Voor de verkiezing van Voetbalboek van 2016 zijn twintig boeken geselecteerd. De komende weken lichten we een aantal genomineerden uit. Vandaag een hoofdstuk uit De Kist, geschreven door Yoeri van den Busken.

‘Drie keer miljonair, drie keer blut’

Het pronkstuk op het bureau van Simon Kistemaker is met gebladderd goud omrand. Links op de zwart-witfoto staat Tommy Docherty, de voormalige manager van Manchester United. Rechts Kistemaker, de grootste van de drie. In het midden zorgt George Best voor het contrast. De twee trainers dragen een clubkostuum; de bebaarde vedette een wit linnen overhemd dat tot zijn middel is losgeknoopt. Hierdoor worden een protserige ketting en het krullende zwarte borsthaar goed zichtbaar.


Vriendschappelijk hebben de drie mannen hun handen op elkaar gelegd. Gezien de ietwat geforceerde pose moet dat een verzoek van de fotograaf geweest zijn. Het is op 3 juli 1983, kort na de wedstrijd tussen Sydney Olympic en Brisbane Lions. Best komt net onder de douche vandaan, met een glimlach die verraadt dat het leven in Australië hem uitstekend bevalt. De volgende dag zullen de kranten schrijven dat hij het verschil maakte tegen Docherty, de man die in het laatste seizoen van Best bij Manchester United nog de coach van het Engelse sterrenensemble was. Irish maestro swings it for Lions.

Het waren misschien wel de meest wonderlijke weken in de trainersloopbaan van Kistemaker. Een eerste kans om in het buitenland aan de slag te gaan, had hij eerder laten lopen. Georg Kessler was in de running om technisch directeur van Anderlecht te worden. Voor de functie van veldtrainer dacht hij aan zijn protegé Kistemaker, die op dat moment bij ZFC werkte. Via een perscommuniqué bracht het bestuur van de Zaanse semi profclub het nieuws naar buiten dat de Belgen hun belangstelling officieel kenbaar hadden gemaakt.

“Sinds ik als jongste van het stel bij hem op de cursus had gezeten, was Kessler gecharmeerd van mij. We zijn in Breda gaan praten met Constant Vanden Stock, de voorzitter van Anderlecht. Anneke en ik bekeken alvast een paar appartementen in Brussel. Ze zocht gordijnen uit en vloerbedekking; zo ver waren we al. Maar toen werd ze ziek.”

“Ze ontdekte het in Portugal. Anneke droeg zomerjurkjes en had een grote moedervlek op haar rug die steeds begon te bloeden. Bleek een melanoom te zijn. De kanker was al ver uitgezaaid. Ze moest intensief behandeld worden in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Er is een heel stuk uit haar rug gehaald en een stuk uit haar dijbeen teruggeplaatst. We zijn nog een keer op vakantie geweest. Ging ze in een handdoek gewikkeld in de zon zitten. Het was een lijdensweg. In het ziekenhuis zag ik dat ze er vreselijk veel moeite mee had. Ik nam haar mee naar huis. De dokter vroeg of ik wel wist waar ik aan begon. Samen met haar moeder heb ik Anneke verzorgd. Naar het toilet dragen, wassen, aankleden. Overdag had ik amper contact met haar, was ze te ver weg. Midden in de nacht was ze helder. Hebben we urenlang over het leven en de dood zitten praten. Dacht ik vaak: Zo’n mooie jonge vrouw. Zo lief. Haal míj dan weg.”

Anneke Kistemaker was 32 toen ze overleed, op 17 juni 1976. “Zo’n tragedie verandert je leven. Zonder die kloteziekte had ik waarschijnlijk in België gewerkt, met spelers als Rob Rensenbrink. Gaat dat goed, dan stap je misschien door. Met zo’n club op je cv ligt de wereld voor je open. Maar als je moet kiezen tussen Anderlecht en je vrouw, is het niet zo moeilijk.”

