Voor de verkiezing van Voetbalboek van 2016 zijn twintig boeken geselecteerd. De komende weken lichten we een aantal genomineerden uit. Vandaag een hoofdstuk uit De wereld volgens Gijp, geschreven door Michel van Egmond.

Dinsdag 8 december 2015, 15:57 uur

The Harbour Club, Rotterdam

Restaurant The Harbour Club is de imposant glimmende verzamelplaats voor het meest uitbundige deel van de Rotterdamse chic, gelegen op een van de mooiste plekjes van de stad, midden in het groen aan het einde van de imposante Parklaan, vrijwel in de schaduw van de Euromast. Het bewind wordt er gevoerd door Koen, die precies de juiste semi-joviale toon hanteert die past bij deze gelegenheid, en waar de ontvangst tot grote vreugde van René van der Gijp ook nog eens wordt verzorgd door knappe blonde gastvrouwen op wie hij stuk voor stuk een beetje verliefd is. Het is al een tijdje zijn favoriete plek in de stad.

Iedereen kent hem hier en weet dat hij zijn auto altijd pal voor de deur parkeert, en dat hij graag op dezelfde plek aan hetzelfde tafeltje zit en daar over het algemeen ook dezelfde dingen doet. Hij begint na binnenkomst altijd direct zijn spullen uit te stallen en recht te leggen – bril, telefoon, sleutels, soms een agenda, nog een bril – en vraagt dan om ‘een watertje, met prik, een grote fles’ en ‘het menukaartje’, hoewel hij negen van de tien keer toch hetzelfde bestelt. De steak sandwich of de gegrilde tonijn met spaghetti.

‘Hier,’ zegt hij nu bij binnenkomst in zijn favoriete restaurant, iets minder dan een halfuur na het afgesproken tijdstip. ‘Moet je dit eens lezen.’

Hij overhandigt een brief. De afzender is een onbekende maar trouwe kijker van Voetbal Inside. Hij had Van der Gijp een tijdje terug op televisie horen vertellen over de stichting Support Casper, die de strijd aangaat met alvleesklierkanker. ‘Wat denk je? Een paar dagen na de uitzending kreeg die man te horen dat hij het zelf had. Alvleesklierkanker. Niets meer aan te doen. Hij verwacht nog maar een paar maanden te leven. Erg hè? Maar nu komt het: die meneer heeft nagedacht, schrijft-ie, en hij biedt nu aan om op televisie te komen sterven. Live in de studio, tijdens een uitzending van Voetbal Inside. Om zo wat extra aandacht op te wekken voor de Stichting. Doodgaan op tv dus. Zie je het voor je? Eerst het laatste nieuws van Heracles, dan Johan met de Toto en dan iemand die doodgaat. Zoiets. Dit is geen grap hè? Dit is serieus.’

Hoofdschuddend loopt hij naar zijn vaste tafeltje. Dit soort dingen kunnen hem dagenlang bezighouden.

Hij praat en denkt de laatste tijd sowieso veel over de dood, veel meer dan vroeger in elk geval. Het is hem zelf ook opgevallen. Vorige keer nog, was het aan tafel een hele tijd over wijlen Fritz Korbach gegaan. Gelukkig blijft de toon ondanks alles wel altijd lekker luchtig. ‘Het zal de leeftijd wel zijn, maar ik denk de laatste tijd best vaak aan mensen die er niet meer zijn. Ook aan die malle Fritz. De laatste keer dat ik hem zag, vlak voor zijn dood, had hij zo’n buisje in zijn keel. Elke slok die hij nam, liep er dan gelijk weer uit. Toen dacht ik nog: dat was eigenlijk vanaf het begin af aan de oplossing geweest. Als al dat bier er al die jaren gewoon door een buisje weer uit was gelopen, had-ie nu nog geleefd. Ook een figuur hoor, Fritzie. Ja. Godver. Zonde man.’

Eenmaal aan zijn vaste tafeltje, met alle spullen symmetrisch genoeg neergelegd om zich te kunnen ontspannen, zegt hij dat peinzen over de dood niet van een vreemde te hebben. ‘Daar kan ik niets aan doen. Dat heb ik van mijn ouders.’ Hij omschrijft zijn vader en moeder als ‘ontzettend lieve maar ook bange mensen, met allebei in extreme mate paniek- en angststoornissen’.

