Noem me gerust een moraalridder, maar een van de verderfelijkste uitwassen van het moderne voetbal vind ik de ‘WAG’, zoals de Britse tabloids dit fenomeen ooit met hun feilloze intuïtie voor beklijvende benamingen zijn gaan noemen. WAG staat voor ‘Wives And Girlfriends’ en het verwijst naar de losbandige wederhelften van de heren profvoetballers. Tijdens het EK zie je ze ook weer overal opduiken in de media met hun pornohoofden. In vroeger tijden heetten ze nog gewoon ‘spelersvrouwen’. Dat de vrouwen in de soortnaam nu gezelschap hebben gekregen van de vriendinnen zegt eigenlijk alles.

Voor wie graag een beetje provoceert is de WAG het beste argument tegen hedendaags feminisme. Als activistisch aangelegde vrouwen zich buitenproportioneel beklagen over discriminatie, volstaat het om ze door te verwijzen naar de eigen seksegenoten, die oppervlakkige roem en rijkdom aan de zijde van de zoveelste – foeilelijke maar beroemde – voetballer verkiezen boven de anonieme zekerheid van integere en betrouwbare mannen als u en ik. Stel eerst maar eens orde op zaken binnen de eigen gelederen, dames! Krijg je ze gegarandeerd mee op de kast.

Over die kast gesproken: de rondborstige WAG-cultuur botst een beetje met een ander recent fenomeen: elkaar hartstochtelijk kussende voetballers. Misschien is het toch de invloed van Cristiano Ronaldo, of juist een tegenreactie op de doorgeslagen machocultuur, maar het lijkt wel of spelers hun festiviteiten na een doelpunt steeds homo-erotischer vormgeven. Kusje hier, zoentje daar. Vol op de bek? Geen probleem. In de VS wijdde de Huffington Post zelfs een commentaar aan de tederheden die Ivan Rakitić en Daniel Carrico uitwisselden na het veroveren van de Europa League met Sevilla in 2014. Niks mis mee natuurlijk, maar merkwaardig is het wel.

Uit nader onderzoek blijkt echter dat we hier allesbehalve met een nieuw verschijnsel te maken hebben. Op 3 mei 1922 verscheen in De Telegraaf een curieus stukje in de rubriek ‘Dagboek van een Amsterdammer’. De auteur was Barbarossa, die de tekst niet veel later onder de titel ‘Zoenende voetballers’ opnam in een bundel met verzamelde dagboekfragmenten.

Barbarossa was een pseudoniem van Johan Christiaan ‘Kick’ Schröder (1871-1938), een van de grootheden uit de beginjaren van het vaderlandse voetbal. Schröder speelde voor het Amsterdamse RAP en was aanvoerder van het Bondselftal, maar zijn brood verdiende hij in de journalistiek. Tussen 1902 en 1923 was hij hoofdredacteur van De Telegraaf. Zijn scherpe, ironische stukken werden zowel gewaardeerd als gevreesd. In 1915 werd Schröder zelfs gearresteerd omdat hij met zijn kritische opinies de Nederlandse neutraliteit in gevaar zou brengen.

‘Zoenende voetballers’ begint als volgt: “Oom, zei vanmorgen mijn nichtje Eulalia, ik ben boos op De Telegraaf”. Het meisje had in de krant namelijk een artikel van de Engelse correspondent gelezen “over dien zoen, dien die voetballers in Londen elkaar gegeven hebben, toen die eene een punt maakte.” Eulalia vindt het maar niks, dat gezoen, en dan had die correspondent Nederlandse spelers ook nog geadviseerd hetzelfde te doen: hij “ziet Dé Kessler al aan den hals van de Natris” – hiermee verwijzend naar HVV-speler Dé Kessler en Jan de Natris van Ajax, die beiden voor het Nederlands elftal uitkwamen. Eulalia is not amused: “Men spot in deze tijden niet met den zoen, oom.”

Eulalia is dus een fatsoenlijk, eerbaar meisje, zo lijkt het. Maar niets is minder waar. Want wat lezen we even verderop? Eulalia blijkt er juist niet vies van te zijn: ‘”Wil U wel gelooven dat ik – laat eens kijken: Dick-Bert-Klaas-Kees… ja, het waren er dertien, dat ik met dertien jongelui min of meer geëngageerd ben geweest en dat ik nog den eersten zoen van ze krijgen moet?” Parbleu! Eulalia heeft al een heel elftal plus nog een paar reserves gehad. En het zijn juist de heren die overdreven preuts zijn.

Vergeet dus de Sylvie’s en Sabia’s van deze wereld, ‘Eulalia’ was de eerste en meteen ook de meest onverzadigbare WAG uit de geschiedenis van het voetbal.