Terwijl ik op weg ben naar een obscure Non-Leagueclub in het westen van Schotland, zie ik opeens een bordje met de naam Glenbuck. Ik gooi meteen mijn stuur naar rechts, want ik weet dat dit de geboorteplaats van Bill Shankly is en dat hier een gedenksteen voor hem schijnt te zijn.

Het monument is zo gevonden. Er liggen rode sjaals op en naast de steen. Ook heeft iemand een briefje neergelegd met de tekst: Thank you for everything. In 1997 zamelden supporters van Liverpool geld in om dit monument hier neer te zetten. Shankly is niet de meest succesvolle manager die de Reds ooit hebben gehad, maar wel de belangrijkste. Hij veranderde een club die doelloos rondhing in de tweede divisie in een absolute topclub. Waar vóór het Shankly-tijdperk Everton de grotere club was in de stad, was Liverpool dat nadat de Schot afscheid had genomen. De manager veranderde de hele identiteit van de Reds en zette een nieuwe standaard neer. Dankzij Shankly is Liverpool nu een van de grootste en populairste clubs ter wereld. Waar je ook komt, overal kennen mensen de Reds. En dat allemaal door een man die hier in een vergeten mijnwerkersdorpje werd geboren.

Glenbuck is een gek dorp, want het bestaat eigenlijk niet meer. Ooit was het een broeinest van goede voetballers. Het dorp kende amper duizend inwoners, maar bracht 38 profvoetballers voort. De lokale club Glenbuck Cherrypickers was befaamd in Schotland, maar alle herinneringen daaraan zijn vervaagd. Het is apart om rond te lopen in Glenbuck. Het is een goede locatie voor een horrorfilm. Her en der staat nog een huis, maar de rest is gesloopt vanwege de open mijnbouw. Het huis waar Bill Shankly is geboren, is ook al lang verdwenen. Ik kan ook niet op de plek komen waar het stond, want het mijnbedrijf heeft grote delen afgezet met hekken en overal hangen bordjes met bangmakerij dat je in een soort vergeetput valt als je over het hek klimt.

Bill Shankly groeide in Glenbuck op met zijn vijf zussen en vier broers. Alle vijf mannelijke Shankly’s werden profvoetballer. Bill was de meest succesvolle van het vijftal. Hij kwam uit voor Carlisle United en Preston North End en werd Schots international. Hij was bezeten van voetbal en werd dan ook manager na zijn spelerscarrière. Shankly begon bij zijn oude club Carlisle en via Grimsby en Workington kwam hij bij Huddersfield Town in de tweede divisie terecht. Als manager van de Terriers versloeg hij onder meer Liverpool met 5-0, dat vijfeneenhalf jaar eerder was gedegradeerd en er maar niet in slaagde om terug te komen. De bestuursleden van Liverpool wisten meteen wie daar verandering in kon brengen en in december 1959 werd Bill Shankly aangesteld als manager. Hij moest de vijfvoudige kampioen weer groot maken.

Shankly schrok zich kapot toen hij bij Liverpool kwam. Anfield was een puinzooi en het trainingscomplex Melwood was zelfs nog meer vervallen. Tijdens de rondleiding die hij daar kreeg, vroeg hij aan een bestuurslid of het veld er zo slecht bij lag omdat het nooit was opgeknapt na de Duitse bombardementen.

Ook was hij totaal niet onder de indruk van zijn spelersgroep. Wel was hij tevreden met Bob Paisley, Joe Fagan en Reuben Bennett, de drie coaches die op dat moment al bij Liverpool zaten. Het viertal zou niet veel later de befaamde Boot Room gaan vormen, vernoemd naar een hok waar ooit schoenen werden opgeslagen. Op aanraden van Fagan werd dat omgeturnd tot een plek voor de trainers, die daar urenlang over voetbal, tactiek en potentiële aankopen spraken. Het was de Cavern Club van het voetbal.

