Voor de verkiezing van Voetbalboek van 2016 zijn twintig boeken geselecteerd. De komende weken lichten we een aantal genomineerden uit. Vandaag een hoofdstuk uit Mijn zoon, Ajacied, geschreven door Hajo de Boer.

In Piet Keizer


Rob Wielaert, een van de meest kleurloze voetballers die ooit een Ajax-shirt droeg, was in een interview aan het klagen over het gebrek aan interesse dat trainer Jol voor hem aan de dag legde. “Hij praat nooit met me”, zei Rob verongelijkt. “Het enige dat hij af en toe vraagt, is ‘Hoe zijn de beentjes?’ en dan kijkt hij me er niet eens bij aan.” Rob was kort daarvoor zijn basisplaats kwijtgeraakt, maar ik geloof niet dat het na dit huilerige interview ooit nog iets is geworden met zijn voetbalcarrière.

Ik heb bewondering voor Jol en zijn inzicht in de psyche van de profvoetballer. Hij beheerst de kunst van de subtiele vernedering tot in de finesses en kan daarmee het zelfvertrouwen van een volwassen man volledig ondermijnen.

“Hoe zijn de beentjes?” was ook onderdeel van het vaste zaterdagochtendritueel dat ik met Bruno had. Ik stelde hem die vraag altijd wanneer ik met hem in de auto op weg was naar een wedstrijd. Niet om zijn zelfvertrouwen volledig te ondermijnen, maar gewoon voor de gezelligheid. En ik vond het prettig om hem daarbij net iets te stevig in zijn linkerdijbeentje te knijpen. Dat kon doordat hij in zijn voetbaltenue, in korte broek dus, naast me in de auto zat. Ja, de spelertjes komen tegenwoordig in hun tenue naar de wedstrijd. Ik vind dat jammer, want daarmee wordt een belangrijk deel van het zaterdagochtendvoetbalritueel om zeep geholpen. De wedstrijd is belangrijk, maar het gedoe eromheen en de voorpret zijn dat evenzeer.


Toen ik Felix leeftijd had begon de wedstrijd eigenlijk al op vrijdagavond, wanneer de voetbaltas zorgvuldig werd ingepakt. De kicksen werden gepoetst met een reuzel-achtige substantie om te voorkomen dat het soepele zwarte leer veranderde in onbuigzaam, stug, scheurend karton (kicksen waren destijds gemaakt van zwart leer, niet van fluorescerend roze kevlar).

We kwamen in onze gewone kleren naar de wedstrijd, niet in ons tenue. We kleedden ons bedaard om, terwijl de leider en coach de tactiek bespraken. De scheenbeschermers, destijds gewoon twee stukken hard kunststof (en dus geen ergonomisch gevormde sleeves op basis van ruimtevaarttechnologie), werden op hun plek gehouden door eerst de sok eroverheen te trekken en vervolgens papieren schilderstape onder en boven de scheenbeschermers om het been te wikkelen. Die sok was door de vele wasbeurten hard en stug geworden. Alle elasticiteit was uit het textiel verdwenen en de voet moest er met kracht in gewurmd worden. Een onprettige sensatie.

Nadat je je had omgekleed, haalde je een klein potje tijgerbalsem tevoorschijn, zodat je met professioneel glimmende dijbenen het veld op kwam. Die geur van tijgerbalsem was ook lekker. Ik hoef het maar te ruiken of ik zie mezelf weer zitten, tussen de tweelingbroertjes Duis (gave techniek), Nieuwenhuis (verwoestend schot), Schröder (kon niet voetballen, maar vader zat in het bestuur) en Heisterkamp (keeper).

Dat is dus allemaal niet meer. De heertjes komen gewoon in wedstrijdkleding naar de club en gaan ook vaak gewoon weer in datzelfde tenue, zonder gedoucht te hebben, naar huis. Oké, er wordt tegenwoordig bijna alleen nog maar op kunstgras gespeeld. Soms kom je ergens diep in de polder nog weleens een echt veld tegen. Dat vinden de jongetjes dan ‘vies’. Zwart van de modder het veld af komen komt dus bijna niet meer voor en douchen is dan ook niet zo heel noodzakelijk. Maar toch: fris gedoucht met natte haren smaakt dat broodje kroket in de kantine toch lekkerder.

