24 maart 2007, Croke Park, Dublin. De EK-kwalificatiewedstrijd tussen Ierland en Wales is 38 minuten oud als Robbie Keane een handige steekpass geeft op de opkomende middenvelder Stephen Ireland. Ireland neemt de bal mee, lijkt die te ver voor zich uit te spelen, maar kan hem dan toch langs de uitgekomen keeper tikken. De hoek is moeilijk, maar niettemin weet hij de bal feilloos tussen de palen te prikken. Het is 1-0 voor Ierland en dat blijft het die middag.

Ierland noch Wales zal zich uiteindelijk plaatsen voor het EK van 2008. Het doelpunt van Ireland, hoe fraai ook, heeft vooral statistische waarde. En toch zijn de toeschouwers die middag getuige van een gedenkwaardig moment: het is het eerste doelpunt ooit in dit meer dan honderd jaar oude stadion.

Op de lijst van grootste stadions van Europa prijkt Croke Park op een vierde plaats, achter Nou Camp, Wembley en Bernabéu. Het stadion biedt plaats aan maar liefst 82.300 toeschouwers. Er is echter één groot verschil met de top drie: Croke Park is geen voetbaltempel. Sterker nog: tot voor kort mócht er niet eens gevoetbald worden.

“Grounds controlled by Association units shall not be used or permitted to be used, for horse racing, greyhound racing, or for field games other than those sanctioned by Central Council”, luidde regel 42 uit het reglement van de Gaelic Athletic Association (GAA). Is het starheid van onbuigzame bestuurders? Onomwonden chauvinisme? Een diepgewortelde haat tegen alles wat naar Engeland riekt? Grote artiesten als Tina Turner, U2 en The Simple Minds waren welkom op het heilige gras. Er is gebokst. Er is gehonkbald. Er is zelfs American Football gespeeld. Voetbal kwam er echter niet in. Croke Park was bestemd voor sporten die eigenlijk alleen in Ierland worden beoefend, de broertjes – of misschien meer de verre neefjes – van het ‘echte’ voetbal: Hurling en Gaelic Football.

Een onafhankelijkheidsverklaring die elke wedstrijd opnieuw op de grasmat wordt uitgerold

“Gellic”, verbetert de man naast me bestraffend. Hij is grijs en heeft een haviksneus met gesprongen adertjes onderaan de neusvleugels. Hij draagt een pet van het model dat voetbalsupporters in de jaren vijftig droegen, maar die vandaag de dag alleen keeper Dirk van FC Knudde nog draagt.

Mijn vakantie loopt ten einde. Dublin is de laatste stop. Het voetbalseizoen is nog niet begonnen, er is geen rugby of honkbal te zien. Dus maak ik, na American en Australian Football, kennis met een derde variant op de moeder aller sporten. Ik weet dat de Ieren trots zijn op dit stukje cultureel erfgoed en ik heb me voorgenomen het respectvol en geïnteresseerd en vooral onbevooroordeeld tegemoet te gaan. Kennelijk heb ik bij de eerste vraag aan mijn buurman al meteen een verkeerde snaar geraakt.

“Gellic Fotbol”, zegt hij nog eens. Hij beklemtoont elke lettergreep. Ik knik schuldbewust, maar ik heb het blijkbaar al verbruid bij hem. Hij richt zijn aandacht weer op het veld, waar de spelers bezig zijn met een warming-up, die in niets lijkt op de warming-up die ik gewend ben te zien op een voetbalveld. Ik zie spelers met een bal in handen lopen die ze steeds één keer voor zichzelf hooghouden. Andere spelers oefenen een soort onderhandse volleybalservice. Met voetbal heeft het weinig van doen.

De man is in zijn eentje naar de wedstrijd gekomen, net als ik, maar behoefte aan een praatje heeft hij niet. Om ons heen klonteren mensen samen in groepen. Er wordt gelachen, bier gedronken. De sfeer is ontspannen. Fans van beide teams staan door elkaar heen, zonder dat er enige grimmigheid zichtbaar is. Een enkeling is gaan zitten op de betonnen treden. De meesten staan.

Gellic dus. Ik snap het wel. Gay-lick klinkt als een X-rated movie voor homo’s, niet als een snelle hardhandige veldsport. En dat is het wel, zo heb ik begrepen, al weet ik er het fijne niet van.