Jaren later had Kistemaker wel oren naar een avontuur aan de andere kant van de oceaan. “Anneke drong erop aan dat ik de draad zo snel mogelijk weer zou oppakken. Ik moest gelukkig worden. Op haar sterfbed zei ze: ‘Je bent de moeilijkste man die ik ooit ontmoet heb. Maar ik had er geen seconde van willen missen.’ En dan ga je verder. Een tijdje leefde ik als een beest. De remmen gingen los. Kwam ik thuis en zoop ik moeiteloos een fles whisky leeg, zodat ik in slaap dommelde en alles kon vergeten. Er waren nachten dat ik in een hotel sliep, of in mijn auto. Ik heb vrouwen pijn gedaan. Die gaven alles op voor mij en dan ging ik zo weg. Ik was te rusteloos om te blijven. Je leeft een beetje buiten de werkelijkheid. Langzaam maar zeker vind je de balans terug. Daarin is voetbal voor mij belangrijk geweest. Want dan gaat het om discipline. Dan moet je er staan.”

In 1976 was hij trainer geworden van ADO ’20 uit Heemskerk, zodat hij in de buurt van zijn vrouw kon blijven. Hoewel hij steeds verder afdreef van het profmetier, gaf hij langzaam maar zeker gehoor aan haar laatste wens: hij omarmde het leven weer. “Op een feestje van ADO ’20 leerde ik Thea kennen. Zij was op dat moment nog getrouwd, maar niet meer gelukkig. Ik zat een beetje in een spagaat. Ik kon en wilde me niet opnieuw binden. Thea had twee kinderen en ouders op leeftijd. Dus terwijl ze al in mijn hoofd zat, ben ik toch vertrokken. En omdat ik een hekel heb aan afscheid nemen, was ik op een dag gewoon weg. Dat nam ze me niet in dank af. We hebben het
later uitgesproken. In Australië hield ik contact met haar. Ik had een eigen radioprogramma, Soccer with Simon. Namen we eerst de Australische competitie door, daarna de rest. Thea stuurde trouw elke week de kranten en de VI op. Zo bleef ik een beetje op de hoogte van het voetbal in Europa.”

Brisbane Lions wilde naar de top van de hoogste afdeling. Eigenaar Lawrence Oudendyk was een succesvolle advocaat van twee meter, met Nederlandse voorouders. Thuis koesterde hij de posters van de elftallen die in de jaren zeventig twee WK-finales verloren. De shirts van Brisbane Lions waren oranje en daarop stond de KLM als sponsor.

Uit de documenten die hij heeft bewaard, blijkt dat Kistemaker op 27 oktober 1982 een overeenkomst sloot met de overkoepelende organisatie Hollandia Sport and Social Club. De eerste Nederlandse voetbalcoach op Australische bodem ging 350 dollar per week verdienen en hij kreeg een auto. Twee derde van zijn telefoonrekening werd vergoed. Het kampioenschap zou hem een premie van vierduizend dollar opleveren.

Op voetbalgebied was Australië in de jaren tachtig een ontwikkelingsland. Alles draaide om rugby, cricket en het zogeheten Aussie Rules, een soort variant op rugby. “Op pagina vijf van de sportkranten kwam je pas de eerste voetbalverslagen tegen’, zegt Kistemaker. ‘Ze vonden het een sport voor vrouwen. A sissy’s game.”

Het niveau vergeleek hij met de Nederlandse hoofdklasse. Buitenlandse toppers op leeftijd werden als legionairs uit Europa gehaald om de sport een impuls te geven. “Ik wilde Johan Cruijff hebben. Allerlei mensen waren ermee bezig. Hij kon zijn kledinglijn daar lanceren en promoten. Met de premier van Queensland – een gebied zo groot als West-Europa – hadden we geregeld dat Johan een uitgebreid tv-interview kreeg. Er lag een enorme afzetmarkt op hem te wachten. Er zou een fabriek voor zijn voetbalspullen komen. Ik denk eerlijk gezegd dat Johan er weinig van heeft meegekregen. Alles liep via zijn zaakwaarnemer Hans Muller. Maar uiteindelijk ging het niet door omdat Johan Ajax een hak wilde zetten en nog even naar Feyenoord ging om landskampioen te worden.”

