Voor de verkiezing van Voetbalboek van 2016 zijn twintig boeken geselecteerd. De komende weken lichten we een aantal genomineerden uit. Vandaag een hoofdstuk uit Prof, geschreven door Antje Veld.

Onze jongens


Op 31 januari 1953 reden Kees en Annie samen met hun twee dochters, Annemieke en Kitty, van Saint-Étienne naar Nederland. Rond Antwerpen begon het hevig te stormen. De tweedehands Renault schudde onheilspellend heen en weer. Takken vlogen over de weg. Ze waren op weg naar een zieke schoonzus, dus ze moesten verder. Pas om twee uur ’s nachts reden ze Breda binnen. Op datzelfde moment braken in Zeeland de eerste dijken door.

Een westerstorm beukte die nacht met zware windstoten en windkracht elf à twaalf tijdens een springtij urenlang op de Hollandse kust in. De dijken die het land erachter moesten beschermen, leden sinds de oorlog al onder achterstallig onderhoud. Vele ervan bezweken die nacht onder de enorme druk van het almaar stijgende water. De meeste mensen werden in hun slaap overvallen door de zee die hun huizen binnenstroomde of zelfs helemaal wegvaagde.

Toen Kees en Annie ’s ochtends wakker werden, hadden ze net als veel anderen die niet in Zeeland of Zuid-Holland woonden, geen idee van wat er die nacht precies was gebeurd. Dat er 1835 mensen, 20.000 koeien, 12.000 varkens en 1750 paarden waren verdronken, wisten ze niet. Dat er nog vele duizenden mensen op een dak in de kou zaten te wachten op hulp, al evenmin.

De eerste nieuwsberichten op de radio spraken die zondagochtend over onder water gelopen land en gevluchte mensen. De kranten schreven op maandag voorzichtig over enkele slachtoffers. Tegen de tijd dat de dodenaantallen harde werkelijkheid werden, zat de familie Rijvers al lang en breed weer thuis. In Frankrijk. “Wij kregen daar van die ramp niet zoveel mee”, zegt Kees nu. “Het was te ver weg en mijn focus lag bij het voetballen. Maar het moet verschrikkelijk zijn geweest.”

Een paar weken na de ramp werd hij gebeld door Theo Timmermans, een andere Nederlandse profvoetballer die net als Kees niet welkom was in het Nederlands elftal, omdat hij bij het Franse Olympique Nîmes speelde. Als geboren Hagenaar, opgegroeid aan zee, vond Timmermans dat hij toch iets moest doen voor zijn getroffen thuisland.
Hij nam contact op met de Franse voetbalbond, om te vragen of ze interesse hadden in een benefietwedstrijd tegen Nederland. In eerste instantie gaven de Fransen aan dat ze graag een wedstrijd wilden spelen tegen het officiële Nederlands elftal, maar de KNVB liep daar niet warm voor. Frankrijk had in die tijd een van de beste nationale elftallen. Het Nederlands elftal was daarentegen een van de zwakkere van Europa. Een confrontatie tussen beide ploegen kon alleen maar op een gênante afstraffing voor Oranje uitlopen. De KNVB had zelf een andere benefietwedstrijd geregeld. Tegen Denemarken, ook geen ploeg van wereldklasse.

Theo Timmermans wilde het er niet bij laten zitten. Hij stelde voor om met een elftal van Nederlandse profs uit het buitenland een benefietwedstrijd te spelen. Het plan om een wedstrijd tussen Nederlandse profs en het officiële Nederlands elftal te organiseren, kwam zelfs terecht bij prins Bernhard, die op dat moment voorzitter van het Nationale Rampenfonds was. De prins was meteen razend enthousiast, maar de KNVB wilde de profvoetballers niet op Nederlandse bodem ontvangen.
Omdat het officiële Nederlands elftal niet tegen de Fransen en niet tegen de buitenlandse profs wilde spelen, bleef er nog maar één alternatief over. KNVB-secretaris Lo Brunt, een van de weinigen binnen de voetbalbond die de Nederlandse profvoetballers niet vervloekte, bemiddelde voor Timmermans met de Franse bond. Na lang overleg in Parijs stemde iedereen in met een tweede benefietwedstrijd voor het Nationale Rampenfonds, tussen de Fransen en de buitenlandse profs, op Franse bodem.
Het Nederlands elftal speelde op 7 maart 1953 in Rotterdam een matige wedstrijd tegen de Denen en verloor met 1–2. Abe Lenstra scoorde voor Nederland. Hij was de enige van het Gouden Binnentrio die niet was gezwicht voor de lokroep van het buitenland. Zelfs een blanco cheque van Fiorentina had de Fries niet over de streep kunnen trekken. In een interview met de Volkskrant vertelde zijn vrouw Hil tien jaar na Abes overlijden in 1985 dat hij had overwogen om er voor de grap een miljoen gulden op in te vullen. Maar daar zag hij uiteindelijk toch maar van af. Stel je voor dat ze ja zouden zeggen? Dan moest hij naar Italië. Zijn baantje bij de gemeente van Heerenveen zou hij dan mooi kwijtraken, inclusief pensioen.

