Vandaag, die heuglijkste van alle heuglijke dagen des jaars, op Kerstavond, was het precies negen maanden geleden dat Johan Cruijff stierf.

Een oude gabber van Cruijff scharrelde nog wat rond over het trainingscomplex in Amsterdam. Swart was zijn naam, Ebeneezer Swart.


“Schande!” foeterde Swart, tegen niemand in het bijzonder. Hij liep er altijd rond met een van ergernis vertrokken gezicht. Steevast mokkend, brommend, sakkerend, kafferend, grommend, zanikend.

Swart sloeg de krant open. “FC Twente voor sporttribunaal CAS gedaagd” las hij en er verscheen een gemeen grijnslachje op zijn gezicht. In een ander bericht werd Andrés Guardado geprezen. “Schandalig!” brulde Swart. Hij bladerde door naar de ranglijsten. De Graafschap stond zestiende in de Jupiler League. “Net goed!” gilde hij, “ik hoop dat ze nog een keer degraderen!”

Het was mistig geworden toen Swart eindelijk naar huis ging. Toen hij de sleutel in het slot stak schrok hij hevig. Op de deurklopper was onverhoeds het nummer veertien verschenen. Hij begon te huiveren. Dit gebeurt niet echt, dacht Swart, ik ben moe, ik hallucineer.

Hij stak, zoals hij iedere avond deed, Ik voetbal dus ik ben in de dvd-speler. Plotseling woei er een kille wind door het vertrek. Alles begon te trillen en te rammelen. “Swart!” galmde een stem. “Swart!” En uit de mist doemde een gedaante op.

“Nee… nee, ben jij het Johan?”

Het was de geest van Cruijff. Hij sprak: “Swart! Vannacht zul je door drie geesten worden bezocht. Kijk goed naar wat ze je laten zien en luister goed naar wat ze je te vertellen hebben.”

“Johan, wacht!” riep Swart, maar er was reeds niemand meer te zien.

Die nacht lag Swart klaarwakker. Hij weigerde nog steeds in de spookverschijning te geloven. Het komt door het einde van het jaar, maakte hij zichzelf wijs, ik mis Cruijffie. Maar opeens was er een fel licht dat hem verblindde, en toen Swart weer kon zien zweefde er een gedaante voor zijn bed.

“Ik ben de Geest van Voetbal Vroeger. Ga met me mee.” Hij greep Swarts hand en ze vlogen weg.

Plotseling waren ze in een stadion, ergens begin jaren zestig. “Die jongeman daar, dat ben ik!” juichte Swart verrast. Het was zijn jonger ik, dartelend over het veld. Hij scoorde er lustig op los en had volop plezier. Het publiek droeg hem op handen.

De geest glimlachte even. “Laten we naar een andere wedstrijd gaan.”

Ze waren nu in een sportzaal, midden jaren zeventig. Daar zag Swart zichzelf weer, nu iets ouder. Er was volop commotie. Hij schopte de trainer van de tegenstander. “Ik had je veel harder moeten raken!” riep hij erachteraan.

“Geest”, zei Swart ongemakkelijk, “ik wil hier weg.”

Onmiddellijk verscheen de tweede geest. “Ik ben de Geest van Voetbal Vandaag. Ga met me mee.”

Ze waren in het oosten des lands. “Waar zijn we hier?” vroeg Swart.

“Dit is de Achterhoek”, antwoordde de geest.

“Wat kijken de mensen droevig.”

“Hun club staat zestiende. In de eerste divisie. Ze hebben zelfs thuis van TOP Oss verloren, met 3-5. Alsof iemand de club vervloekt heeft.”

Swart keek snel een andere kant op. Zijn blik viel nu op een kale, wat gedrongen figuur. Hij strompelde.

“Geest, wie is die man die zo moeilijk loopt? Is dat…”

“Ja, het is Bryan Smeets. Bonkige Bryan. Hij kampt met aanhoudend blessureleed en speelde dit seizoen nog maar een paar keer mee.”

“Zeg mij, geest, zal Bryan het redden?”

“Als er niets verandert, zal niemand hem hier meer aantreffen. Maar dat maakt toch niet uit? Ze mogen toch best degraderen?” herhaalde de geest de woorden van Swart.

Die boog nu beschaamd het hoofd.

Het volgende moment was hij weer thuis, en daar verscheen de derde geest al. “Ik ben de Geest van Voetbal in het Verschiet. Ga met me mee.”

Ze waren in een duister zaaltje. Op een tafeltje lag een boek, opengeslagen bij het laatste hoofdstuk. De geest dwong Swart ernaar te kijken terwijl hij de bladzijden in een steeds hoger tempo omsloeg, zodat Swart alleen flarden tekst kon ontwaren.

“… de malle Eppie van Ajax … door niemand meer serieus genomen … een karikatuur van zichzelf … meer een last dan een lust … aanhoudend wangedrag … ten slotte door de club geroyeerd.”

“Over wie gaat dit?” vroeg Swart. De geest toonde hem nu de cover van het boek. Het was zijn definitieve biografie. “Nee! Dit mag niet waar zijn! Ik ben Mister Ajax! Goede geest, geef me nog een kans!”

“Je kunt je ziel nog redden, Swart. Hou op met kankeren, tel je zegeningen, en laat de deugd van het relativeringsvermogen toe tot je hart!”

Weer was er een flits, en Swart was thuis, opgelucht en gelouterd. Het was Kerstochtend. Hij schoof het dakraam omhoog en schreeuwde krachtig: “Vrolijk Kerstfeest iedereen!”

“Hé, jij daar!” riep hij naar een jongetje dat op straat liep. Het joch keek op, ongelovig starend naar die anders altijd zo knorrige buurman Swart.

“Koop namens mij de grootste gebraden kalkoen die je krijgen kunt en stuur hem naar de Achterhoek!”

Hij pakte de telefoon en toetste het nummer van Ajax in: “Zeg tegen Peter Bosz dat ik hem voortaan niet meer boos zal opbellen als ik weer niet bij de selectie zit!”

En zo was de geest van Kerstmis vaardig geworden over Ebeneezer Swart en werd zijn ziel nog net op tijd gered.