Vorige zomer had ik het moeilijk. Met Weuro 2017 en de vrouwenvoetbalhype. Toen ik zei dat ik vrouwen aantrekkelijk vond, maar vrouwenvoetbal niet, werd ik voor Donald Trump versleten. Ik voelde me eenzaam tijdens de nog best hoog oplopende Oranjekoorts en vroeg me af wie er gek waren: ik of al die ‘waar-kijken-we-de-Leeuwinnen?’-mannen? Diezelfde mannen die voor Weuro 2017 riepen dat ze vrouwenvoetbal geen kijksport vonden, waren ineens om.

En met ‘om’ bedoel ik niet halfom, maar echt om. Mannenvoetbal, dat was plots ordinair en onsportief. Vrouwenvoetbal was verrassend verfrissend. Puur en onbesmet door het grote geld. Je zou bijna gaan denken dat de Ajax-vrouwen de Ajax-mannen uit de ArenA gingen verdringen, zo’n welhaast onwerkelijke – en voor mij onverdraaglijke – stemming hing er. Alsof heel het land plots het vreselijke vlees in de ban deed en overstapte op de hmm, lekker verantwoorde vegaburgers.

Als ik vrouwenvoetbal kijk, let ik al snel niet meer op het spel. Ik kijk welke meiden ik knap vind. En dan heb ik nog weinig testosteron, dus wantrouwde ik al die zich suf tinderende kerels die het afgelopen zomer ineens hadden over dat prachtige Fair Play-voetbal van de hongerige Leeuwinnen.

Hoe moest ik die horden nieuwe mannelijke fans van het vrouwelijke Oranje duiden? Waar kwam die omslag vandaan? Ik vermoedde een combinatie: de behoefte aan de bal in een voetballoze zomer, het heimelijke verlangen naar Oranje-voetbalsucces en de bijbehorende gevoelens van eensgezindheid, plus het feit dat politiek correct gedrag modieus was.

Ik vond dat mannen die zichzelf op de borst klopten omdat ze naar ‘de vrouwen keken’, het vrouwenvoetbal misbruikten om zichzelf als feminist te profileren. Ze liepen er ook zo openlijk – te openlijk naar mijn smaak – mee te koop (“Gisteren weer genoten!”). Men droeg nog net geen Oranje-shirts met Miedema erop gedrukt of T-shirt met de tekst: I SUPPORT VROUWENVOETBAL (waarmee die wolven in schaapskleren eigenlijk meiden wilden versieren natuurlijk…).

De ontstane ‘wie-niet-voor-is-tegen’-stemming deed me denken aan Zwarte Piet: voorstanders waren volgens de tegenstanders racisten. Ik keek geen vrouwenvoetbal, maar dat maakte me niet anti-vrouw of anti-vrouwenvoetbal. Ik draaide het om en beschuldigde een vrouwenvoetbal kijkende vriend: “Jij kijkt niet voor je plezier, maar omdat je denkt dat je zo een goede daad verricht. Man, het is allemaal van een hoog Serious Request-gehalte. En net als met het Serious Request goede doel, vraag ik me af hoe het volgende zomer met je interesse voor vrouwenvoetbal staat.”

Daar was hij het niet mee eens. Hij vond mijn denkwijze typisch Arnhems (lees: cynisch), altijd uitgaande van het slechte in de mens. Nee, hij keek niet ‘uit massa-hysterische’ overwegingen naar Weuro, maar gewoon, omdat hij er lol in had. Daar had ik nog geen moment aan gedacht, dat er mannen bestonden die vrouwenvoetbal echt leuk vonden. Ik gaf het vrouwenvoetbal geen kans, beweerde hij. Misschien had hij gelijk. Van die kans kwam het niet tijdens de afgelopen zomer.

Inmiddels heb ik mijn eerste wedstrijd vrouwenvoetbal gezien. Als regioverslaggever moest ik naar een vrouwenvoetbalwedstrijd. Ik kon er niks aan doen, maar Moeder Natuur zat mijn objectiviteit toch in de weg. Soms dwaalden mijn op bepaalde meiden gerichte gedachten (lees: verlangens) af. Niet op het primitieve niveau van ‘zou ik die doen of niet’. Zo denk ik – een romanticus – nooit, behalve als ik dronken ben. En ik was niet dronken natuurlijk. Ik dacht wel: zou ik met die ene met dat haarbandje kunnen trouwen, ja of nee?

Ik kon natuurlijk niet aankomen met een stukje waarin ik schreef over “die beeldschone, langbenige spits” of die “rondborstige rechtsback”, dus dwong ik mezelf om me op het spel te concentreren. Dat lukte. En toen zag ik, dwars door de wisselende kwaliteit heen, dat de beleving inderdaad verfrissend was. Geen ordinair geschreeuw, geen gescheld, geen schwalbes, geen tirades tegen de scheidsrechter, geen tijdrekken….

Het was lang geleden dat ik in en rondom een voetbalveld zo’n prettige, pacifistische sfeer waarnam. Heel even dacht ik zelfs: was ik maar een vrouw. Ik ging na de wedstrijd verlicht naar huis, geloofde plots heel erg in het goede in de mens, schreef een Willem Vissers-achtig verslag voor in de krant en dacht met weemoed terug aan Weuro 2017: verdorie, ik had toch heel wat gemist.