Staantribune besteedt deze maand, in aanloop naar De Dag van de Verdwenen Clubs, veel aandacht aan de clubs die sinds de opheffing van de tweede divisie in 1971 zijn verdwenen uit het betaald voetbal: SVV, FC Wageningen, SC Veendam, RBC, HFC Haarlem, FC Amsterdam, VC Vlissingen, SC Amersfoort, AGOVV en FC Vlaardingen.

Vandaag een interview met Heracles-trainer John Stegeman, die twee periodes bij AGOVV in Apeldoorn voetbalde.


Je ging van Heracles Almelo naar AGOVV. Vanwaar die overstap?
“Voor mijn tijd bij Heracles speelde ik drie jaar bij Go Ahead Eagles. Toen mijn contract in Deventer niet werd verlengd, nam Peter Bosz contact met me op. Hij was op dat moment hoofdtrainer bij de amateurs van AGOVV. Hendrie Krüzen ging tegelijkertijd ook van Go Ahead naar AGOVV. Ze waren nog op zoek naar een spits en toen kwamen ze bij mij uit. Ze hadden een duidelijk plan: kampioen worden bij de amateurs en daarna de overstap maken naar het betaald voetbal. Peter Bosz was, samen met een aantal bestuursleden, de grote initiator achter dat plan. Eigenlijk voetbalde ik dus al eerder bij AGOVV.”

Hoe verliep die eerste periode bij AGOVV?
“We werden inderdaad kampioen van Nederland bij de amateurs, maar ik kreeg na twee jaar een aanbieding van Heracles. Toen ben ik naar Almelo gegaan, wederom in het kielzog van Hendrie Krüzen, die assistent-trainer werd van Gertjan Verbeek. Na twee seizoenen werd mijn contract niet verlengd. AGOVV was in die periode uitgegroeid tot een betaaldvoetbalorganisatie en Ted van Leeuwen, de technisch directeur, nam contact met me op.

Ik kom uit Epe, onder de rook van Apeldoorn, en kende AGOVV natuurlijk al van vóór de profperiode. Ik vond het daarom een mooie stap om weer bij die club te gaan voetballen. Ze hadden ambities om door te groeien. Helaas kreeg ik na anderhalf jaar een meningsverschil met trainer Stanley Menzo. Als je niet vaak wordt opgesteld, gebeuren dat soort dingen. Er kwam interesse van Cambuur en toen ben ik vertrokken.”

Wat zijn je gevoelens bij de club als je aan die tijd terugdenkt?
“Vroeger was er echt een rivaliteit tussen Epe en Apeldoorn. Die hebben in de amateurtijd nog tegen elkaar gespeeld. Wat ik erg merkte in mijn periode bij AGOVV was dat de club niet zo goed lag in Apeldoorn zelf, ze hadden een bepaalde negatieve naam. Ze plukten veel spelers weg bij amateur- en jeugdteams in de buurt en dat werd ze niet altijd in dank afgenomen. Als je kijkt naar de stad Apeldoorn en de omgeving, zou er toch voldoende draagvlak moeten zijn voor een profclub. Dat kwam helaas niet op stoom. Thuiswedstrijden voor ongeveer achthonderd man, terwijl er in de stad zelf alleen al meer dan honderdduizend mensen wonen. Bijzonder, maar het voetbal leefde gewoon niet in Apeldoorn.

Hoe je het ook wendt of keert, het was erg amateuristisch allemaal. Kleine kleedkamers, het stadion had verbouwd moeten worden, de velden lagen er na een tijdje slecht bij. Ze deden wel hun best in Apeldoorn, maar als je op het hoogste niveau mee wil doen, moet je alles goed voor elkaar hebben. Dat was niet het geval. De kansen waren er, naar mijn mening, om dat in samenwerking met een andere club uit de buurt te doen, maar daar is nooit wat van terechtgekomen. Toen ik na mijn tweede periode weer wegging uit Apeldoorn, had ik niet het gevoel dat er stappen waren gemaakt ten opzichte van de amateurperiode.”

Was dat ook de reden dat het steeds minder ging met AGOVV?
“Het was wel een van de redenen. Ook de naam AGOVV sprak niet aan voor mijn gevoel. Als je het SC Apeldoorn had genoemd, had het misschien wat meer draagvlak gehad. De plannen bij de club waren wel goed, ze wilden echt wel vooruitgang boeken, maar de hele entourage eromheen werkte niet mee. De locatie van het stadion was niet ideaal, midden in een bos. Er werden noodtribunes geplaatst, het zag er niet echt voetbalachtig uit.”

Maar toch, AGOVV heeft met Klaas-Jan Huntelaar, Nacer Chadli en Dries Mertens wereldtoppers in de dop voortgebracht. Dan worden er toch dingen goed gedaan?
“Ze hebben inderdaad een tijd goed gepresteerd, volgens mij zelfs een keer een periodetitel binnengehaald. Er zijn behoorlijke investeringen gedaan, maar het houdt gewoon een keer op. Als je zo’n project wil laten slagen, moet je een meerjarenplan opstellen en die stap voor stap langslopen. Ik had niet het gevoel dat dat bij AGOVV gebeurde. Het geld dat ze verdiend hebben met het voortbrengen van spelers als Huntelaar, Chadli en Mertens hadden ze moeten gebruiken voor het verbeteren van accommodaties en het opbouwen van een goede organisatie. Dat gebeurde niet, de juiste mensen zaten niet op de juiste plaats. Je gaat echt niet zomaar naar de kloten, als je meer uitgeeft dan je binnenkrijgt, bouw je schuld op, zo simpel is het.”

Wat dacht je op het moment dat het misging met AGOVV?
“Het zat er wel aan te komen. Op een gegeven moment waren de rekeningen niet meer te betalen. Mensen hebben hun nek uitgestoken om er wat van te maken, maar ze hadden meer hun best moeten doen het bedrijfsleven van Apeldoorn erachter te krijgen. Er zitten veel grote, potentiële sponsoren in Apeldoorn, dus dat was geen probleem. Die knowhow is er nooit echt geweest binnen de club.

Toen het faillissement werd uitgesproken, was ik niet betrokken bij de club, maar je ziet vanaf de zijlijn wel dat het bergafwaarts gaat. Het is spijtig dat ze het niet hebben gered. Ik bedoel, ik heb aan de wieg gestaan van de profperiode en heb er een leuke tijd gehad, maar het was gewoon niet de meest professionele organisatie waar ik heb gevoetbald. Desondanks doet het pijn als je ziet hoeveel tijd, energie en liefde er door de supporters en bestuursleden in is gestoken.

Af en toe kom ik nog wel eens bij AGOVV, mijn twee zoontjes spelen bij Vitesse. Ze spelen er soms een oefenwedstrijd, maar je ziet dat er weinig is veranderd ten opzichte van de periode dat ik er speelde.”