Maandag 1 mei. Bericht uit Amsterdam. “Hos jij ook op die troostprijs?” Arnhem viert feest na het winnen van de eerste prijs ooit: de beker. Een vriend uit Amsterdam vindt het kennelijk een beetje zielig, zo’n huldiging om bijna niks. Provinciaals. In Amsterdam reserveren ze P2 niet wanneer ze het bekertje winnen. Kom nou.

Natuurlijk was het sms’je plagerig bedoeld, toch luidde de kleinerende boodschap: ‘wie het kleine eert, is het grote niet weerd’. Het grote, dat was de Europa League, die Ajax een paar weken later zou winnen. Een internationale troostprijs die plots geen troostprijs meer was. Ajax (A-J-A-X!) was het superieure schoonmaakmiddel dat het bevuilde imago van het Nederlandse voetbal ging oppoetsen. Ja, daar moesten wij in Arnhem en de rest van Nederland de Godenzonen op onze blote knietjes voor bedanken.

Net als Ajax heeft Vitesse – en daarmee ook de Arnhemmer – een arrogant imago. Een erfenis van het tijdperk van Karel Aalbers, die niet laag van de toren blies. Maar dat arrogante imago is een misvatting. Arrogantie is jezelf op de recht vooruit gepositioneerde borst kloppen. Borstkloppen is niks voor de Arnhemmer, die echt niet lijdt aan een meerderwaardigheidscomplex maar eerder gebukt gaat onder het tegenovergestelde.

Stel: ik win de Nobelprijs voor de Literatuur en trouw met Miss World, dan zou ik hier op een Arnhemse verjaardag hooguit schouderophalend durven beweren dat ik ‘niet slecht bezig ben’. Wek ik ook maar de geringste schijn dat ik me wat verbeeld met mijn Nobelprijsje, dan word ik een paria.

Stel dat Jezus in Arnhem zou hebben geleefd en ‘patserig’ over de Rijn zou hebben gewandeld: de toenmalige Ernummers zouden zich kapot irriteren en die patjepeeër op sandalen vervloeken en de langharige uitslover na het verrichten van het zoveelste wonder uiteindelijk aan het kruis hebben genageld.

Carnaval krijgt in Arnhem – te uitbundig – geen poot aan de grond. ‘Te gek’ heeft in Arnhem een andere betekenis. Veelzeggend was Vitesse – Sparta, vorig seizoen, toen Arnold Kruiswijk – die nooit ‘te gek’ doet – zijn eerste goal ooit in het betaalde voetbal scoorde. Zelden is een voetballer in Arnhem zo lang en uitbundig toegezongen (met een heuse medley, inclusief “Kruiswijk in Oranje”). Naast Ernumse humor, was het ook een Ernums signaal richting de jongere spelers die te opzichtig solliciteren naar een staande ovatie door eigen glorie boven de club te prevaleren.

Nee, de Ernummer is geen opschepper. Wel een ‘afschepper’. De Ernummer overdrijft niet, maar ‘onderdrijft’. Elders maken ze van een mug een olifant, hier van een olifant een mug. Wanneer Vitesse eens echt goed speelt – een zeldzaamheid – dan zeggen we hier dat Vitesse ‘niet slecht’ voetbalde. Nu moet je met dat afscheppen en onderdrijven niet overdrijven, want anders trek je alsnog aandacht door in een slachtofferrol te kruipen of aan valse bescheidenheid te doen.

Tijdens jeugdvakanties in Nederlandse kolonies als Salou of ‘Cherso’ (ja, ik schaam mij voor mijn koloniale verleden), verbaasde ik me als Arnhemmer over Brabanders die trots de naam van hun geboortegrond scandeerden (“Eindhoveh, Eindhoveh, Eindhoveh!”). Zelf zal ik over Vitesse of Arnhem ‘uitern’ nooit trots doen. Het is al heel wat dat ik Vitsse tegenwoordig verdedig wanneer er over de GelreDome-opkomst wordt gezeken. Met 18.000 bezoekende supporters in een stad van 150.000 inwoners is de  opkomst hier twaalf procent . In de ArenA zitten er 50.000 in een stad met 820.000 inwoners (zes procent).

Voor mij blijft Theo Janssen de ultieme personificatie van de Arnhemmer. Aanbiedingen om een boek te schrijven, slaat hij resoluut af. Met je privé loop je niet te koop. Voetballend in Ajax-shirt zei Theo eerlijk dat hij zich geen Ajacied voelde, niet te gaan stoppen met roken en dat hij geen seconde overwoog naar Amsterdam te verhuizen. Niet om Arnhem op te hemelen, maar gewoon, omdat zijn familie en vrienden er wonen.

Al met al is de Arnhemmer, die het niet graag mooier maakt dan het is, zo verkeerd nog niet. Over Arnhem en Vitesse schreef ik een verhalenbundeltje (De Rijn, de Fles, Arnhemse Meisjes en Vites). Als de Arnhemmers hier tegen me zeggen dat ze het ‘geen slecht boek’ vinden, ben ik tevreden.