“Tegenwoordig gaan alle wedstrijden gewoon door, ook als het heel erg geregend heeft”, is het argument dat voorstanders van kunstgras aanvoeren. Maar dat is nou juist het erge. Bellen naar het speciale telefoonnummer, waar een antwoordapparaat uitsluitsel gaf, spelen of niet spelen, dat was ook onderdeel van het ritueel.

Gelukkig worden de tradities bij Ajax zorgvuldig in ere gehouden en begrijpen ze het belang van de rituelen rond een wedstrijd of een training. Er wordt zelfs een flinke schep bovenop gedaan. De eerste bijeenkomst van het seizoen vond plaats in een van de kleedkamers op de Toekomst, waar de ouders werden toegesproken door de trainer en de leider van de F1. Deze sessie was helemaal gewijd aan het protocol, een reeks voorschriften waaraan ouders en spelers zich dienden te houden. In een hoekje van de kleedkamer zat ik stilletjes te genieten.

Al voordat er een woord was gesproken werd je in de juiste stemming gebracht: de kleedkamers hebben geen nummers, zoals je dat bij de meeste clubs tegenkomt (“We zitten in 4”), maar namen van legendarische Ajax-spelers. Als er op de Toekomst een kleedkamer naar je is vernoemd, dan weet je dat je niet voor niets hebt geleefd. Er is bijvoorbeeld géén kleedkamer vernoemd naar Rob Wielaert. Tijdens deze bespreking zaten we in Piet Keizer. Een man die voor zover ik weet nooit klaagde over de manier waarop Rinus Michels met hem praatte.

Alle aanwezigen (geen kinderen, alleen een groepje verwachtingsvolle ouders) hadden bijna de hele zomervakantie vol verwachting uitgekeken naar dit moment. Nu ging het allemaal écht beginnen. Om maar geen misverstand te laten bestaan over wat er belangrijk is, begon de ‘voorbereiding op het seizoen’ al weken eerder dan de school, en hadden we ons verblijf in Italië aangepast aan het trainingsschema dat we van coördinator Michel Hordijk gekregen hadden. Vakantie, dat is iets om heel even uit te rusten van het voetbalseizoen. En er is geen reden om die periode langer te laten duren dan strikt noodzakelijk. Niemand vond dat een probleem. De meeste ouders zouden ook bereid zijn geweest om hun hele vakantie in een tentje op de parkeerplaats van sportpark de Toekomst door te brengen.

We moesten dus eerder terugkomen uit Italië, maar er werd wel een heerlijke worst voor je neus gehangen om je terug te lokken naar Nederland: De Kledinguitgifte. De Kledinguitgifte, meteen op de allereerste officiële dag van het Ajax-seizoen, is een traktatie voor voetbalshirtjes-fetisjisten zoals ik. De spelers krijgen een enorme tas, met Ajax-logo erop, die vol zit met spullen. Kledingsponsor Adidas doet enorm zijn best om het jeugdige keurkorps er piekfijn bij te laten lopen.

‘s Avonds stalden Felix en ik de inhoud van de tas uit op de vloer van de woonkamer. Twee verschillende keeperstenues. Trainingspakken met lange broek, met korte broek, met korte mouwen, met lange mouwen, alles in twee- of drievoud, want anders is er voor de moeders natuurlijk niet tegenop te wassen. De nieuwste en duurste modellen Adidas-kicksen en -zaalvoetbalschoenen, loopschoenen, twee paar professionele scheenbeschermers, een bidon (bij Ajax consequent uitgesproken met de klemtoon op de eerste lettergreep, dus bídon), keepershandschoenen (twee paar, mét of zonder fingersave al naar gelang de voorkeur), badslippers, regenjacks en winterjas (één van de trainingspakken wordt in Ajax-jargon aangeduid als het ‘hotelpak’: “Graag om 7.30 uur verzamelen in hotelpak”).

De Kledinguitgifte was een logistieke uitdaging, want de jongetjes moesten (bij de afdeling ‘Facilitair’) de juiste maten aangemeten krijgen. Nadat de jongetjes hun gloednieuwe spullen hadden aangetrokken, werd er een teamfoto gemaakt, een photo opportunity voor de ouders (en grootouders, vrienden en bekenden) die zich met hun smartphones achter de fotograaf posteerden om de plaatjes vervolgens onmiddellijk op Facebook te zetten (ja, ik ook), stiekem hopend op de bewondering en afgunst van vrienden die op dat moment nog ergens op een strand hun tijd lagen te verdoen.

