Voor de verkiezing van Voetbalboek van 2017 zijn vijftien boeken geselecteerd. De komende weken lichten we de genomineerden uit. Vandaag een hoofdstuk uit Rob Rensenbrink – Het slangenmens, geschreven door Bert Nederlof:

In het voorjaar van het jaar 1970 werd ik uitgenodigd om de geboorte van Robby Rensenbrink bij te wonen. Het werd een spectaculaire avond. Club Brugge speelde de eerste wedstrijd in de tweede ronde van de Jaarbeursstedenbeker tegen Ujpest Dosza. De uitslag werd 5-2 en de Hongaarse trainer Lajos Baróti was zó lyrisch over de Brugse linksbuiten dat hij vijf minuten na het eindsignaal al een naam had: ‘Slangenmens’.

Ondergetekende speelde bij Anderlecht, wat de trip riskant maakte: in Brugge houden ze niet van jongens die zondags paarswit gekleed gaan. Was mijn vriendschap met Robby al dusdanig sterk, dat ik de reis toch ondernam?

Misschien heeft onze voorzitter Constant Vanden Stock me gevraagd Robby te polsen over een verhuizing naar Anderlecht. Scouts en makelaars waren schaars in die dagen en meneer Constant deed transfers gewoonlijk met gebruikmaking van vriendjespolitiek: ‘Praat jij eens met hem, Hollanders kunnen goed met elkaar opschieten.’

Ik heb op die Brugse tribune mijn ogen uitgekeken en niet alleen op die hattrick. Nooit speelde een voetballer zo goed als Rensenbrink toen. Ook Rensenbrink niet. En Moulijn. En Keizer. Frêle Robby ging als een storm met balgevoel over het veld. Hij stak soms ook letterlijk boven de andere spelers uit.

Robby was een uitgekiende kopper. Hij ‘devieerde’, zoals de Vlamingen zeggen, hoog in de lucht de bal keurig naar de hoeken van het doel. Zelfs de reusachtige ‘Katzche’ Schwartzenbeck, stopper van Bayern München, kreeg later tot zijn verdriet met deze verfijnde luchtmacht te maken. Maar akkoord, Rensenbrink is Rensenbrink geworden dankzij de kunst van de lange dribbel.

Reeds de aanname brengt de toeschouwer in vervoering. Dat voetje. Het staat een paar centimeter van de grond schuin omhoog om de bal zacht tegen de binnenkant van de schoen dood te kunnen strijken. Schouders en ellebogen verraden al een zeker genot. Deze mens hoeft eigenlijk niets anders meer. Hij blijft dan ook even zo staan.

De hoofdcomputer werkt ondertussen op volle toeren en inspecteert de omgeving op struikelblokken, als daar zijn scheidsrechters, houthakkers en medespelers – en dan gaat het hele zaakje (Robby, bal, publiek) het avontuur van de lange dribbel in.

Bij de start oogde Rensenbrink traag, zelfs licht houterig, wat het beeld extra aantrekkelijk maakte. Zijn eerste passeerbeweging leek makkelijk te doorzien en af te stoppen, maar hij gleed altijd nét te sierlijk, je zou bijna zeggen ‘bevallig’, door de vijandelijke stellingen van de eenvoudige stervelingen met een laag nummer op de rug.

Zijn abrupte draai van 180 graden, weg van de tegenstander, zie je verder alleen bij het kunstschaatsen. Met normaal materiaal aan de voeten voltrok alles zich met oogstrelend fysiek gemak dat voor weinig voetballers en andere sporthelden is weggelegd. Roger Federer, Bart Veldkamp, Wilma Rudolph, El Guerrouy.

In de serie Verborgen verleden ging de NPO met de zwemmer Pieter van den Hoogenband op zoek naar zijn voorouders. Ze bleken uit Indonesië te komen. We zien Pieter in een dorp aan een brede rivier, een vredige plek waar zijn opa en oma woonden. Hij trekt een zwembroek aan en duikt erin.

De drone met de camera stijgt op. We kijken vanop grote hoogte naar de Olympische kampioen honderd meter vrije slag, midden in de rivier. Haaien en houthakkers verdwijnen, de schoonheid van de slag is ze te machtig. Zo dribbelde Robby Rensenbrink in het stadion. Naast de grillige lijnen die hij op het veld trok, was stilstaan een bezienswaardigheid annex ergernis.

Op de zondagmiddag was Anderlecht in het Astridpark vaak veel sterker en hokten om en nabij de twintig man samen in het strafschopgebied van onze tegenstander. De afwachtende Rensenbrink kreeg in een hoek van het strafschopgebied de bal en schoot zacht langs een liniaal naar het doel en op de een of andere mysterieuze manier passeerde het schotje dertig benen en voeten en eindigde rakelings langs de paal netjes in het net.

Robby zag een gaatje om een dodelijke naald in te steken waar alle anderen het kansrijker achtten de moker boven te halen. Zijn chirurgische precisie frustreerde en ergerde vooral op de training. We speelden partijtjes met vier kleine doelen op de hoeken van het veld. Dat betekende veel lopen om de enorme gaten te dichten.