De regels van het spel heb ik op Wikipedia opgezocht, maar ze zijn te talrijk, te ingewikkeld. De doelen lijken op voetbaldoelen, compleet met net. De palen steken echter als antennes de lucht in, zoals bij rugby. Je kunt goals scoren door de bal in het doel te schieten. Die tellen voor drie. Je kunt ook een punt maken door de bal tussen de staanders door te schieten of te slaan. Je houdt de bal in één hand. Meer dan vier stappen lopen met de bal mag niet, tenzij je de bal voor jezelf hooghoudt of stuitert (zoals bij basketbal) en dat laatste mag dan ook maar één keer. De bal mag niet overgegooid worden, alleen ‘overgeslagen’, net als bij volleybal. Met een beetje goede wil dus een combinatie van voetbal, handbal en rugby, met een vleugje basketbal en volleybal.

Maar het is niets van dat al. Dit is niet gewoon een sport. Dit is Keltische folklore, het is een nationalistisch groepsritueel, een onafhankelijkheidsverklaring die elke wedstrijd opnieuw op de grasmat wordt uitgerold. Wie er ook tegen wie speelt, de échte wedstrijd die gaande is, is elke keer opnieuw Ierland tegen de Engelsen.

Dat straalt af van de shirtjes die mensen dragen (in vier verschillende kleuren, want er worden vandaag twee wedstrijden achter elkaar gespeeld), waarop de harp nooit ontbreekt en de namen van de teams in onbegrijpelijk Gaelic staan vermeld, zodat je geen idee hebt uit welke plaats ze vandaan komen. Toch spreekt hier niemand Iers. Toen de spelers het veld betraden hoorde ik iemand iets roepen in het Gaelic, al kon het evengoed het Engels van een onverstaanbare dronkenlap geweest zijn.

Is daarom de sfeer onderling zo gemoedelijk? Omdat de echte vijand aan de overkant van de Ierse zee zit? Omdat de tegenstanders op het veld tegelijkertijd ook medestanders zijn? Of ben ik vooral getuige van de Ierse volksaard?
CIMG3509

Het volkslied wordt aangekondigd en kort daarna ook ingezet. Iedereen in het stadion is gaan staan. Op een groot scherm worden de woorden geprojecteerd. Amhrán na bhFiann. De oude man naast me zingt ontroerend fanatiek mee. Hij heeft waterige oogjes.

Het volkslied is een kort vertoon van nationalisme. Toch kan ik niet zeggen dat er uit volle borst wordt gezongen. Niemand die zijn hand op zijn hart legt of de ogen sluit in opperste extase. Geen Gianluigi Buffon te zien hier. Het lijkt meer een zangsessie rondom oma’s oude klavier. Plichtmatig bijna.

Als hier een strijd gaande is, dan zijn de scherpe randjes er wel vanaf. En eigenlijk is dat ook niet zo raar. De tijd dat Engelsen in dit land de dienst uitmaakten is al te lang verleden tijd. De tijd van autobommen en IRA-aanslagen is voorbij. Zo nu en dan een incidentje. Zelfs in Noord-Ierland is het al tijden relatief rustig. De belofte dat The Belfast Child weer zal zingen is niet langer de verre toekomstdroom van The Simple Minds, maar ligt binnen handbereik.

De ironie is niet meer dan een doekje voor het bloeden

Het is ruim zeven jaar geleden dat Stephen Ireland hier dat historische doelpunt maakte. Wie de beelden terugkijkt, ziet dat hij ingetogen juicht. Hij lijkt zich niet bewust van het feit dat hij zojuist geschiedenis heeft geschreven. Croke Park werd geopend in 1884 en onderging in de loop der jaren ingrijpende veranderingen. Die dag is de plek eindelijk het decor voor een voetbalwedstrijd. Nooit eerder speelde het Ierse nationale elftal voor zoveel toeschouwers.

De Ierse nationale ploeg was voor haar wedstrijden altijd aangewezen op het kleinere Lansdowne Road, aan de andere kant van Dublin. In 2007 werd dat stadion gesloopt om plaats te maken voor het nieuw te bouwen Aviva Stadium. Met het oog op die operatie werd regel 42 van het reglement van de GAA geamendeerd: “Central Council shall have the power to authorise the use of Croke Park for games, other than those controlled by the Association, during a temporary period when Lansdowne Road Football Ground is closed for the proposed development.”

