Het was 7 mei 2017. De eredivisie liep ten einde, ik zat op de tribune bij mijn club, en zag een ploeg die nergens meer voor speelde. In een prefab-stadion waar de fanatiekelingen vertrokken waren, en de gehele beleving van het voetbal vertrokken was, kwam ik tot een vreselijke vraag die je jezelf als supporter nooit wilt horen stellen: “Waarom kom ik hier nog? Ik ga elke wedstrijd naar een industrieterrein, waar ik vervolgens dertig euro aan wat te eten en drinken uitgeef, maar ik krijg niet eens een ploeg die haar supporters bedankt.”

Ik werd ooit verliefd op mijn club omdat het in een oud stadion voetbalde, waar de uitslag ondergeschikt was aan de sfeer, waar de ploeg knokte voor elke meter, en waar het gras door de tribunes omhoog kwam. Ik werd verliefd op de magie van lichtmasten in het donker, op slechte zichtlijnen, op hekken voor je neus en op de geur van ongezond eten en sigaretten. En ik besefte die zondagmiddag dat ik misschien niet meer zo verliefd was.

Ik besloot dat ik op zoek zou gaan naar een club die nog wél de elementen heeft waar ik verliefd op werd. Romantiseerde ik al die elementen? Is het voetbal nou eenmaal zó veranderd dat er geen clubs meer zijn die de supporter niet als cashcow zien? Zou zo’n club nog bestaan? Mijn diepgewortelde haat tegen modern voetbal leidde mij naar de Regionalliga Nord, over de grens van Duitsland. SV Meppen was bezig aan een goed seizoen op het vierde Duitse niveau en ik hield me voor eens op bezoek te gaan. Toevallig promoveerden de blauw-witten en belandden ze in de 3. Liga, maar dat geeft een des te mooier affiche, zo dacht ik.

22 juli was het zover. Na ruim een uur rijden arriveren een vriend en ik in het Duitse Meppen voor de thuiswedstrijd tegen Würzbürger Kickers. De eerste professionele wedstrijd van Meppen sinds een kleine twintig jaar, tegen nota bene de degradant uit de 2. Bundesliga. Meppen binnenkomend vanaf het noorden rij je zowat tegen het stadion aan. De auto parkeren we tegenover de hoofdingang (gratis) en we halen een papieren kaartje bij een van de vriendelijke kassadames. De stewards zijn nog mensen met hart voor de club, met een hesje in plaats van een colbert, en wijzen ons graag de weg in de Hänsch-Arena. Wat direct opvalt, is dat je als supporter bijna het hele stadion rond kan lopen voor een goed beeld.

Aan de korte zijde staat een staantribune met een bierplein en fanshop(je) erachter. Aan de overzijde een heerlijk ouderwetse halfronde staantribune, waar het mos doorheen groeit. Aan de lange zijde bevind zich de ‘Alte Tribune’, waar wij een plaats in de hoek hebben gevonden. Vóór de Alte Tribune wederom staanplaatsen met de fanatieke sjaken van ‘Szene Meppen’. Aan de andere lange zijde staat de ‘Neue Tribune’ die 30 jaar geleden wellicht ‘Neu’ was, maar nu gewoon minder oud. Deze prefab tribune heeft ervoor wederom staanplaatsen. Een verademing.

Het eten en drinken is betaalbaar en zonder opsmuk, de wc’s zijn gewoon mobiele pishokken en de VIP’s staan gewoon tussen de rest van de mensen op de lange zijde. De wedstrijd? 2-2. Prima. 5.088 bezoekers maken meer lawaai dan bij m’n eigen club. Maar dat is niet wat bleef hangen. Terug naar Nederland rijdend, kreeg ik een gevoel dat ik sinds een aantal jaren kwijt was. Terwijl ik de grens passeer, voel ik vlinders in m’n buik. Ik ben verliefd.

Heb jij, net als Staantribune-volger Arend Lommert, een groundhoptrip gemaakt? Stuur jouw verhaal (plus foto’s) dan naar info@staantribune.nl. De leukste artikelen worden op deze website geplaatst.