latijn en vooral over voetbal. En over hoe het langzaam ontspoorde.

Het toenemende supportersgeweld in Nederland, met de Slag bij Beverwijk in 1997 als dieptepunt, deed hen besluiten hun seizoenskaarten op te zeggen. ‘‘Dat was voor mij echt een kantelpunt’’, zegt Van der Spek. Hij studeerde Duits in Kiel en raakte gaandeweg uitgekeken op HSV, met zijn verregaande commercialisering en de aanwezigheid van rechts-extremistische aanhang. ‘‘Toen ik voor het eerst bij St. Pauli kwam, viel alles samen: mijn politieke overtuigingen, mijn idealen en mijn liefde voor voetbal.’’

In 2000 richtte hij samen met Koster en een derde collega de BWT op. Voor Koster, leraar klassieke talen, was het verschil in supporterscultuur doorslaggevend. ‘‘In Nederland is het gebruikelijk om vooral de tegenstander af te zeiken. In Duitsland draait het om het steunen van je eigen club.’’

Bratwurst mit Sauerkraut

Dat Kafee De Klarist de vaste fankneipe werd, is vooral te danken aan kastelein Waleboer. Sinds begin jaren negentig runt hij het café, dat hij in de loop der jaren steeds meer ‘vrijgaf’ aan St. Pauli-supporters. Zijn eerste kennismaking met de fanclub kwam in 2008, via een artikel in de Volkskrant. Daarvoor stond Waleboer zelf nog met een seizoenskaart bij FC Den Haag op de lange zijde, maar ook bij hem was het toenemende supportersgeweld een reden om daarmee te stoppen.

Braunweiße Tulpen

‘‘Ik was het zat’’, zegt hij. ‘‘Ik wilde voetbal beleven zonder dat er altijd agressie omheen hing.’’ In St. Pauli herkende hij iets wat hij in Nederland steeds minder zag: een club waar sfeer, muziek en overtuiging net zo belangrijk zijn als het spel. ‘‘Het politieke aspect spreekt de meeste mensen aan.”

Reclame maken doet hij niet. ‘‘Via via vinden mensen hun weg hierheen.’’ Zo belanden ook veel Duitse studenten en expats in het café. Aan de bar bestelt een jong Duits stel een bratwurst, ‘‘mit Sauerkraut’’. ‘‘Ich hoffe, es schmeckt genauso wie zu Hause’’, zegt Waleboer.

Van het Zuiderpark naar Hamburg

De zuurkool is huisgemaakt. Niet door Waleboer, maar door Geert van der Burg, voorzitter van de BWT. Ook zijn liefde voor St. Pauli ontstond uit afkeer van het Nederlandse supportersgeweld. Als tienjarige liep hij alleen naar het Zuiderpark om FC Den Haag te zien spelen. Later stond hij op Midden-Noord, tot incidenten hem deden afhaken. ‘‘Tijdens een uitwedstrijd tegen Feyenoord stond ik in een vak waarvan ik dacht: hier hoor ik niet te staan. De volgende dag las ik dat er een suppoost was neergestoken.’’

Ook bij een UEFA Cup-uitwedstrijd tegen Lens ging het mis. ‘‘Onderweg werd een tankstation geplunderd. Ik stond erbij, met plaatsvervangende schaamte.’’ Zelfs bij een gewonnen oefenwedstrijd van het Nederlands Elftal tegen Hongarije liep het uit de klauwen. ‘‘“Supporters” gooiden met stenen die op het spoor lagen naar elkaar. Een vriend van me eindigde in het ziekenhuis.’’

Holger Stanislawski

In die periode werkte Van der Burg als docent Nederlands op de Daltonschool in Voorburg, net als Koster en Van der Spek. In de pauzes ging het steeds vaker over wat er allemaal misging op de tribunes. Op een dag lag er een uitnodiging in het postvakje van Van der Burg: of hij lid wilde worden van de BWT.

‘‘Ik had nog nooit van die club gehoord. Ik moest een formulier invullen met mijn favoriete speler, ik koos de leukste: Holger Stanislawski.’’ Lachend: ‘‘Dat bleek de grootste clubheld te zijn.

Naïef om te zeggen dat politiek en voetbal gescheiden moeten blijven

Met zijn dertienjarige zoon reisde hij mee naar een uitwedstrijd tegen Alemannia Aachen. ‘‘Toen was ik verkocht. Die sfeer… het is alsof je op een popfestival bent. Punkers, rockers, van alles door elkaar. Je zag overal al die vlaggen van Che Guevara. Die had ik als jochie al op mijn kamer hangen.’’

Braunweiße Tulpen

Voor Van der Burg draait St. Pauli nauwelijks om voetbal. ‘‘Sterker nog: het gaat helemaal niet om het voetbal.’’ Hij wijst op de maatschappelijke rol van de club. ‘‘St. Pauli doet veel sociale projecten en de fans organiseren vaak demonstraties rondom het stadion. Voor de wedstrijd tegen Leipzig is er bijvoorbeeld een kranslegging ter nagedachtenis aan de Holocaust.’’

Hij zou die houding graag vaker in Nederland zien. ‘‘Ik vind het naïef om te zeggen dat politiek en voetbal gescheiden moeten blijven. Als de FIFA een vredesprijs aan Donald Trump geeft, ben je al met politiek bezig.’’

Band met Hamburg

De band met Hamburg is door de jaren heen hecht geworden. ‘‘Toen we vijf jaar bestonden, zijn mensen van de Fanladen naar Nederland gekomen met een speciale BWT-banner als cadeau. Die kunnen we gebruiken in het stadion.’’ De BWT bestaan niet alleen om aan een kaartje te komen. ‘‘We proberen er ook op te letten dat nieuwe leden de waarden van St. Pauli onderschrijven en dat clubgevoel echt begrijpen.’’

De BWT tellen momenteel 34 leden, van wie een groot deel de vijftig al is gepasseerd, sommigen zelfs de zestig en Waleboer inmiddels de zeventig. Tegelijk ziet hij een nieuwe lichting twintigers, dertigers en veertigers aanhaken. ‘‘We gaan voor de volgende 25 jaar,’’ zegt hij. ‘‘Hopelijk pakken zij straks het stokje over.’’

Toch blijft er één onzekere factor: Kafee De Klarist. ‘‘Die plek is echt een bindende factor geworden. Ik ben benieuwd wat er gebeurt als Jochem ooit stopt of zijn kroeg sluit.’’

Rook en angstzweet

‘‘Scheiße!’’ roept Waleboer wanneer een hard schot van St. Pauli wordt gekeerd door de HSV-keeper. De spanning stijgt. Binnen ruikt het steeds meer naar rook en zweet. Alle liederen die uit de tv-speakers klinken, worden in De Klarist luid meegezongen. Ook door Mischa, de zoon van Van der Burg. ‘‘Ik heb verder niks met voetbal hoor’’, zegt hij, ‘‘alleen met St. Pauli.’’

De derby eindigt zoals Bauke had voorspeld: 0-0. Het café vult zich met geroezemoes. Direct na het laatste fluitsignaal staat Waleboer alweer aan de bar met pen en papier. ‘‘Wie gaat er mee naar Leverkusen-uit?!’’