In zijn eerste seizoen was Shankly vooral bezig met het opknappen van de faciliteiten zoals het veld, en het verkopen van spelers. Bijna de hele selectie werd op de transferlijst gezet en een jaar later had hij al 24 spelers van de hand gedaan. Hij veranderde ook alle trainingsmethodes. Shankly haatte doelloos hardlopen en deed bijna alle oefeningen met de bal. Zijn spelers moesten de baas worden over de bal, want hij was tegen kick and rush en hield van korte passes. Als spelers werden beoordeeld, moesten scouts vooral letten op hoe een speler de bal aannam en weer afspeelde. Dat was het belangrijkste criterium.

Ook hechtte Shankly veel waarde aan een cooling down. Volgens hem zorgde dat ervoor dat voetballers minder snel geblesseerd raakten. Spelers gingen daarom niet op Melwood in bad, maar pas op Anfield. De twee dagelijkse busreizen naar en van het trainingscomplex zorgden er niet alleen voor dat de spelers bij terugkeer weer afgekoeld waren, maar ook voor goede teambuilding, want tijdens de reizen was er genoeg tijd voor een dolletje. Daarnaast werd op deze manier het stadion ook een echt thuis. Spelers zagen Anfield dagelijks. De voetballers van bijvoorbeeld Everton zagen Goodison Park alleen op de wedstrijddag, de rest van de tijd waren ze op het trainingscomplex.

Niet alle veranderingen hadden meteen effect. Liverpool liep twee keer op rij promotie mis, maar Shankly raakte niet in paniek en bleef bouwen. Hij haalde met Ron Yeats en Ian St. John twee spelers uit Schotland, die zouden uitgroeien tot legendes. Ook liet hij voetballers doorstromen vanuit de jeugd, zoals spits Roger Hunt.

In 1962 was het dan eindelijk raak. De Reds werden kampioen en scoorden maar liefst 99 keer, terwijl nummer twee Leyton er 69 maakte. Roger Hunt nam 42 doelpunten voor zijn rekening.

In zijn eerste anderhalf jaar als manager had Shankly aan een team gebouwd dat een niveau hoger meteen kon meedoen om de prijzen en in 1964 werd Liverpool voor de zesde keer kampioen van Engeland. De Reds waren eindelijk terug. In dat jaar ging Liverpool ook helemaal in het rood spelen. Tot dan toe bestond het tenue uit een rood shirt, witte broek en witte sokken.

In zijn biografie schrijft Ian St. John hoe de manager dat in één klap veranderde. “He thought the colour scheme would carry psychological impact – red for danger, red for power. He came into the dressing room one day and threw a pair of red shorts to Ronnie Yeats. ‘Get into those shorts and let’s see how you look’, he said. ‘Christ, Ronnie, you look awesome, terrifying. You look 7ft tall.’ ‘Why not go the whole hog, boss?’ I suggested. ‘Why not wear red socks? Let’s go out all in red.”

Vanaf die tijd speelt Liverpool compleet in het rood. Het debuut van Liverpool in de Europa Cup I zou eindigen in de halve finale. Wel werd de FA Cup gewonnen, een prijs die nog niet in de prijzenkast van de Reds stond. De 3-1 overwinning op Leeds werd flink gevierd door het rode deel van de stad. Voor de supporters was het een opluchting, want het niet winnen van de FA Cup was een onderwerp dat Toffees graag aansneden in de pub.

Iedereen rondom Liverpool was euforisch, op één man na. Jimmy McInnes was totaal gesloopt. De ex-speler van de Reds was na zijn afscheid in 1946 toegetreden tot het administratieve gedeelte van de club. Negen jaar later werd de Schot benoemd tot secretaris. Geen lastig baantje, want Liverpool speelde in de tweede divisie. Na de komst van Shankly veranderde dat en McInnes moest zich kapotwerken. Hij werd continu gebeld en draaide dubbele dagen. Liverpool was kampioen, had de FA Cup gewonnen en stond in de halve finale van de Europa Cup I. Als je wint, heb je vrienden. Iedereen wilde bij de club horen, maar McInnes stond stijf van de stress en kon daardoor niet genieten van de gewonnen FA Cup.