Het alternatief was George Best, dribbelkoning en drinkebroer. De exponent van The Swinging Sixties won in 1968 met Manchester United de Europa Cup voor landskampioenen. Best scoorde in de verlenging tegen Benfica. Ook werd hij gekroond tot beste speler van Europa. Daarna veroverde hij meer schoonheidskoninginnen dan prijzen.

In het midden van de jaren zeventig onderhield hij een haat-liefdeverhouding met de Engelse voetballerij. De ene helft vergaf hem zijn zonden, de andere helft kotste hem uit. Als voetballer leidde hij een nomadenbestaan, voortdurend op zoek naar de hoogste bieder die zijn losbandige levensstijl kon financieren. Na zijn gedwongen vertrek uit Manchester versleet hij elf clubs in een tijdsbestek van twaalf jaar. In Amerika trok hij door Los Angeles, Florida en San Jose. Hij had zo zijn eigen manier om dat soort keuzes te verklaren. “Waarom ik naar dat deel van de wereld ben gegaan? Omdat ik een advertentie zag waarop stond: Drink Canada Dry.”

In 1982 belandde hij in een afkickcentrum en in november werd hij failliet verklaard. Het is dat hij in zijn vaderland nog één officieel duel voor het nietige Tobermore United speelde, anders was Brisbane Lions zijn laatste werkgever geweest.
Het was in Australië toegestaan gastspelers voor maximaal vijf wedstrijden in te huren. Kistemaker herinnert zich nog goed hoe de womanizer arriveerde in het Crest Hotel. Het was alsof een Hollywood-ster zijn entree maakte. Notabelen en journalisten tuimelden over elkaar heen. Buiten, op het terras, zat Kistemaker onverstoorbaar te wachten onder een parasol. Hij dronk een glas bier en hoorde Best aan zijn gevolg vragen: ‘Who is the boss?’

“Hij kwam naar me toe en wilde eindelijk eens over voetbal praten. Geen spoortje van kapsones, dat viel me meteen op. Ook in Australië was hij nog steeds een legende. En hij had een reputatie, hè, die loog er niet om. Drie keer miljonair, drie keer blut. De mooiste wijven gewipt. Maar ik heb hem leren kennen als een bescheiden, correct mens.”

In de kleedkamer zorgde zijn breed uitgemeten komst meteen voor de nodige hilariteit. Onder de douche stond een jonge Australische speler een tijdje het geslachtsdeel van Best te observeren. Toen vroeg hij: ‘Georgie, mag ik ’m voorzichtig even aanraken? Heel eventjes maar. Want dat ding heeft wel drie Misses World van binnen en buiten gezien. Toen-ie waarschijnlijk iets groter was.’

Kistemaker is de enige Nederlandse trainer die met het Ierse fenomeen heeft gewerkt, ook al ging het om een korte periode. Van een excessieve drankverslaving merkte hij die julimaand niets. Best kon het zich ook niet permitteren in het openbaar, omdat hij een verklaring had getekend dat hij de fles moest laten staan. Om zijn goede bedoelingen te illustreren liet hij zich in het spelershotel naast Kistemaker fotograferen, proostend met een colablikje.

“Ik geloof dat hij vijfduizend dollar kreeg per week, zo in het handje. Dus het was de moeite waard om even bij de les te blijven. Vrouwen, dat was een ander verhaal. Hij trok ze aan, als een magneet. Hij logeerde in het duurste hotel. Ik zette hem na de training af. Daar stonden ze op hem te wachten. Best zocht er dan twee of drie uit, stak zijn hoofd nog even door het autoraam en knipoogde. ‘See you tomorrow, boss.’