Hij zegt: ‘Mijn moeder leeft nog. Ze is nu op een leeftijd gekomen waarop ze haar angsten steeds moeilijker kan onderdrukken. Ze is zo krankzinnig bang voor de dood, dat haar dagelijks bestaan daardoor inmiddels bijna onleefbaar is geworden. Ze voelt zich ook niet meer thuis in deze wereld. Alles is voor haar gevoel veranderd, alles. Niets is meer zoals ze het kende. Dat is zielig, man. Dat ikzelf me er toch geregeld toe kan zetten om bij zieke mensen op bezoek te gaan, of zelfs aan het sterfbed van iemand kan zitten, zoals bij John Blankenstein of Fritz Korbach, dat is zo omdat ik vind dat je jezelf met je angst moet confronteren. Je moet het niet altijd uit de weg gaan.

Ik ben bijvoorbeeld niet iemand die vliegen heel hoog op zijn verlanglijst heeft staan. Toch ben ik wel bereid om af en toe in zo’n toestel te gaan zitten. Ik wil bijvoorbeeld nog een keer naar Camp Nou, samen met Jantje Boskamp. Effe heen en weer, voor een wedstrijdje van Messi. Jan met een Cargo vliegtuig en ik gewoon met Arke Reizen. Eet ik op de Ramblas een bordje paella en Jan eet een kameel, of een rendier, zoals altijd. Met een litertje bearnaisesaus. En die vliegangst: daar moet ik dan maar even doorheen. Voor Messi en Jantje Boskamp heb ik dat wel over. Ik weiger me volledig te laten dicteren door mijn eigen angst. Anders zou ik ook helemaal de huiskamer niet meer uit komen.’

Dood, angst en ziekte, het zijn niet zijn favoriete gespreksonderwerpen. Tenminste, niet als het te dichtbij komt, want gek genoeg leest hij er wel veel over. ‘Het wetenschapskatern van de Volkskrant spel ik elke zaterdag. Elk medisch bericht lees ik. Ik zoek dingen uit op internet. Lees weleens een boek over kanker of zo. En soms ga ik ook naar een lezing van Caspertje. Bijvoorbeeld over de groei van tumoren, dat soort dingen.’

Caspertje is de internationaal vermaarde prof. dr. C.H.J. van Eijck, eminent oncoloog en hoogleraar algemene chirurgie, specialisatie: de alvleesklier. De spaarzame uren dat hij niet in het Erasmus Medisch Centrum verblijft, is hij de clubarts van Feyenoord. Ook is hij de beste vriend van René van der Gijp. Dat is al zo sinds de jaren dat ze samenwerkten op Het Kasteel, de een als jonge clubarts, de ander als iets te dikke rechtsbuiten.

‘Die lezinkjes van Casper zijn best te volgen voor een leek, zolang er maar niet te veel medische termen in voorkomen. Alhoewel, om mijn vriend in Latijn te horen doceren, daar kan ik ook erg van genieten, zelfs al snap ik er niks van. Dan ben ik gewoon trots op Caspertje. Kijk ’m daar nou staan, denk ik dan, mijn vriend de professor… Dat vind ik mooi.’

Hij begint opzichtig naar de ober te zwaaien.

‘Hé, doe mij zo’n steak sandwich, pikkie.’

‘Een steak sandwich? Prima René.’

‘Is toch lekker?’

‘Zeker, René.’

‘Daarom.’


Daarna praat hij over het middenveld van Arsenal (‘Azzenal’ zegt Van der Gijp altijd), over Kees Rijvers (‘lief mannetje’), over Guus Hiddink (‘slim mannetje’), over Jan Boskamp (‘geweldig mannetje’) en nog maar heel weinig over de dood, of andere zware zaken.