Vier dagen na die finale op Wembley bleef hij, zoals zo vaak, als laatste achter in het stadion. Ditmaal ging hij niet naar huis, maar liep hij naar The Kop. Hij zocht een stevige balk uit. Daar bond hij een touw aan vast en verhing zichzelf. Zijn stoffelijk overschot werd de volgende ochtend gevonden. Hij kon het niet meer aan. Shankly was totaal van slag en hield goed in de gaten dat de opvolger van McInnes zich niet overwerkte. Voor even was hij het totaal oneens met zijn befaamde uitspraak: “Some people believe football is a matter of life and death. I am very disappointed with that attitude. I can assure you it is much, much more important than that”. Want soms zijn andere dingen toch echt belangrijker dan voetbal.

Een seizoen later werd Liverpool weer landskampioen, terwijl stadsgenoot Everton de FA Cup won. Liverpool was dé voetbalstad van Engeland. De Reds stonden ook in de finale van de Europa Cup II, waarin werd verloren van Borussia Dortmund. Eind jaren zestig bleef Liverpool bovenin meedoen, maar het team begon oud te worden. Shankly, befaamd vanwege zijn loyaliteit, weigerde de spelers die hem succes hadden gebracht te verkopen.

Pas nadat Liverpool in 1970 door Watford, dat onderaan in de tweede divisie stond, werd uitgeschakeld in de FA Cup, wist de manager dat hij iets moest doen. De oude garde ging eruit, terwijl nieuwe spelers werden aangetrokken. Shankly bouwde voor de tweede keer aan een topteam. De ster van het team werd een mijnwerkerszoon uit Doncaster: Kevin Keegan. Liverpool nam hem voor een grijpstuiver over van Scunthorpe United en hij zou uitgroeien tot de absolute ster van de Reds. In 1973 werd Liverpool weer landskampioen en won het de UEFA Cup. Voor het eerst hadden de Reds een Europese prijs, iets waar Shankly zo naar verlangde. Het seizoen erop zou het laatste zijn voor de manager. In een tweestrijd om de titel trok Leeds United aan het langste eind, maar het lukte wel om de FA Cup weer te winnen. Newcastle United werd met maar liefst 3-0 verslagen.

Voor Shankly was het daarna genoeg geweest. Hij had bijna alles gewonnen wat er te winnen viel en er stond een topploeg die nog jaren meekon. Die was bij zijn assistent Bob Paisley in goede handen. Shankly gaf later aan chronisch vermoeid te zijn door al die jaren bij Liverpool. Ondanks dat hij de Europa Cup I nooit had gewonnen, was het klaar voor hem. Zijn vrouw had al langer bij hem aangedrongen om te stoppen, want voetbal slokte hem helemaal op en zij wilde hem thuis hebben. Shankly’s uitspraak: “Of course I didn’t take my wife to see Rochdale as an anniversary present. It was her birthday. Would I have got married in the football season? Anyway, it was Rochdale reserves”, zegt genoeg over de voetbalobsessie van hem.

Hij kreeg al snel spijt van zijn beslissing. Binnen een paar weken kwam hij spontaan opdagen tijdens trainingen op Melwood en ging hij zich bemoeien met allerlei dingen. Ook ging hij meedoen met de trainingen, iets dat hij voorheen nooit deed. Het werd zo erg dat Paisley het bestuur moest vragen om zijn vriend weg te sturen van Melwood.

