Ik loop in de wijk Boothen, in Stoke-on-Trent. Ik ben hier om de plek te bezoeken waar ooit de Victoria Ground, het oude stadion van Stoke City, stond. Van dat stadion is weinig meer over. Een hek, een muur en een trappetje. Dat is het wel zo’n beetje. Voor de rest is er alleen een kale vlakte die doet denken aan een Kazachstaanse steppe. Maar ik ben hier vooral voor de omgeving, om te voelen hoe het ooit was en hoop een rauwe arbeiderswijk aan te treffen.

Boothen overtreft mijn verwachtingen. Veel nauwe straatjes met zwerfafval, doorweekte matrassen in de voortuintjes, een garage waar kilometerstanden worden teruggeschroefd door ongure figuren en kroegen met tralies voor de ramen. Er heerst de hele tijd een onheilspellend gevoel als ik er rondloop. Vanachter de gordijnen word ik in de gaten gehouden. Ik ben een pottenkijker en daardoor geen gewenste gast.


Boothen was ooit de speeltuin voor de Naughty Forty, de hooligans van Stoke City. Zij konden hier perfect hinderlagen leggen om bij uitfans de fontanel in te slaan. Al die kleine steegjes waren bijna niet te controleren voor de politie. Als gewone supporter ging je niet voor je plezier naar Stoke away. Hier ging je alleen heen als je zin had in een knokpartij. Twintig jaar geleden verhuisde de club naar de overkant van de snelweg, naast een industrieterrein. Daar zijn geen steegjes meer waar je hinderlagen kunt leggen of kroegen met tralies. Stoke City is tegenwoordig een nette Premier League-club waar families naar voetbal komen kijken en uitsupporters in dezelfde kroegen een biertje drinken als de thuisfans.

Het Engelse voetbal is door de invloed van het vele geld veranderd. Het is allang niet meer de sport exclusief voor de working class. Zeker in de Premier League moet je flink wat geld neerleggen voor een seizoenkaart. Maar dat betekent niet dat de arbeidersklasse niet meer naar het stadion gaat. Al kost het al hun vakantiegeld, die seizoenkaart komt er. Zeker in de oude industriële gebieden in de Midlands en het noorden van Engeland is voetbal nog altijd koning. In steden als Middlesbrough, Barnsley, Burnley, Stoke-on-Trent en Wolverhampton is de club vaak de enige trots. Zeker in het veel rijkere zuiden van Engeland wordt neergekeken op die vergane glorie en daarom is het voor clubs uit die plaatsen zo lekker om uitgerekend tegen die arrogante zuiderlingen te winnen.

In de afgelopen vijftien jaar heb ik meer dan vijfhonderd wedstrijden in Engeland bezocht. Ik volbracht in 2013 de zogenaamde ‘92’, dat betekent dat je bij alle 92 Engelse profclubs een thuiswedstrijd hebt gezien. Over die ervaringen schreef ik in 2013 mijn eerste boek Terraces & Floodlights. Er kwamen veel positieve reacties op dat boek en ik kreeg regelmatig de vraag of er een vervolg kwam. Dat wilde ik wel schrijven, maar leek mij te makkelijk. Ik vreesde in herhaling te vallen. Daarom zocht ik naar een specifiek thema waar mijn nieuwe boek over kon gaan.

Na Brexit had ik dat ineens: voetbalclubs afkomstig uit de oude industriesteden van Engeland. Daar waar de liefde voor het voetbal en de afkeer voor de EU het grootste zijn. Ik bezocht daarom clubs als Middlesbrough en Millwall, en gaf mijn derde boek (na Glorious Hearts, over Heart of Midlothian) dan ook de toepasselijke titel Van Middlesbrough naar Millwall.

Waar ik in Terraces & Floodlights een liefhebber was die voor z’n plezier wedstrijden bezocht, ben ik dit keer in mijn rol als journalist bewust op zoek gegaan naar de ziel van de clubs en de steden waarin ze spelen. Ik sprak met spelers, supporters en lokale journalisten over de clubs en de steden waarin ze spelen om een goed beeld te krijgen van de plek die de club in de gemeenschap inneemt.