Rensenbrink stond ergens stil, kreeg de bal en schoof ’m met die vervelende schuine voet en dat irritante oog van een meter of zestig tergend langzaam en door het midden van ons doeltje. Hij juichte niet. Zelfs gniffelen was er niet bij. Na een belangrijke goal in de Europa Cup kon er een half geheven armpje vanaf. En gauw weer, met het Robby-hoofd, naar beneden. Nimmer poespas. ‘Robby schilderde op het veld, alles was mooi aan zijn spel’

Rensenbrink maakte zijn werken ‘op weg naar het station’, wat Hugo Claus eens zei van zijn eigen kunstenaarschap. Claus bedoelde terloops, achteloos, de aandacht bij de taxi die al tien minuten voor de deur staat. Robby schilderde op het veld. De wegen die hij ging waren onvoorspelbaar mooi, en dan was er nog niet eens sprake van een goal of ander nuttig gevolg van de dribbel, maar gewoon van getrokken lijnen in het gras.

Alles was mooi aan zijn spel. Ik ken supporters van Anderlecht die niet naar een wedstrijd gingen maar naar een ‘gala’. (Ja, ruim een jaar na de memorabele wedstrijd tegen Ujpest Dosza speelde Robby Rensenbrink voor Anderlecht. Uitstekend gewerkt, scout.) Om goed te kunnen presteren moest Robby zich lekker voelen en mogen doen wat hij wilde. Zijn favoriete trainer Raymond Goethals begreep dit en nam hem voor de wedstrijdbespreking even apart. ‘Rob, blijf jij maar buiten, het gebabbel is niks voor jou.’ En de wedstrijden, zij werden gala’s.

Behalve de uitwedstrijden. De moordenaars op voetbalschoenen in de provincie verdwenen meestal geruisloos wanneer ze werden geconfronteerd met de linksbuiten uit de stad, maar soms ook kwam het schuim om hun lippen en kortte Robby zijn dribbel wijselijk in. Dapperheid was niet zijn beste eigenschap.

Na mijn eigen professionele carrière werd ik lid van Variétés Club de France, een Parijse voetbalclub van beroemde oud-spelers onder aanvoering van Michel Platini. Mijn naam is Mulder. Ze dachten dat ik Mühren van Le Grand Ajax was. We reisden over de hele wereld naar Franse koloniën voor de stichting van mevrouw de Franse president, Bernadette Chirac, die zich inzette en fondsen inzamelde voor ijzeren longen.

Op ons programma stond een wedstrijd tegen een elftal van langdurig gedetineerden op de binnenplaats van de gevangenis op het eiland Île de Ré bij Bordeaux. Op verzoek van de Variétés – Frankrijk aanbidt Rensenbrinck, met een c – belde ik Robby. Hij zegde toe en op de bewuste dag reden we samen naar Parijs, waar een vliegtuigje gereed stond om ons naar Bordeaux te vervoeren.

Na een korte bootreis aldaar werden we op het eiland begroet door een zeer wulpse gevangenisdirectrice. Tot zover vond Robby de trip redelijk geslaagd, maar toen vertelde iemand hem per ongeluk de opstelling van de tegenstander.

Doel: Moordenaar. Centrale verdediging: Samen zestig jaar voor moord. Linksachter: Zeven roofmoorden op onschuldige burgers, levenslang.

Robby: ‘Wie staat er rechtsback?’

Dertien vrouwen de keel doorgesneden.

Kijk, dan heb je aan de lange dribbelaar weinig, dan geeft Het Slangenmens niet thuis. Hij keek tweemaal drie kwartier met een half oog naar de muren van acht meter hoog of je er overheen kon.

Robby gedijt in een vertrouwde omgeving. Wereldvreemd is hij zeker niet, maar een gewone Wiener schnitzel of een vis uit de Zaan dragen, denk ik, zijn voorkeur weg.

In het kader van zijn transfer naar FC Toulouse was er een ontvangst georganiseerd in een restaurant met op het menu de plaatselijke specialiteit. Bovenop de hoofdmaaltijd, hutspot van zuurkool en cassoulet met Marokkaanse invloeden uit het Atlasgebergte, lag het glinsterend oog van een geit. De eregast werd door de burgemeester gevraagd dat oog op te eten als symbool van vriendschap en voorspoed voor de hele streek, in het bijzonder FC Toulouse. Robby liep walgend de deur uit. De trainer heeft hem nooit meer aangekeken. Vervelender voor Toulouse was dat Het Slangenmens de trainer ook niet meer zag zitten.

Rob Rensenbrink is het tegendeel van een druktemaker. Is er eenmaal ruzie in de tent en Rob voelt zich valselijk gekritiseerd of behandeld, dan mag de aanstichter van de bombarie de vriendschap als voltooid verleden tijd beschouwen. Gelukkig is Rensenbrink niet snel op zijn teentjes getrapt.

Clubgenoot Gille Van Binst van Anderlecht, een humorist en een vriend die ‘d’n Rob’ hooglijk waardeerde, kreeg van de Belgische bondscoach Raymond Goethals, voorzitter van de fanclub Het Slangenmens, in november 1973 voor de belangrijke WK kwalificatie-interland Nederland-België in het Olympisch Stadion de taak het gezamenlijk idool in de eerste minuut ‘uit’ de wedstrijd te spelen = op de sintelbaan te trappen. Gille nam de opdracht aan en dan weet je het wel: Rensenbrink werd in die eerste minuut vreselijk toegetakeld. Ja, dat is topvoetbal, lezer.

Robby houdt Goethals nog steeds in ere en is altijd bevriend gebleven met Gilbert Van Binst. Ondergetekende zou, om de band te versterken, Rensenbrink ook graag eens bedienen met een keiharde tackle. Daar komt ’ie, Robby.

Jan Mulder
augustus 2017

Stem tot zondag 11 maart hier op je favoriete voetbalboek van 2017!