Staantribune besteedt de komende tijd, in aanloop naar De Dag van de Verdwenen Clubs,  veel aandacht aan de clubs die sinds de opheffing van de tweede divisie in 1971 zijn verdwenen uit het betaald voetbal: SVV, FC Wageningen, SC Veendam, RBC, HFC Haarlem, FC Amsterdam, VC Vlissingen, SC Amersfoort, AGOVV en FC Vlaardingen.
Vandaag een interview met Cor Pot, die in zijn spelerscarrière bij Haarlem en Fortuna Vlaardingen voetbalde.

Na periodes bij Sparta en MVV kwam je in het seizoen 1974-1975 bij HFC Haarlem terecht. Hoe herinner je die tijd?
“Haarlem was een leuke club. In de voorbereiding scoorde ik tweemaal in een oefenwedstrijd tegen Arsenal. Barry Hughes, destijds trainer van Haarlem, was een geweldige man om mee te werken, een moordvent. Hij zei na die twee doelpunten dat hij de nieuwe Ruud Geels in huis had en dat we mee zouden spelen voor het kampioenschap. Nou, we eindigden strak onderaan en degradeerden naar de eerste divisie.


Die degradatie, volgens mij uit bij NAC, deed me wel. We hadden een goed team en af en toe speelden we goed voetbal, maar over een heel seizoen was het gewoon niet goed genoeg. Aan het einde van het seizoen vertrok ik naar Excelsior, omdat ik graag in de eredivisie wilde blijven spelen.”

Na vijf seizoenen bij Excelsior ging je naar Vlaardingen, waar je een jaar bleef. Hoe verliep dat seizoen?
“Vreselijk. Ik heb er een wedstrijd of tien gespeeld, toen raakte ik geblesseerd. Ik vond het zo’n verschrikkelijke club dat ik er toen meteen een punt achter heb gezet. De accommodatie was belabberd: het was een grote open vlakte en als het vroor was het echt vreselijk. Het veld was keihard. Je kon er gewoon niet goed trainen. Het elftal, met onder anderen Mark Wotte en Krsto Mitrović, sprak me ook niet aan. Trainer Jan de Gier was wel een aardige vent, met hem heb ik nog steeds goed contact.

Als ik aan die tijd bij Vlaardingen terugdenk, roept het een slecht gevoel bij me op. Ik heb er altijd nare herinneringen aan over gehouden. Ze betaalden de spelers op een gegeven moment niet eens meer uit. Ik heb een hoop geld nooit gekregen. Volgens mij geldt dat voor iedereen die toen bij Vlaardingen speelde. Het uitbetalen ging in die tijd ook nog heel anders dan nu. Er kwam gewoon iemand van de club bij je langs en die gaf je dat geld zó in de hand.

Er staat me ook nog bij dat de bus er een keer mee ophield onderweg naar een uitwedstrijd tegen Cambuur. Stonden we met z’n allen te wachten op de Afsluitdijk. Het was de beste beslissing om de stekker uit de club te trekken. Ik heb er in ieder geval geen moment om gerouwd.”

Na je voetbalcarrière ging je verder als trainer. Hoe was dat in het begin?
“Dat was wel even omschakelen. Ik heb na mijn carrière als profvoetballer nog een tijdje als gymleraar gewerkt. In die jaren heb ik ook mijn trainersdiploma’s gehaald. Ik kon bij Excelsior aan de slag als assistent van Rob Jacobs. Toen de onderhandelingen tussen Excelsior en mij vastliepen, besloot ik naar Feyenoord te vertrekken. Ik werd daar assistent-trainer bij het eerste elftal en coach van het tweede team. Ook heb ik twee jaar de A-junioren van Feyenoord getraind.”

Welk moment uit je trainerscarrière is je het meest bijgebleven?
“Als ik één moment zou moeten kiezen, is dat het EK met het Nederlands Elftal onder 21. We haalden toen de halve finale, waarin we onnodig verloren van Italië onder 21. Stefan de Vrij raakte die wedstrijd geblesseerd en hij werd vervangen door Mike van der Hoorn. Mike maakte alleen een gigantische fout, waardoor we met 1-0 achter kwamen. Dit wisten we niet meer te repareren en daardoor misten we de finale.

Voor mijn gevoel heb ik een prima loopbaan gehad als trainer. Ik heb ook echt het gevoel dat ik alles eruit heb gehaald wat er in zat. Daar ben ik best trots op.”

Wil je oude tijden herleven? Kom dan naar de Dag van de Verdwenen Clubs op zaterdag 25 november. Abonnees van Staantribune hebben gratis toegang (wel aanmelden via info@staantribune.nl!), tickets voor niet-leden zijn te koop in de webshop.