Hij heeft ook weleens gevraagd of ik misschien zin had in een feestje. Ik was er toen niet vies van, hoor, maar dat leek me geen goed idee. De spelers hadden me al een keer getest door een vrouwtje te bellen. Ze klopte op de deur van mijn hotelkamer en zei: ‘They’ve paid me to spend the night with you.’ Ik wist dat die banjers ergens achter een pilaar stonden toe te kijken of ik zou happen. Dat ruik je, dat voel je. Als je dan voor de bijl gaat, verlies je in één klap je status als hoofdcoach.”

Kistemaker arriveerde in Brisbane als de grote onbekende. Gemakshalve schreven de media dat de witte reus uit Ymuiben bij de eredivisieclubs Haarlem en Telstar had gewerkt. In beide gevallen klopte dat niet. Omgekeerd meldden Nederlandse kranten dat Brisbane Lions gemiddeld twintigduizend toeschouwers trok. Het was niet de tijd dat dergelijke gegevens eenvoudig via het internet konden worden gecheckt. In werkelijkheid vonden de thuiswedstrijden plaats in Perry Park, met één schamele tribune met een paar honderd stoelen. Aan de andere kant zaten families in het gras te picknicken.

Die cultuur wilden Oudendyk en Kistemaker veranderen. De eerste Nederlandse profcoach in Australië stelde zich ten doel bij de eerste vier te eindigen. Begin maart belegde hij nog een driedaags trainingskamp in het Palm Resort aan de kust. Zijn spelers wisten gelijk met wie ze te maken hadden. Om zeven uur werden ze uit hun bed getrommeld voor een strandloop. Op het nuttigen van een biertje stond een boete van vijftig dollar.

Iedereen moest aan zijn aanpak wennen. Pas op de vierde speeldag boekte Brisbane de eerste zege. Een plaatselijk medium betitelde Kistemaker als een loudmouth. “In het begin krijg je een paar draaien om de oren. Je zag die mensen denken: Hebben we daar nou een buitenlandse coach voor gehaald? Ik was van start gegaan met een hoop oudere spelers, die waren het niet gewend tegenstanders vast te zetten en af te jagen. Maar met name de jongeren waren lijp van me. Een hoop studenten, met de wil om hard te werken. De hele dag stond ik op het veld, ik nam zelf de keepers onder handen. Hadden ze nog nooit meegemaakt. Gaandeweg ging het niveau omhoog. Een paar rijke ploegen speelden we zoek. Die gasten zagen dat ze beter werden. Sommigen haalden het nationale elftal. En Best was nog steeds weergaloos met de bal aan zijn voet. Hij kon ’m met links en rechts neerleggen waar hij wilde. Ik heb hem nog een vrije trap in de kruising zien schieten. Uit stand. Kon geen schaamhaartje tussen.”

In de krant stond: Best not at best. But he’s still classy. “Ik zette hem hangend op links, zodat hij zijn krachten kon sparen. Begonnen die jonge binken te zeiken dat hij zijn mannetje liet lopen. Lul niet, zei ik. Wat hij in zijn pink heeft, hebben jullie nog niet in je hele lichaam. En dat krijgen jullie ook nooit. Ze moesten gewoon hun kloten eraf lopen voor Best. En dan viel er op dat niveau bij vlagen nog wel wat te genieten. Maar hij was 36 en natuurlijk allang over zijn hoogtepunt heen. Sportief gezien had ik liever Cruijff gehad. Die was 35 en nog topfit. Dat heeft hij bij Feyenoord laten zien.”

“Ik trainde gewoon scherp, zoals ik altijd deed, en Best moest mee. Kwam-ie voorbij sjokken. Fucking German! Elke keer als hij werd afgeknepen, noemde hij mij een Duitser. Misschien had hij daar een bepaalde associatie bij, ik weet het niet. Dan schold ik net zo hard terug. You Irish poofter! Ze hadden nog nooit een coach gehad die zo kon vloeken. Het is niet opschepperig bedoeld, maar het heeft met je persoonlijkheid te maken of je met zulke grootheden overweg kunt. We respecteerden elkaar en hij was niet te beroerd iets extra’s te doen. Die Aussies konden geen bal goed voor de goal krijgen. Heb ik Best erbij gehaald. Vier man op de flanken. Eerste paal, tweede paal; de bekende oefeningen. En dan stond hij alles voor te doen en geduldig uit te leggen hoe het moest.”

