Er zijn maar weinig reisgidsen die Charleroi aanbevelen als toeristische trekpleister. De stad is grauw en verpauperd, er is veel kapot en nieuwbouw moet je met een vergrootglas zoeken. Ja, het is troosteloos. Maar het is ook rauw en karaktervol, voor wie daar oog voor heeft. Charleroi wordt gedomineerd door staalindustrie en is qua verkeer een volslagen onoverzichtelijk geheel van fly-overs, rotondes en tunnels.
Tweewielers wagen zich er niet aan om zich in het verkeer te mengen en dus ben ik deze zaterdag een bezienswaardigheid. Ik doe vandaag maar liefst elf voetbalplekken aan, op de fiets wel te verstaan. Ik trotseer in spijkerbroek, met 25 graden, het heuvelachtige decor van deze ietwat onheilspellende stad in le Pays Noir. Het zwarte land, een verwijzing naar de steenkoolmijnen die er in dit gebied vroeger volop waren.
Veel historie en verval
Voordat ik in de avond de wedstrijd tussen Royal Charleroi Sporting Club en KRC Genk hoop te bezoeken (het lukte me niet om online een ticket te kopen, maar ik ben desondanks aan de autorit van 2,5 uur begonnen) heb ik een vol programma voor de boeg: een route van vijftig kilometer door de stad. Charleroi kent tal van grounds die historie en verval ademen en die dus buitengewoon fotogeniek zijn.
Mijn vooronderzoek leerde me wel dat het vanwege de ontelbare fusies in het voetbal in en rondom Charleroi vrijwel onmogelijk is een helder beeld te krijgen van welke club waar speelde en speelt. Vandaag zal ik merken dat zelfs fysiek aanwezig zijn op de complexen lang niet altijd uitkomst biedt over wie er op het moment speelt. Of er überhaupt wel een club speelt. De meeste accommodaties zien eruit alsof ze al vele jaren buiten gebruik zijn. Maar ik ontdek dat dat zeker niet in alle gevallen zo is.
Royal Jumet Sport Club
Ik begin bij Stade Danny Labay, waar Royal Jumet Sport Club speelt. Er wordt vandaag een jeugdtoernooi gespeeld en ik word met argusogen bekeken als ik het terrein betreed. Er liggen al volop worsten op de barbecue en net als in Nederland roepen de ouders hier allerlei goedbedoelde, maar zo te zien weinig motiverende aanmoedigingen naar hun kroost. De kleine tribune en de dug-outs zijn de moeite waard. Net als de kleurrijke muurschilderingen aan de buitenkant van de entree.

Het is meer bezienswaardig dan mijn volgende stop: Stade Leopold Tibbaut, in een nogal verlaten wijkje. Ook hiervoor geldt dat de aanduiding ‘stade’ niet bepaald overeenkomt met de daadwerkelijke uitstraling. Het veld is één grote zandvlakte en het complex, dat tegenwoordig bespeeld schijnt te worden door Carolo Football, is bovendien hermetisch afgesloten met hekken en een drie meter hoge muur. Waarom eigenlijk, vraag ik me af.
De verdwenen tribune van Euro 2000
Een van de hoogtepunten van de dag moet het aanschouwen van de extra ring van het stadion van Sporting Charleroi worden. De ring werd speciaal voor Euro 2000 bovenop de bestaande tribune geplaatst, maar verdween daarna naar Gilly, een voorstadje. Met de voorkant gericht naar het Vélodrome de Gilly. Het moet een surrealistisch beeld zijn, afgaand op de online foto’s; zo’n losse kap met de achterkant naar het voetbalveld dat er tegenwoordig ligt.
Ook bij RFC Gilly is een jeugdtoernooi bezig en ik moet vijf euro betalen aan een mannetje om het terrein op te mogen. “Oui, oui, c’est ici”, zegt hij als ik in mijn beste Frans vraag of de tribune van het vélodrome inderdaad hier is. Het enige wat ik echter zie is een minuscule tribune grenzend aan het hoofdveld, waar wat ouders op hebben plaatsgenomen. En het is duidelijk dat er op de volkomen desolate en aan de elementen overgeleverde betonnen geasfalteerde wielerbaan al heel lang geen wielerrecords meer worden gereden.
Ik doe wat ik natuurlijk thuis al had moeten doen: ik check online wat er gebeurd is met de oude tribune en lees dat die in 2025 is verwijderd. Een deceptie.
Royal Olympic
Het is dan nog niet gedaan met de teleurstellingen. Ook een bezoek aan Stade de Neuville wordt geen succes. De thuishaven van de tweede club van de stad, Royal Olympic Club Charleroi (bijnaam Les Dogues), dat net als z’n grote broer in het zwart-wit speelt, ligt middenin de wijk, maar desondanks is er vandaag weinig van te zien. Ik vind zelfs niemand die ik kan proberen te verleiden om me even binnen te laten.

