Voor de verkiezing van Voetbalboek van 2017 zijn vijftien boeken geselecteerd. Tot zondag 11 maart lichten we de genomineerden uit. Vandaag een hoofdstuk over Rob de Wit uit Tussen Twee Finales, geschreven door Ruud Doevendans: 

Zijn acties slaagden steeds vaker, steeds meer kreeg hij oog voor zijn teamgenoten en daarmee nam ook zijn rendement toe. Hij groeide zelfs zodanig, dat Ajax hem in de zomer van 1984 aantrok en dat Beenhakker hem tegen Oostenrijk een invalbeurt gunde, een ultieme poging om een kwartier voor tijd iets te forceren. Rob de Wit kon het verschil niet maken. Nóg niet. Dat duurde nog twee weken. Toen stond de jongeling na afloop voor de camera, nonchalant kauwgom kauwend, zijn verwondering uit te spreken over wat hij daar in Boedapest toch maar even voor elkaar had gekregen.

En dat was opzienbarend. Want de media hadden over het algemeen het perspectief van het Nederlands Elftal voor het beslissende duel in het NEP-stadion als uiterst mager betiteld. Tegen Hongarije, dat al zijn wedstrijden had gewonnen, de meeste overtuigend bovendien, en er alles aan gelegen zou zijn er voor eigen publiek een waardige show van te maken. Zag Leo Beenhakker het nog wel zitten? Jawel, antwoordde de coach, want voetbal was geen wiskunde. Al speculeerde hij ook al over uitschakeling, en wat dan het vervolg moest zijn: je richten op het EK 1988.

Afschuwelijk, zo zei Beenhakker, maar misschien straks wel de realiteit. En nog maar nauwelijks was de wedstrijd op gang, of de oplettende kijker kon Leo Beenhakker al afkeurend met zijn hoofd zien schudden en een wegwerpgebaar richting zijn spelers zien maken. Eraan voorafgegaan was een breedtepass van Ton Lokhoff, verrassend weer opgesteld, die over de zijlijn ging. Beenhakker leek na tien minuten al klaar met het spel van zijn team, dat slordig was en veel foute passes kende. Ook Tahamata schoot een bal zomaar over de zijlijn. Beenhakker stond erbij en probeerde, druk bewegend als een soort breakdancer, zijn ploeg in de juiste richting te sturen. Maar die ploeg bakte er niets van in die eerste helft. De vraag was gerechtvaardigd of de spelers überhaupt wel naar Mexico wilden.

Het Nederlands Elftal slaagde er niet in op de helft van de tegenstander ook maar iets tot stand te brengen. “Defensief mag het dan aardig staan”, zei commentator Evert ten Napel, “maar aanvallend is het helemaal niks wat Nederland laat zien.” Om even later, na weer een slordige pass in de diepte, ditmaal van Adri van Tiggelen, mismoedig te verzuchten: “Nee, dit is niks. Helemaal niks.” En nog een paar minuten verder in de wedstrijd, toen Rijkaard hetzelfde overkwam: “Slecht. Slecht.” En daar was geen woord aan gelogen.

Dezelfde Ten Napel ontpopte zich na de pauze echter steeds meer als een supporter van het Nederlands Elftal in plaats van als de verslaggever van dienst. Gaf hardop adviezen aan Tahamata (“Niet wachten, Simon. Doorvoetballen!”) en Van Breukelen (“Tempo, Van Breukelen!”) en toen Van Basten kort na de rust na de eerste doordachte Nederlandse aanval de lat raakte, had hij het helemaal niet meer: “O … tegen de lat! O, vreselijk! Och, jongen … zo’n moment, die moet zitten!” Om kort daarop zijn bijna ziekelijke ongenoegen jegens Duitsers te tonen toen Ben Wijnstekers, zo op het oog onterecht, een gele kaart ontving van de West-Duitse arbiter Assenmacher: “Ach nee! Ach nee! Ach Nee! Wát kinderachtig, typisch een Duitse scheidsrechter. Bah!”

Voor Ten Napel was het Nederlands Elftal belangrijk en leken Duitsers standaard niet te deugen. Het waren nare, arrogante mensen. De Drent voelde zich de commentator van het volk, een sportjongen die de taal sprak die ook thuis, voor het televisietoestel, gebezigd werd. Waardoor hij een van hen was, net zo’n liefhebber als de aanhangers van Oranje. Het volk wilde brood en spelen, en het volk moest bediend worden. Zoals hij in de slotminuut, toen Nederland met man en macht een 0-1 voorsprong verdedigde, precies het gevoel van de televisiekijker verwoordde, toen hij bij de laatste Hongaarse aanval paniekerig uitriep “Het gebeurt niet, het gebeurt toch niet, hè, Nyilasi? Assenmacher jongen, fluit nou toch.” De ‘typisch Duitse scheidsrechter’ Assenmacher was opeens, bijna liefkozend, een ‘jongen’ geworden. Van journalistieke distantie, de vorm waar een tijdgenoot als Theo Reitsma voor koos, was dan nauwelijks sprake.

En toen even daarvoor Rob de Wit tussen een groepje verdedigers door slalomde en de doelman met een beheerst stiftje kansloos liet, ging Ten Napel zoals heel Nederland volledig uit zijn dak: “Is dit hem? Wordt dit hem? De Wit. Jaaaa! Jaaaa! Rob de Wit, wat een schitterende actie van die invaller!” En kort daarna schreeuwde hij nog een keer “Jaaaa!” en noemde hij het doelpunt absolute klasse. Wist hij veel? Geen enkele speler was op de hoogte van wat zich voor het duel achter de schermen allemaal had afgespeeld, laat staan een commentator. Iedereen dacht: jemig, wat een schitterend doelpunt van die De Wit. Hij zet ze allemaal op het verkeerde been. En dat had De Wit inderdaad gedaan, en daarmee het Nederlandse voetbal een heel goede dienst bewezen. Nederland had het onmogelijke gedaan. Voor iedereen die betrokken was bij het Nederlandse voetbal was het een hele zorg minder. En dat die verdedigers van Hongarije de poort voor De Wit opvallend ruim open hadden gezet, nou ja: was dát belangrijk? De vraag stellen was hem beantwoorden. En daarmee leek de kous af.

Maar onderzoek leerde dat er een vreemd hiaat was ontstaan in de jaarrekening van de KNVB over het seizoen 1984-1985, een tekort van liefst 527.000 gulden op de post ‘diverse lasten’. De begroting, afgegeven medio 1984, had een bedrag van 1.746.000 gulden te zien gegeven. Uiteindelijk viel er een gerealiseerd bedrag van 2.273.000 gulden te noteren. De overschrijding van ruim vijf ton was dus fors; dertig procent. Veel forser ook dan overschrijdingen, zo die er al waren, in de jaren voorafgaand aan het boekjaar 1984-1985 waren geweest. In de cijfers was het tekort vooral terug te vinden in de cijfers van de sectie Betaald Voetbal. Daar kwam men een bedrag van 382.000 gulden tekort.

Het was ook opvallend dat de overschrijding voornamelijk in de laatste maanden van het seizoen had plaatsvonden. Immers, begin april 1985 had de KNVB de prognose van de totaalpost ‘diverse lasten’ nog bijgesteld tot 1.861.000 gulden. Kortom, in de eerste negen maanden van het seizoen was er nog slechts 115.000 gulden te veel uitgegeven. In de laatste drie maanden kwam daar nog 412.000 gulden bij. Dat was precies de periode waarin Hongarije-Nederland was gespeeld…

Stem tot zondag 11 maart hier op je favoriete voetbalboek van 2017!