Een warme zomermiddag in 1998. Nederland speelt in een bloedheet stadion in Marseille de WK-kwartfinale tegen Argentinië. De wedstrijd die we ons herinneren door de goal van Dennis Bergkamp en het legendarische commentaar van Jack van Gelder. Maar mijn aandacht als tienjarig jochie werd vooral getrokken door klinkende namen als Juan Sebastián Verón, Roberto Fabián Ayala en Gabriel Omar Batistuta. De spits met lange haren en baard, die met een loeihard schot van 25 meter op de paal het doel achter Edwin van der Sar liet schudden. Waar kwamen deze wild uitziende mannen met hun harde spel toch vandaan?

Buenos Aires, maandagochtend elf uur, zeventien jaar later: mijn telefoon piept. Een sms’je van Martin: Venís al fútbol? (“Kom je voetballen?”) is, zoals altijd, de tekst. Die avond begroet ik mijn negen Argentijnse voetbalvrienden in Club EROS. Eén kus op de wang is het Argentijnse gebruik. Een wang, soms verscholen onder een grijze baard, want mijn teamgenoten zijn tussen de 30 en 55 jaar oud. Daar is op maandagavond weinig van te merken: als kleine jongetjes die net hun rugtas in de hoek hebben gegooid en het pleintje op zijn gerend om de rest van de dag te gaan ballen, staan de mannen te trappelen. Oude jongensdromen om ooit in het eerste elftal van River Plate, San Lorenzo of Racing Club te spelen, komen spontaan weer tot leven.

De ‘maandagvoetbalavond’ in de hal van Club EROS begon 24 jaar geleden als training voor de wedstrijd op het veld van zaterdagochtend. Na een paar jaar vervloog de hoop op een profcarrière. De jongens begonnen met hun studie en de zaterdagochtendwedstrijd verviel. Maar de maandagavond staat voor altijd in de agenda geblokt.

EROS is een oude buurtvereniging, opgericht in 1941 en vernoemd naar de Griekse god van de liefde. Het gebouw heeft een stenen vloer. De tegels zijn zwart en wit, als een schaakbord. Het voetbalveldje is niet het enige dat EROS te bieden heeft. Bij binnenkomst wordt in een zijstuk van de hal tangoles gegeven. Mannen en vrouwen, vaak van middelbare leeftijd, oefenen hier de pasjes van de sensuele dans, terwijl de klanken van de tangomuziek door het hele gebouw schallen. Naast voetbal en tango zit er nóg een nationale passie verscholen onder het dak van EROS: vlees. Aan de andere kant van het voetbalveldje ligt de kantine. Hier krijg je geen broodje kroket, maar grote, sappige Argentijnse biefstuk.

Het samenstellen van de teams is iedere week weer een lastig proces. De beste speler is Rubén. Hij speelde vroeger in de jeugd van Velez Sarsfield en was daar nog ploeggenoot van Diego Simeone, de aanvoerder in 1998 tegen Nederland. Ook Nicolás is een uitstekende voetballer. Samen proberen ze twee uitgebalanceerde teams samen te stellen. Mannen met mooie namen als Luciano, Gonzalo, en Sergio (bijnaam el pájaro, de vogel – waarom, weet niemand) worden zorgvuldig verdeeld tussen Rubén en Nicolás.

Romo, 79 jaar oud, staat als trouwe supporter langs de kant. Tot voor kort speelde hij mee. “Mijn rug is wel weer aardig hersteld”, zegt hij, “maar ik heb last van mijn ogen, heb moeite om diepte te zien.” Het kan zomaar zijn dat hij volgende keer weer zijn voetbalschoenen aantrekt, want het doet hem zichtbaar pijn om ons vanavond als kleine kinderen zo blij achter de bal aan te zien hollen, terwijl hij met een sigaret in de hand langs de lijn zit.

Ik sta voor altijd bij Romo in het krijt, want hij heeft voor mij het blauw-witte shirtje van EROS geregeld. Dat is eigenlijk alleen verkrijgbaar voor de kinderen die spelen bij het voetbalschooltje van de club, maar Romo heeft hun trainer een keer aan zijn mouw getrokken en een shirtje in mijn maat kunnen regelen. Dankzij hem speel ik nu dus iedere maandag met het logo van de club op mijn borst. Na een halfuurtje verdwijnt de oud-secretaris van EROS in het restaurant, waar hij met enkele andere stamgasten onder het genot van een biefstuk en een biertje de maandagavondwedstrijd Estudiantes – in 1970 nog tegenstander van Feyenoord in de strijd om de wereldbeker – tegen Lanús op tv bekijkt.