Het was hartje zomer, er heerste een vrolijke opwinding op het sportcomplex. Voor veel ouders en spelers (waaronder Felix en ik) was alles nieuw. De jongens kwamen voor het eerst in hun gloednieuwe outfit naar buiten, onder applaus en langs een cordon volwassenen die dit tafereel fotografeerden met hun telefoon. Dit was een dag waarop de naam van het sportcomplex, de Toekomst, goed gekozen leek.

Voor de groep die in Piet Keizer bijeen was gekomen, stonden Dennis de Haan en Joop Leeuwendaal. Dennis de Haan is een voormalig jeugdspeler van Ajax, en inmiddels al zestien jaar trainer van de jongste jeugd. Een kleine, graatmagere man met een ingevallen gezicht, die vanaf deze eerste kennismaking door Kabul De Dood van Pierlala werd genoemd (niet tegen hem natuurlijk, maar achter zijn rug).

Joop Leeuwendaal is vooral bekend als zanger van het lied dat bij elke thuiswedstrijd door de Arena schalt (Ajax één, rood-witte schare, dappere strijders, fier en koen. Geen club die ons kan evenaren. Rood en wit wordt kampioen). Hij is een van die tientallen, misschien wel honderden vrijwilligers die in ruil voor een Ajax-trainingspak en een stapeltje consumptiebonnen zich drie slagen in de rondte werkt voor zijn grote liefde. Joop stapt al meer dan tien jaar, meerdere keren per week, op zijn scooter om in weer en wind langs de lijn te gaan staan bij de F1, als teamleider. Naast het regelen van praktische dingen rond het team, bestaat zijn taak er vooral uit dat hij twintig keer per wedstrijd tegen het jongetje dat rechts voorin speelt roept dat hij “het breed moet houden” en “nou eindelijk eens gewoon aan de zijlijn moet komen voetballen”. Met een stem die – als geoefende zanger – over het hele complex schalt, licht geïrriteerd over zoveel hardleersheid en met onvervalst Mokumse tongval.

Dennis en Joop ‘doen’ al een jaar of tien samen de F1, en dat was te merken. Als een ingespeeld duo vulden ze elkaar aan. De ouders hingen aan hun lippen.

“Welkom bij Ajax. Een heel spannende dag natuurlijk vandaag voor de kinderen. Het wordt nu een beetje echt hè, allemaal. Nou, ik ben dus Dennis de Haan, al zestien jaar trainer van de F1. Vroeger zelf ook bij Ajax gevoetbald en daarna dus een beetje het trainersvak in gerold. En naast me staat Joop, met wie jullie dit seizoen een heleboel te maken gaan krijgen, als leider van de F1.”

Joop keek met een licht spottende blik naar de toehoorders en knipoogde, maar niet naar één iemand in het bijzonder.

“Ja ik ben dus Joop, ik doe dit al tien jaar samen met Dennis. Voor alle praktische dingetjes rond het team moet je bij mij wezen. Daarom heb ik hier een lijstje met jullie namen en gegevens, die laat ik effetjes rondgaan, dan kunnen jullie even controleren of het klopt allemaal. En ik heb hier het huishoudelijk regelement, dat moeten jullie allemaal uit je hoofd leren en dan is er volgende week een overhoring.” Opnieuw knipoogde hij. Een deel van de ouders lachte, een ander deel staarde hem met open mond aan. Nadat iedereen een A4’tje had gekregen, ging Joop verder.

“Voor jullie zijn wij natuurlijk gewoon Dennis en Joop. De kinderen noemen ons meneer De Haan en meneer Leeuwendaal. Dat vinden sommige mensen ouderwets, maar zo doen we dat nou eenmaal bij Ajax.”

“Of trainer”, vulde Dennis aan.

“Ja, of trainer, of leider, dat mag natuurlijk ook. Zoals jullie weten is het drie keer trainen. Op maandag, woensdag en vrijdag. Op dinsdag is er ook nog een facultatieve training”, zei Joop.

“En die is dus echt facultatief hè, daar hoef je echt niet naar toe te komen”, ging Dennis verder. “Wij realiseren ons ook dat het voor jullie met brengen en halen en de combinatie met werk en misschien nog broertjes en zusjes ook een flinke belasting is, dus die dinsdag is echt vrijwillig. Dus niet dat je denkt dat je daar later op wordt afgerekend of zo, dat je wel of niet op de dinsdagtraining bent geweest.”