Nu speelde Abe dus de sterren van de hemel in een Nederlands elftal dat wedstrijd na wedstrijd als verliezer van het veld stapte. Zo ook na de benefietwedstrijd in Rotterdam.

In de tussentijd had Theo Timmermans contact gezocht met Bram Appel, die bij Stade de Reims speelde. Samen maakten ze een lijst van alle Nederlanders die in Frankrijk speelden. Zo kwamen ze ook bij Kees uit. Hij liet aan Timmermans weten dat hij natuurlijk mee zou doen. Als Saint-Étienne het goed vond tenminste.

Was je zo trouw aan Saint-Étienne?
“Ja, die betaalden mij, dus daar lag mijn loyaliteit. Ze behandelden mij ook goed.”
Hoezo?
“Mijn salaris werd keurig op tijd betaald. En ik werd gewaardeerd. De trainer, Jean Snella, vroeg mij vaak hoe ik over dingen dacht. Uren konden we over tactiek praten.”
Geen bandieten dus.
“Nee, natuurlijk niet. Sterker nog, in het eerste jaar dat ik 
in Frankrijk speelde, daalde de koers van de Franse franc sterk in mijn nadeel. Toch betaalde Saint-Étienne op eigen initiatief mijn salaris gewoon uit in de koers zoals die op het moment van het tekenen van mijn contract was geweest.”
Klopt het dat je wel eens hebt overwogen om je te laten naturaliseren tot Fransman, zodat je in het Franse nationale elftal kon spelen?
“Ja.”

Naast Kees werden Rinus Schaap (Racing Club de Paris), Gerrie Vreeken (Nantes), Bertus de Harder (Bordeaux), Cor van der Hart (Lille), Arie de Vroet (Rouen), Joop de Kubber (Bordeaux), Jan van Geen (Nantes) en reserves Wilhelm van Lent (Lens) en Fred Röhrig (Roubaix) benaderd.

Voor een goede keeper weken ze uit naar Duitsland. Daar speelde De Zwarte Panter, Frans de Munck, bij FC Köln. Ook Faas Wilkes, die inmiddels bij het Italiaanse Torino speelde, kreeg een telefoontje. Iedereen zei meteen ja, behalve Wilkes die van zijn club geen toestemming kreeg. De Fransman Edmond Delfour, die de club Stade Français trainde, stemde in met een symbolische rol als coach van het gelegenheidsteam. “Met vier van hen had ik voordat ik naar Frankrijk ging wel eens samengespeeld in het Nederlands elftal. Van de rest kende ik er alleen een paar als tegenstander in de Franse competitie.” Als team had het elftal nog nooit samen getraind, laat staan een wedstrijd gespeeld. Maar ze voelden zich verbonden. Allemaal waren ze op jonge leeftijd hetzelfde avontuur in het buitenland aangegaan. En allemaal waren ze vervolgens op de zwarte lijst van Karel Lotsy beland.

Lotsy had ongeveer een week voor de Watersnoodramp afscheid genomen van de KNVB, maar hij voelde zich nog wel betrokken bij het lot van zijn opvolger Hans Hopster. Natuurlijk had hij ook gehoord over de aanstaande wedstrijd tussen de Nederlandse profvoetballers en het Franse elftal. Volgens sommige kranten zou de voormalig bondsvoorzitter hebben gezegd dat ‘geen hond’ interesse zou hebben in die wedstrijd in Parijs.

De benefietwedstrijd voelde voor de ‘Pros’ Hollandais, zoals ze in Frankrijk werden genoemd, ook niet zo belangrijk. Het was tenslotte geen competitiewedstrijd die kostbare punten kon opleveren. Ze zouden gewoon lekker een potje gaan voetballen om geld in te zamelen voor het Rampenfonds. En hopelijk niet met té grote cijfers verliezen.

Op donderdag 12 maart zou de wedstrijd gespeeld gaan worden. Een dag eerder maakten de Nederlandse voetballers voor het eerst kennis met elkaar in het hotel. Voor een handjevol Franse journalisten speelden ze in de lobby samen een deuntje op een piano. Er kwam zelfs iemand op het hilarische idee om met een grote leren bal een potje tafelvoetbal te spelen. De fotografen en journalisten vonden het prachtig en de sfeer was ontspannen.

Maar later die middag, tijdens de eerste en enige training met Delfour in stadion-Parc des Princes, ontdekten de Nederlanders al snel wat hun grootste probleem was.

“We hadden slechts één echte verdediger, Cor van der Hart. Verder waren het allemaal aanvallers en een paar middenvelders. Het was een bij elkaar geraapt zooitje’, herinnert Kees zich. “Hoe gaan we dit in godsnaam aanpakken? dachten we.”

Stem tot zondag 26 maart hier op je favoriete voetbalboek van 2016!

Het boek is hier te bestellen.