Ook dit is zo’n club die tal van fusies achter de rug heeft en op meerdere plekken haar thuiswedstrijden afwerkte, maar die geschiedenis is op de website al sinds 2020 niet meer bijgewerkt. Geen fan die er blijkbaar wakker van ligt.
En ook de volgende tussenstop brengt niet wat ik ervan verwacht had: Stade Yernaux is deze zaterdag grotendeels aan het zicht onttrokken. Het ‘stadion’ uit 1989 werd tot de oprichting van SC Montignies-sur-Sambre gebruikt door de reserves en junioren van Olympic, dat overal in de stad z’n wortels lijkt te hebben liggen.
Stade Communal
Dat geldt in ieder geval ook voor Stade Communal, dat zowel over een grote hoofdtribune als over een bijzondere Elasticon-tribune beschikt. Dit zijn de plekken waar ik het voor doe. Het is hier een verlaten boel, maar omdat het hek open staat, waag ik me op het terrein. Wanneer ik de overwoekerde staantribune opklim, begint er ineens ergens een alarm te loeien. Of het vanwege mij is weet ik niet, maar ik slaag erin het terrein ongezien te verlaten.

Nog zo’n plek waar Olympic speelde is Stade du Fiestaux in de wijk Couillet. Het complex ziet er beroerd uit, maar daar lijken de omwonenden zich in het geheel niet aan te storen. Een straatbraderie is in opbouw en een stel buurtbewoners heeft zich pal voor de façade van het stadionnetje een plekje toegeëigend. Uit speakers hoor ik de zoetgevooisde klanken van Charles Aznavour, waardoor er welhaast een Provençaalse sfeer heerst.
Hoe anders is dat aan de andere kant van de muur op de tribune waar een groepje jongeren zich verveelt met snoeiharde (denk ik) hardstyle-muziek. Of er op dit veld nog gevoetbald wordt, kan ik helaas niet ontdekken.
Bijzondere architectuur
Ik kom vervolgens bij Stade la Docherie. Gezien het feit dat alles hier kapot of half afgebroken is, vraag ik me af of hier nog gevoetbald wordt. Dat gebeurt zeker wel in Marcinelle (waar de grootse Belgische mijnramp ooit plaatsvond, in 1956) op Grande Chenevière, waar RC Marcinelle speelt. Ook dit is zo’n club met een rijke geschiedenis van fusies, naamswijzigingen en verhuizingen.
Ten slotte ben ik getuige van een wedstrijd van FC Mont-sur-Marchienne College op Complex Rue St.Jacques, waar zo’n tweehonderd toeschouwers staand voor een modern clubgebouw met een schuin oog de wedstrijd volgen. En zo heb ik tien cultuurhistorische voetbalplekken bezocht, waarbij ik en passant kon genieten van de bijzondere architectuur van Charleroi. Veel is zwart of donkerbruin, dichtgetimmerd of bespoten met graffiti, maar tegelijkertijd heeft het allemaal ook wel wat.
In het centrum zie ik het stadhuis in art-nouveaustijl. Fietsend langs het jaagpad bewonder ik de imposante fabrieken langs de Sambre. Ik laveer door straten met ontelbaar veel hobbels en kuilen. Ik word achternagezeten door een woest blaffende hond en door een kind bekogeld met een lege plastic fles. En met m’n fiets op m’n nek (ik durfde ‘m niet onbeheerd achter te laten) beklim ik de loeisteile Terril de Piges. Een inmiddels met groen begroeide steenkoolberg in de stad. Het is een uitputtingsslag en ik heb medelijden met degene die vanavond naast mij op de tribune moet zitten.
Play-offs Jupiler Pro League
En dan is het toch echt tijd voor de wedstrijd in Stade du Pays de Charleroi, waar Sporting de strijd aanbindt met Genk. De wedstrijd vindt plaats in het kader van de play-offs, die onderdeel uitmaken van de onnavolgbare Belgische Jupiler Pro League. De winnaar van de poule verdient een plekje in de Conference League. Met wat handen- en voetentaal lukt het me om een kaartje te kopen bij een van de verkooploketten.

Sowieso is je verstaanbaar maken in Charleroi een uitdaging als je geen Frans spreekt. De harde kern marcheert collectief richting het stadion en doet dat met veel bombarie. De mascottes (twee zebra’s) en een groepje jonge danseressen zwepen de aanhang aardig op voorafgaand aan de wedstrijd. De bijzonder steile hoofdtribune is maar matig gevuld, maar de fanatieke aanhang op Tribune 4 maakt er negentig minuten lang een spektabel van. Dat de Zebra’s met 2-0 winnen, helpt natuurlijk.
De voetbalcultuur van Charleroi kent al met al een bijzondere en ingewikkelde historie. Met het verkrijgen van inzichten in welke club wanneer waar speelde, zou een historicus zich flink kunnen uitleven. Het mooie is dat al die gebouwen en velden die inmiddels verlaten lijken te zijn, gewoon blijven staan en liggen. Nou ja, behalve die ring van de tribune van Euro 2000 dan. Charleroi is misschien geen plek om ‘de vrouw mee naartoe te nemen’, maar als voetbalstad is het nochtans zeer de moeite waard.