“Nou, maar ik hou het wel allemaal bij hoor, daar heb ik een speciaal boekie voor”, zei Joop. Knipoog.

“Maar alle gekheid op een stokje”, zei Dennis, “Ajax is geen gewone club. En het gaat hier allemaal iets serieuzer dan bij een gewone club. Er zijn twee dingen die wij heel belangrijk vinden. Je komt op tijd. Dat is één. En je zorgt dat je spullen in orde zijn. Dat is twee. De Ajax-kleding is bedoeld om bij Ajax te gebruiken. Wij begrijpen wel dat het verleidelijk is om ook in je vrije tijd in een Ajax-trainingspak rond te lopen, maar dat is absoluut niet de bedoeling.”

“Ja, dat was mooi laatst”, zei Joop met een grijns. “Was een speler naar de Efteling geweest, in zijn Ajax-trainingspak. Daar komen we toch niemand tegen, dachten ze, dan kan het wel. Had z’n moeder foto’s op Facebook gezet. Niet zo slim.”


Dennis: “En dan wordt daar dus wel werk van gemaakt. Het mag niet. Klaar. Bij de trainingen zijn de kinderen een halfuur voor het begin voor de training in de kleedkamer, in hun gewone kleren. Dat lijkt lang, maar wij hebben de ervaring dat die kinderen van alles in hun hoofd hebben als ze hier aankomen, ze hebben misschien wel van alles meegemaakt op school. En dan is het lekker dat ze even een rustmomentje hebben voordat de training begint. De kinderen moeten zelf een bídon met water meenemen naar de training. En na de training moeten de kinderen altijd douchen. Geen uitzonderingen. Zijn daar nog vragen over?”

Geen vragen. Joop liet het voorgaande even bezinken voordat hij verderging. “Wat heel veel mensen gek vinden, is dat je hier niet mag komen kijken naar de training. En dat is niet omdat het geheimzinnig is of zo. Maar zo kunnen we in alle rust met de jongens werken. Als ze een keer een schop krijgen en hun moeder staat langs de kant, dan gaan ze zich heel anders gedragen. Dan gaan ze op de grond liggen janken, maar als hun moeder er níet is, dan staan ze gewoon weer op. Heel gek is dat. En als hun vader er staat, gaan ze elke keer als ze een leuke actie maken naar hun vader kijken, zo van ‘heb je dat gezien pa?’, en dan zijn ze dus de hele tijd met andere dingen bezig. Vroeger mocht iedereen komen kijken, maar daar zijn we mee gestopt. En dat bevalt prima.” Knipoog.

“Wat wij ook vaak merken, is als de kinderen te laat naar bed gaan. Het is natuurlijk best een belasting, dus het is heel belangrijk dat ze genoeg slaap krijgen”, zei Dennis.

Joop: “En we hebben het meteen in de gaten hoor, als ze laat naar bed gaan. Dan zeg ik gewoon: heb je die goal van Messi gezien gisteravond? En dan roepen ze ‘ja’ in hun enthousiasme, en dan weet ik genoeg, want die goal viel om kwart over tien.” Knipoog.

Dennis: “Over twee weken hebben we al het eerste toernooi, in Appingedam. Dan gaan we op vrijdag weg en slapen de kinderen bij een gastgezin, dat is best spannend voor de kinderen, zo’n nachtje weg. We hebben later in het seizoen een toernooi op Texel. Dan denken de kinderen echt dat ze naar het buitenland gaan, op de boot en zo. Dat is een heel mooi toernooi, daar gaan we al heel lang elk jaar naar toe.”

Joop: “Dat vergeten die kinderen nooit meer. Laatst kwam Stefano Denswil nog naar me toe. ‘Weet u nog leider, dat toernooi op Texel?’ Die jongen speelt nu in de Arena tegen AC Milan, maar hij heeft het nog steeds over Texel. We komen altijd bij hetzelfde hotel. Heel leuke mensen. Goed eten. En dan zeggen die kinderen nog weleens dat ze iets niet lusten, zo van ‘leider, ik lust geen sla’. Nou, ik kan je vertellen, bij Joop eten ze wél sla.”

Je kunt Mijn zoon, Ajacied via deze link bestellen.

Je kunt nog tot zondag 26 maart hier stemmen op je favoriete voetbalboek van 2016!