De twee belangrijkste wedstrijden van het jaar – tegen stadgenoot Brisbane City en Sydney Olympic – werden gewonnen. “City was de grootse club in Brisbane”, zegt Kistemaker. “Daar zat het geld van Italiaanse immigranten en de sponsors.” Best excelleerde in het duel met Docherty. Voor de hereniging met de coach had hij zich speciaal opgeladen. Uit het lokale dagblad: George Best thrilled the Perry Park crowd yesterday, as he inspired Brisbane Lions to a gripping 2-1 victory over top team Sydney Olympic.

Maar ook Best kon Brisbane niet aan een reeks overwinningen helpen. Na zijn hoopvolle debuut volgden op 8, 10 en 17 juli twee nederlagen en een gelijkspel. De laatste wedstrijd van Best deed nog een hoop stof opwaaien. Brisbane speelde in Sydney tegen Marconi en Kistemaker had bedacht hoe hij Tony Henderson, de gelouterde aanvoerder van de tegenpartij, uit zijn evenwicht kon brengen.

“Vanwege zijn staat van dienst in de nationale ploeg werd hij Captain Socceroo genoemd. Een reus van een vent met blond haar die snel geagiteerd kon raken. We stonden met 1-0 achter, ik riep Russell Stewart bij me en zei: Bij de volgende corner grijp je ’m bij zijn kloten. En dan goed vasthouden. Russell was een jong boefje en durfde het wel aan. Henderson haalde gelijk uit, Stewart ging knock-out in het strafschopgebied. Zijn neus zat tegen zijn gehemelte aan. Maar Henderson kreeg rood en wij kregen een penalty. Alan Niven, onze aanvoerder, scoorde. Toen brak de pleuris uit. Publiek kwam het veld op, wij moesten onder politiebegeleiding naar de luchthaven. Om kosten te besparen vlogen in die tijd alle sporters uit dezelfde stad met z’n allen naar uitwedstrijden. Dus de rugbyers uit Brisbane en die andere gasten van het Aussie Rules zaten al een tijdje op ons te wachten. Stewardessen die af en aan liepen met bier en whisky, werden opgetild en met hun dienblaadjes door het gangpad gedragen. Op een gegeven moment moest de piloot ingrijpen. ‘Don’t touch the stewardess, or we will not serve drinks anymore.’ Je kunt je nu niet meer voorstellen dat het om een grote groep topsporters ging. Dat vliegtuig hing scheef van de drank.”

Na veertien competitieduels lag George Best alweer ergens in een Engelse goot en stond Kistemaker met Brisbane Lions op de derde plaats van onderen. Dat was een forse tegenvaller. De goede band met zijn spelersgroep en de doorstroming van jonge talenten wogen niet op tegen de hunkering naar een inspirerende ambiance. Buiten Brisbane kwamen er nog wel vijf- tot tienduizend mensen op de wedstrijden af. Thuis werd het dieptepunt bereikt tegen Canberra: 150 toeschouwers.

Het was oktober 1983 en John Morcus, de voorzitter, zag Kistemaker worstelen met zijn ambities. Een beschamende nederlaag tegen hekkensluiter Wollongong zette hem aan het denken. “Ik zou sowieso terugvliegen voor een vakantie en de feestdagen in december. Morcus was bang dat ik in Nederland zou blijven en legde een verbeterd contract op tafel. Ik vertelde dat geld voor mij niet de belangrijkste reden was en dat ik hoe dan ook terug zou komen. ‘Teken nou maar’, zei Morcus. In een opwelling heb ik dat gedaan.”