Het is geen straf om naar hem te luisteren, want eenmaal op dreef is Van der Gijp qua timing een raconteur van uitzonderlijke klasse. Dat heeft hij deels geleerd van een van de weinige trainers waar hij ooit ontzag voor kon opbrengen: Barry Hughes, ex-trainer van Sparta en freelance carnavalszanger annex spreker. ‘Ik heb nog nooit iemand ontmoet die beter een verhaal kon vertellen dan Barry Hughes. Echt nog nooit. Vroeger, bij Sparta, stond hij een uur voor de training al bij ons in de kleedkamer te vertellen. Dan zat je echt naar een onemanshow te kijken. Beter dan Toon Hermans en Hans Teeuwen bij elkaar. Later is hij van die after-dinner speeches gaan geven. Ik ben ervan overtuigd dat hij vroeger op ons heeft geoefend. Voetballers zijn een kritisch publiek. Hij moet hebben gedacht: als die gasten in de kleedkamer lachen, dan lachen die mensen in de zaal straks zeker. Intussen imiteerde hij iedereen, dat kon hij ook goed. Vooral Louis van Gaal. Big Louis.’

René van der Gijp heeft dit al duizend keer verteld. Maar het is nu eenmaal een van zijn favoriete herinneringen, dus laat hij zich niet weerhouden. Net als zijn leermeester Hughes geniet hij van het opdissen van een goed verhaal, zelfs al bestaat zijn gehoor uit een eenmanspubliek dat feitelijk de clou allang kent.

In de Harbour Club legt hij nog eens uit dat Hughes niet alleen precies kon voordoen hoe Big Louis liep, maar ook hoe Big Louis zijn kleren ophing, hoe hij na de wedstrijd zijn haren waste en zelfs hoe hij bij een achterstand in de rust woedend in zijn thee roerde.

‘Kijk,’ zegt Van der Gijp.

Hij heeft zijn servet afgedaan, zijn bestek neergelegd en is opgestaan. Hij gaat nu even voordoen hoe Sparta’s aanvoerder Louis van Gaal zich 35 jaar geleden voortbewoog. Het restaurant zit inmiddels halfvol. Een paar tafeltjes verderop beginnen de eerste hoofden zich al om te draaien.

Hij doet een paar stappen naar achteren.

‘Let op hè?’

Hij zet zijn voeten wijd uit elkaar, recht zijn rug, strekt op een overdreven manier zijn nek en begint dan door het restaurant te waggelen.

Het is een vreemd gezicht. Bijna valt zijn bril van zijn voorhoofd.

‘Een eend!’ giert hij, ‘Kijk dan! Hij liep als een eend, Big Louis!’

Zijn lach gaat als een brandalarm door de zaal. Een blond jongetje van twee tafels verderop, net opgestaan om een handtekening te vragen, is inmiddels weer gaan zitten.

Zo wordt het vanzelf een vrolijke middag. Pas tegen zes uur roept de plicht. ‘Nou, zullen we maar gaan, Harry?’, zegt hij. ‘Ik moet nog even boodschappen doen voor mijn moeder. Het gaat niet zo goed met haar. En dan kan ik daarna thuis nog even op de bank mijn oogjes dichtdoen, voordat vanavond het voetballen begint.’

Als hij niet in een restaurant dineert, eet hij vrijwel elke avond bij Daniëlle thuis, de moeder van zijn jongste zoon voor wie hij een paar straten verderop een huis heeft gekocht, want in zijn eigen keuken is macaroni met saus-uit-een-potje zo ongeveer het meest exotische wat er ooit op het vuur heeft gestaan.

Meestal voetbalt hij eerst wat in de tuin met Nicky, laat na het eten als dank de hond uit, kijkt daarna met Daniëlle nog een tijdje televisie, en vertrekt dan weer naar zijn lievelingsplek: zijn eigen, lege, stille, schone huis.

Als hij op het parkeerterrein van The Harbour Club staat, komt toevallig net Cor Pot aanrijden, ook in een Porsche, maar dan van iets bescheidener formaat.

Er volgt een kort gesprek.

‘Hé, René.’

‘Corretje.’

Als twee hondjes bij een lantaarnpaal besnuffelen de mannen elkaars vervoersmiddel.

‘Mooie auto, René.’

‘Ja, lekker toch?’

‘Ga je de stad in?’

‘Nee joh. Naar huis, tv-kijken.’

Stem tot zondag 26 maart hier op je favoriete voetbalboek van 2016!

Het boek is hier te bestellen.