Misschien ben ik wat te cynisch, Arnhems cynisch. Maar eigenlijk is het een flutprijs, die beker. Althans: de Nederlandse beker, want de FA Cup is juist een begrip. Maar ja, de Engelsen zijn voetbalgek. Die kijken niet met hun verstand, maar met hun hart. In het nuchtere Nederland, land van miljoenen bondscoaches, worden de tribunes vooral bevolkt door ‘liefhebbers’. Zelf mijd ik, alvorens ik naar mijn club Vitesse ga, de Premier League op de buis. Omdat het contrast in tempo en beleving anders te groot is. Zoals je net na het zien van een Hollywood- actiefilm geen Nederlandse actiefilm moet opzetten, want die ‘werkt’ dan niet, behalve op de lachspieren.

In Nederland is de beker een schrale troostprijs voor topclubs. Het is dat de dennenappel van zilver is en geen gevoelens heeft, anders had ik medelijden gevoeld met het ondergeschoven kindje. De opmerking “het is toch een prijs”, van trainers van Ajax en PSV voor wie de beker meestal ‘ongelegen’ komt, zegt genoeg. “Het is toch een prijs” past in het rijtje van dodelijke kwalificaties als “het is toch je kind” of “werk is werk”. Eerder een afprijzing dan aanprijzing dus.


In Nederland lopen vooral reservedoelmannen warm voor het bekertoernooi. Mocht de beker, net zoals de Johan Cruijf Schaal, vernoemd moeten worden, dan zou ik Fred Grim kiezen. De Fred Grim Bokaal. Topclubs spelen in de beker vaak met het B-elftal. De B van beker. Ajax en PSV, mochten ze het ding per ongeluk winnen, laten zich meestal niet eens huldigen. Tenzij ze toevallig niet meer in de race zijn voor de landstitel of al heel lang droog staan. Dan gaan ze de dennenappel plots ‘een prijs’ noemen, zonder dat woordje ‘toch’. Kan de politie mooi even oefenen, voor als er weer eens echt moet worden gehuldigd. Echt lekker feesten kun je ook niet met dat onding; de beker heeft een deksel die er afvalt zodra je er wat te wild mee doet.

Voor provincieclubs is de beker wat de Postcode Loterij is voor Henk en Ingrid: de enige kans op rijkdom. De dennenappel is de kortste route naar succes. Te kort eigenlijk, waardoor de beker prestige mist. Vitesse versloeg dit seizoen eerst twee amateurclubs en RKC. In GelreDome zijn de eerste bekerrondjes van het huis, gratis dus, anders komt er geen hond kijken. Een toeschouwersmagneet is de beker niet: toen Vitesse in de kwartfinale Feyenoord elimineerde was GelreDome mager bezet. Maar nadat Nicky Hofs dezelfde avond Sparta uit een schaal viste, waar geen topdrieclub meer in lag, kwam er in Arnhem het besef: na honderdvijfentwintig jaar hebben we straks misschien eindelijk iets leuks voor in de prijzenkast. Ineens was er bekerkoorts. Er gloorde een schoolreisje voor volwassenen naar De Kuip.

Vitesse stond al eens eerder in de finale. In 1990, tegen PSV. Ik kakte nog in mijn broek, net als John van den Brom, toen. John mocht destijds een penalty op Hans van Breukelen nemen. In blessuretijd, met een 1-0 achterstand. John miste. Het schijnt dat Hans onze John toen heeft gepest, vlak voordat hij wilde aanleggen. Opvallend dat Hans John een trauma in De Kuip aansmeerde. Juist Hans weet wat voor pijn een blunder in De Kuip doet. Hans wilde na ‘t Polletje van 1987 dood en schijnt toen al een afscheidsbrief naar de KNVB te hebben verzonden. Een afscheidsbrief waarin hij, toen al, kunstgras eiste (“Op kunstgras was me dit nooit gebeurd”), met de melodramatische, dreigende toevoeging: “Voor mij komt het vermoedelijk te laat.”

Nu staat Vitesse eindelijk weer in de finale. Ik denk niet dat de neutrale toeschouwers het Nederlandse Chelsea-filiaal de beker gunnen. Maar wat kunnen wij Arnhemmers daaraan doen? Voetbal is een geldsport en je moet het geluk hebben dat ‘je’ eigenaar spelers presenteert in plaats van panda’s.

Vitesse staat bekend als een arrogante, flamboyante club, Hollywood aan de Rijn, maar dat imago strookt niet met de inborst van de supportersschare. De Arnhemmer is wars van glamour en vooral doodsbang voor teleurstellingen. Hier zie je het leven door een ‘Ernemse’ bril: het tegenovergestelde van de roze. Met ons verduisterde zicht hebben we altijd weer een rotsvast vertrouwen in de verkeerde afloop.

Voor de halve finale, uit bij Sparta, rekende de Arnhemmer zich alvast arm. Het is typisch Vites om dan weer van Sparta te verliezen, hoorde ik mezelf en andere Arnhemmers hardop denken, een dag nadat Vitesse de laatste vier had bereikt. Het is Arnhemisme, ons heilige ongeloof: niks verwachten, zodat de werkelijkheid alleen maar mee kan vallen.

Anders dan AZ en Twente, is Vitesse een provincieclub die in tijden van voorspoed nooit wat gewonnen heeft. Zelfs deelname aan de Champions League zat er steeds net niet in. Trauma’s genoeg. Zondag ga ik mee naar De Kuip. Voor het eerst sinds tijden voel ik dat Arnhemmers hun cynisme laten varen. Als dat maar goed afloopt. Dus met een nieuw Kuiptrauma voor John van den Brom en voor Vitesse eens een beker in plaats van een gifbeker. Want daarvan hebben we er al genoeg gehad. Zou wel ‘Typisch Vites’ zijn, om te verliezen.