De vrees van Morcus bleek gegrond. Het noodlijdende FC Volendam had hoofdtrainer Cor van der Hart naar huis gestuurd en achtte diens assistent Joep Steur niet in staat het elftal voor degradatie te behoeden. Kistemaker ging overstag. De verontwaardiging in Brisbane was aanvankelijk niet van de lucht. “Twee weken geleden vroeg hij of we ons vertrouwen in hem wilden uitspreken; nu vertelt hij ons dat hij stopt”, bitste Alan Niven in Australische kranten.

Aan de andere kant rees ook de waardering voor de op dat moment 43-jarige vakman, die werd omschreven als een van de meest toegewijde coaches in de profcompetitie. Bovendien was het niemand ontgaan dat talloze jonge spelers onder zijn leiding waren doorgebroken. Met zorg waakte hij over hun welzijn. Toen de voetbalbond hem sommeerde de talenten Danny Wright en Russell Stewart uit voorzorg buiten de ploeg te houden omdat het duo was opgeroepen voor het jeugd-WK in Mexico, weigerde Kistemaker. Hij had zowaar een tweede relletje gecreëerd. Als een soort Louis van Gaal avant la lettre sprak hij in de pers van a storm in a glass of water.

Minder vleiend uitte Morcus zich aan de telefoon nadat hij had vernomen dat Kistemaker niet zou terugkeren, de door twee partijen getekende verbintenis ten spijt. “Hij schold me de huid vol. Een paar maanden later vierde hij samen met zijn vrouw vakantie in Nederland. Hij vroeg of ik kaarten kon regelen voor Volendam-Willem II. Hij genoot van de sfeer. Die avond zijn we met z’n vieren wat gaan eten op het Rembrandtplein. John zei te begrijpen waarom ik was vertrokken. Maar hij was er nog steeds ziek van.”

Medio jaren negentig zocht Australië een bondscoach. De Nederlandse emigrant Lawrence Oudendyk zat inmiddels in het bestuur van de voetbalbond en was Kistemaker niet vergeten. Hij schreef nog een aanbevelingsbrief naar David Hill, de voorzitter. De keuze viel uiteindelijk op de Engelsman Terry Venables. “Anders was niet Guus Hiddink, maar ik de eerste Nederlandse bondscoach van Australië geworden”, zegt Kistemaker.

Alles overziend stelt hij vast dat hij te vroeg is vertrokken. “Ik had Thea moeten laten overkomen. Dan was ik daar misschien nog twee, drie jaar gebleven. Ik leidde een leventje als een luis op een zeer hoofd. Leuk salaris, auto, appartement. Kon doen en laten wat ik wilde. Mooi klimaat. Mooie velden. Oudendyk was gek van voetbal. Samen bekeken we tientallen wedstrijden bij hem thuis. We struinden de lagere divisies af, op zoek naar jonge spelers die we konden kneden. Zo bouwden we in de loop van het seizoen een aardig elftal op. Hij adviseerde mij nog een paar appartementen te kopen aan de kust. Ik had het geld niet. Oudendyk kocht er vier. Nu is hij schathemeltjerijk.”

“Ik was gevallen voor het avontuur en hoopte ook een stukje Engels voetbal aan te treffen. Maar wat mij tegenstond, was dat voetbal totaal niet leefde. In Volendam had ik dat gevoel weer. Stond ik lekker in de prut. Elke wedstrijd was een gevecht. Met Brisbane vlogen we naar uitwedstrijden met twaalf man om kosten te besparen. Verder geen wissels. Ter plaatse huurden we een fysiotherapeut in. Tegenwoordig heten ze Brisbane Roar en spelen ze voor dertigduizend mensen in een modern stadion. Voetbal wordt voor vol aangezien en ook diverse Nederlanders spelen daar een rol in. Ik zat er in de verkeerde tijd.”

Stem tot zondag 26 maart hier op je favoriete voetbalboek van 2016!

Het boek is hier te bestellen.