Op 24 maart komt een lange kruistocht van de GAA tot zijn eind. Jarenlang was Gaelic Football anti-voetbal in de meest fanatieke vorm, maar op deze dag maakt de Association een historische knieval. Dat het eerste doelpunt wordt gemaakt door een speler met de naam Ireland is ironisch. De ironie is niet meer dan een doekje voor het bloeden. Nadien werden er meer wedstrijden gespeeld: rugby en voetbal, de verfoeide sporten van die vermaledijde Engelsen.

En ergens is dat teleurstellend. Is het een beetje wat wij de laatste jaren met de Duitsers hebben? Is dit Frank Rijkaard die een broodje eet met Rudi Völler om het bij te leggen? Waar is de tijd dat ze nog in elkaars nek rochelden, dat Ronald Koeman zijn achterwerk afveegde met Duitse voetbalshirts, dat Kees van Kooten die rotmoffen de verkeerde kant op stuurde als ze het station zochten en dat iedereen zich afvroeg wanneer opa’s fiets eindelijk eens terugkwam? We zijn weekhartig geworden, verzoeningsgezind. De Ieren kennelijk ook.

Een seconde vraag ik me af of Paul Gascoigne soms is opgepakt

Er ontstaat rumoer achter me. Een jongen met rossig haar en een baardje scandeert luidkeels iets dat ik niet kan verstaan. Hij draagt een groene legerjas. Met zijn woorden komen speekseldruppels mee. Opnieuw brult hij.

“Gazza free! Gazza free!”

Een seconde vraag ik me af of Paul Gascoigne soms is opgepakt. Een dwaze ingeving. Dan zie ik de vlaggen.

Eerder deze middag heb ik ze ook al gezien, in de stad. Een optocht van Palestina-sympathisanten die protesteerden tegen de bezetting van de Gazastrook. Is de optocht hier soms geëindigd? Waarschijnlijk wel. Om de roodharige jongen heen beginnen mensen mee te brullen. Het geluid zwelt aan, is krachtiger dan de lauwe vertolking die net van het volkslied werd gegeven. Er worden vuisten gebald. Zelfs de oude man naast me wiegt mee. Ik zie zijn lippen bewegen. Hij mompelt de woorden mee. Verbijstering. Waar ben ik in terechtgekomen? Het is ongerijmd en tegelijkertijd volkomen begrijpelijk. Natuurlijk kiest de Ier partij voor de onderdrukte, de bezette, de underdog. En natuurlijk eindigt die protestmars hier, in dit stadion.

De Joodse staat is een product van Engelse makelij. Geen wonder dat de Ieren zich identificeren met de Palestijnse onafhankelijkheidsstrijd. De Palestijnen zijn in zekere zin de Ieren van het Midden-Oosten. De symbolen zijn andere: de Palestijnse vlaggen vervangen de harp, en de haat keert zich tegen de Davidster in plaats van St. George’s Cross. Verder is er niets veranderd.
flag
De roodharige jongen heeft uit zijn rugzak vuurwerk tevoorschijn gehaald. Te midden van zijn discipelen steekt hij twee vuurspuwende toortsen de lucht in. “Free, free, Palestine!”, klinkt het nu. Een suppoost komt de trap op. Veel haast heeft hij niet, hij sjokt. Een collega, die hem achterop komt heeft er meer de pas in. De roodharige jongen wordt afgevoerd. Zonder veel tegen te sputteren gaat hij mee. De ene steward vergezelt hem, de andere neemt het langzaam uitdovende vuurwerk in beslag. Het gezang is verstomd. Een paar mensen roepen dingen naar de stewards, zonder agressie. Die mannen doen ook maar hun werk.

De aandacht van het publiek verplaatst zich weer terug naar het veld, waar Donegal zojuist heeft gescoord. Ze zullen vanmiddag winnen. De wedstrijd daarna is een eenvoudige prooi voor het team van Dublin. Maar ik weet dat het daar niet over gaat. In Croke Park wordt gestreden tegen iets groters dan de tegenstander.

Cor de Jong
Docent, studiebegeleider bij Sparta Rotterdam en schrijver van de voetbalroman De aanname