Op het veldje gaat het er heftig aan toe. Na 24 jaar zit er nog geen sleet op het fanatisme van de spelers. De gemoederen lopen hoog op wanneer Pablo een typisch Argentijnse en nogal onbezonnen tackle inzet op de enkels van Rubén. Even later loopt Luciano boos het veld uit als hij als enige verdediger weer eens tegenover drie aanvallers van de tegenpartij staat. Gonzalo windt zich op omdat hij niet wordt aangespeeld – dat hij dubbel gedekt wordt, doet niet ter zake. De scheldwoorden en krachttermen vliegen door de hal. Behalve bij Nicolás, die altijd positief blijft en zijn teamgenoten steevast complimenteert met Excelente! Zelfs José, die er eigenlijk helemaal niks van kan.

Na anderhalf uur, bij een stand van 18-16, wordt vanuit de kantine gedecideerd Hora! geroepen. Onze tijd zit er op. Dat betekent echter niet dat de avond voorbij is. De groep verplaatst zich naar de kantine. Ober Jorge, die hier ook al 24 jaar lijkt rond te lopen, heeft een lange tafel klaargezet waarop een handgeschreven kaartje staat: socios (leden). De mannen zijn leden van de club, dus er is altijd een tafel beschikbaar. De contributie bedraagt slechts vijf peso (nog geen halve euro) per maand, omdat het restaurant de club van voldoende inkomsten voorziet.

Jorge kent de hele routine. Hij vraagt direct hoeveel biefstukken hij moet serveren. Acht handen gaan omhoog. Ook de twee borden friet en twee borden salade gaan geheel volgens gewoonte, net zoals de twee literflessen bier onvermijdelijk zijn. Tijdens het eten wordt het voetbal van het weekend besproken. Daarnaast, zoals gebruik in Argentinië, gaan de gepassioneerde gesprekken over politiek. Ook een regelmatig terugkerend gespreksonderwerp: “Sander, wat doe je eigenlijk hier in deze chaos?” Economisch en politiek is het land onstabiel en voor veel Argentijnen is de orde en structuur van Nederland zo ongeveer het hoogst haalbare. Dat juist avonden als deze in EROS er voor zorgen dat ik zo van dit land hou, komt niet eens bij ze op: voor hen is dit al 24 jaar vaste prik op maandag.

Om de zoveel tijd wordt Jorge gewenkt: een opgestoken arm met een lege bierfles. Rond middernacht heeft iedereen zijn bord leeg. De maaltijd wordt traditiegetrouw afgesloten met een koffie. Tenminste, als het koffiezetapparaat het doet, want dat is altijd onzeker. Na de koffie komt de rekening. De huur van het veldje, het eten en de fooi voor Jorge worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door iedereen aan tafel. Meer dan tien euro ben ik nooit kwijt. Als we het restaurant verlaten, wordt op het veldje nog steeds gevoetbald. Het afscheid gaat ook gepaard met een kus op de rechterwang.

Het lijkt een onverwoestbare traditie van 24 jaar, maar toch is het ieder maandagochtend spannend of de telefoon weer piept. EROS ligt midden in de hippe wijk Palermo en de grond naast de club is opgekocht door een bioscoop, die ook EROS in haar vizier heeft gekregen. Sterker nog, er is al een bod van twee miljoen dollar uitgebracht op het oude gebouw. Verdeeld over de tweehonderd leden die de club heeft, zou dat tienduizend dollar per persoon zijn. De gemiddelde Argentijn moet daar twee jaar voor werken. Kunnen deze mannen het grote geld nog weerstaan als de situatie verder verslechterd? De maandagavond in EROS staat op het spel. Volgens Gonzalo zal het zo’n vaart niet lopen: “Wij zullen altijd tegen verkoop stemmen.” Romo valt hem bij: “Deze plek pakken ze ons niet af.” De clubliefde is hier gelukkig sterker dan het grote geld. Voorlopig.

Als ik naar huis loop, heb ik mijn bezwete EROS shirtje inmiddels vervangen door het shirtje (uit 1998) van Batistuta’s voormalige club Fiorentina. Ik denk nog regelmatig terug aan die zondagmiddag in Marseille. Mijn eerste ‘ontmoeting’ met Argentinië. Destijds had ik nooit gedacht dat ik nu in Buenos Aires zou wonen en iedere maandagavond – dankzij EROS de mooiste avond van de week – met generatiegenoten van dát team dit voetbalritueel zou beleven. Als Argentijnen mij vragen waarom ik naar Argentinië ben verhuisd, dan antwoord ik: door Gabriel Omar Batistuta.

Het artikel over het Argentijnse EROS is eerder gepubliceerd in de eerste editie van Staantribune, verkrijgbaar in de webshop.   

Tekst: Sander Weeda
Foto’s: Bas Voorwinde