Shankly zelf hoopte dat hij lid zou worden van het bestuur, zoals zijn vriend Matt Busby bij Manchester United, nadat die gestopt was. Maar de bobo’s van Liverpool stond daar niet om te springen. Zij vreesden dat de oud-manager veel te dominant zou worden en met uitspraken als: “At a football club, there’s a holy trinity – the players, the manager and the supporters. Directors don’t come into it. They are only there to sign the cheques”, won de Schot sowieso niet de populariteitsprijs bij de bobo’s.

Shankly legde zich er uiteindelijk bij neer dat zijn rol was uitgespeeld, al klaagde hij weleens over zijn behandeling door Liverpool. Zo kreeg hij nooit een kaartje voor de beste plekken als hij naar Anfield ging en de club nodigde hem ook niet uit als gast tijdens uitwedstrijden. En dat terwijl hij bij rivalen als Manchester United en Everton altijd met alle egards werd ontvangen als hij daar een keer ging kijken. Hij mocht zelfs meetrainen met de spelers van Everton. In 1981 stierf Shankly door een hartaanval. Zijn as werd uitgestrooid voor The Kop, een betere plek bestond niet.

Zijn opvolger Bob Paisley zou Shankly op sportief vlak overtreffen (daarover in een ander verhaal meer), maar Shankly was en is nog steeds veel populairder. Hij was extravaganter dan de rustige Paisley. Shankly, de club en de stad pasten perfect bij elkaar. Vlak na zijn aanstelling zei hij al dat de Scousers ‘his kind of people’ waren. Hij voelde zich als een vis in het water in het socialistische bolwerk. Zijn uitspraak: “Liverpool was made for me and I was made for Liverpool”, sloeg de spijker op zijn kop.

Een andere befaamde uitspraak is die over zijn kijk op het socialisme: “The socialism I believe in isn’t really politics. It is a way of living. It is humanity. I believe the only way to live and to be truly successful is by collective effort, with everyone working for each other, everyone helping each other, and everyone having a share of the rewards at the end of the day. That might be asking a lot, but it’s the way I see football and the way I see life.”

Shankly woonde vanaf 1959 zijn hele leven in hetzelfde rijtjeshuis in Liverpool. Supporters konden langskomen en kregen dan een kop thee en foto’s met handtekening. Hij had bijna een goddelijke status op The Kop. Er is een befaamde foto waarop je twee Kopites ziet die het veld op zijn gerend en knielend de voeten van Shankly kussen, iets wat de manager zelf overigens verschrikkelijk vond. Voor hem was namelijk iedereen gelijk.

Op de bekendste foto die van Shankly gemaakt is, zie je hem met een sjaal om en zijn armen wijd langs de tribune lopen. Het standbeeld dat voor The Kop staat, beeldt dat moment uit. Wat aan dat moment voorafging, typeert Shankly. Liverpool was in 1973 net kampioen geworden en terwijl Shankly langs de tribunes liep om de fans te bedanken, gooide iemand een sjaal naar hem toe. Een agent schopte die opzij. Shankly raapte de sjaal op en vertelde de politieman dat hij dat niet kon maken, want die sjaal was iemands leven. Hij deed de sjaal om, liet de verbouwereerde agent achter en liep verder. Zo word je dus een legende.

Shankly stond er ook bekend om dat hij tegenstanders graag diste, vooral Everton was vaak het slachtoffer van zijn grappen. Uitspraken als: “If Everton were playing down the bottom of my garden, I’d draw the curtains”, en “There’s only two teams in Liverpool: Liverpool and Liverpool reserves”, gingen erin als zoete koek bij de Reds, terwijl de Toffees een enorme hekel kregen aan Shankly. Al kwam er na zijn dood meer respect voor hem vanuit het blauwe deel van Liverpool.

Meer over Liverpool en Bill Shankly in Voetbalstad Liverpool, het nieuwe boek van Joris van de Wier, te bestellen in de webshop.
NB: alleen bij een bestelling in de Staantribune Webshop ontvang je bij dit boek een gratis e-book met foto’s van Liverpool en de regio Merseyside!