Zo sprak ik met Stoke-verdediger Erik Pieters die mij vertelde dat de liefde voor het voetbal in Engeland zoveel dieper zit dan in Nederland. “De Engelse voetbalcultuur is heel anders dan die in Nederland. Voetbal is hier veel groter, dat merk je al aan uitwedstrijden die massaal worden bezocht. Voor mijn gevoel is het grootste verschil dat het houden van de club echt in hele families zit. Kinderen krijgen de liefde voor de Potters mee van hun ouders en grootouders. Generatie op generatie wordt dat doorgegeven. Zo heb je hele gezinnen waarin Stoke City een belangrijke rol in hun leven speelt. Dat vind ik mooi aan het Engelse voetbal. In Nederland zie je dat toch minder.”

Ik besloot mij te richten op acht clubs. Al deze clubs had ik al eens bezocht, maar zoals eerder gezegd, in de rol als voetbaltoerist. Het was daarom een goede keuze om weer terug te gaan. Bij ieder bezoek ontdekte ik weer nieuwe dingen. Zo kwam ik erachter dat de inwoners van Grimsby nog steeds een hekel hebben aan IJslanders vanwege een kabeljauwoorlog van veertig jaar geleden en dat de Grimbarians doodsbang zijn voor de kleur groen. Volgens hen brengt die kleur ongeluk op zee en groen is daardoor bijna onzichtbaar in de stad. Zelfs toen bijna iedere Engelse keeper in de jaren zeventig en tachtig een groene trui droeg, was dat in Grimsby absoluut verboden. Je ziet ook geen groene auto’s in de stad, heel apart als je erop let.

Mijn meest bijzondere bezoek vond ik dat aan Burnley. Het is een stad die eigenlijk over is. De textielfabrieken zijn gesloten en er is geen werk meer. Burnley loopt dan ook leeg. Er wonen amper 80.000 mensen, ooit was dat het dubbele. Zelf het museum over de geschiedenis van de stad is gesloten vanwege het gebrek aan geld. Dat die club in de Premier League speelt, is een wonder. Burnley heeft geen rijke voorzitter, er zitten geen grote bedrijven in de stad en clubs als Manchester City, Manchester United en Liverpool voetballen op een steenworp afstand. Burnley in de Premier League is een ramp voor de marketingjongens van die competitie, want hoe verkoop je een club die nog twee stokoude houten tribunes heeft en waar de selectie uit onbekende Britten bestaat aan het Aziatische publiek? Het glitter- en glamour-gehalte is ver te zoeken in Burnley.

Ik bezocht de club tegen de latere kampioen Chelsea. Het publiek ging negentig minuten lang tekeer. Alles wat uit Londen kwam werd verrot gescholden, terwijl de eigen spelers naar voren werden geschreeuwd. Het sneeuwde en was daardoor ijskoud. De reserves van Chelsea zaten met een dekentje over hun benen te bibberen in de dug-out. Met 1-1 kwam Chelsea nog goed weg. Na afloop had Chelsea-manager Antonio Conte het over het felle en harde spel van Burnley. Niet op een negatieve manier, want hij had er respect voor. Ook het intimiderende publiek gaf hij een compliment. Zo fanatiek had hij het in de Premier League nog niet meegemaakt.

Ik wil dit artikel eindigen met een stukje over Middlesbrough uit het boek. De club waar ik mijn reis begon en waar ik een groot zwak aan heb overgehouden. De stad die ooit de bijnaam Ironopolis had vanwege het vele staal dat daar vandaan kwam, maar na de sluitingen de gifbeker helemaal tot op de bodem moest leegdrinken. Tegenwoordig is het de stad van de chemiefabrieken. Overal staan koeltorens en wordt troep de lucht in gebraakt door schoorstenen. Het heeft de naam de lelijkste stad van Engeland te zijn, maar ik kom er graag. Middlesbrough is namelijk een echte voetbalstad.

Het beste moment om Middlesbrough te bezoeken, is met een avondwedstrijd. Als je dan richting het Riverside Stadium loopt, zie je achter het stadion een soort inferno. Vlammen worden de lucht in geblazen en het zwerk heeft een groen-paarsige kleur. Dat is allemaal te danken aan de chemische industrie die volop aanwezig is in Middlesbrough en waar de inwoners van de stad hun bijnaam aan te danken hebben: de Smoggies. Ik vind dat fascinerend om te zien en ben niet de enige. Sir Ridley Scott is opgegroeid aan de Teesside en onder andere de regisseur van Blade Runner. De befaamde openingsscène uit die film is te danken aan de hoogovens van Middlesbrough. Scott liep op een regenachtige avond langs het industriegebied en genoot. Hij vond het schitterend en zei later over die avond: “You can find beauty in everything, and so I think I found the beauty in that darkness.”

‘Van Middlesbrough naar Millwall’ is te bestellen in de Staantribune Webshop.