In het Staantribune Museum wordt elke week iets ‘bijgezet’. De ene week schrijft een van de redacteuren van Staantribune een persoonlijk verhaal over een bepaald attribuut, de volgende week mogen jullie als lezers een voorwerp aanleveren. Heb jij een bijzonder item met een leuk verhaal erbij? Stuur dan een mail mét foto van het voorwerp naar info@staantribune.nl en misschien komt jouw item wel in het museum. 

Het tweede item: een schaaltje van FC Barcelona.


Lloret de Mar, 1989. Eigenlijk deden we vrij weinig, die zomervakantie. Een beetje luieren aan het zwembad van het hotel, af en toe naar het strand en een beetje hangen in het restaurant annex snackloket, waar we eindeloos een voetbalgame speelden op een arcadekast – waarbij je altijd scoorde als een van de buitenspelers een afgemeten voorzet van links of rechts gaf – en ik Greg Lemond de Tour de France zag winnen in de laatste etappe met een voorsprong van acht seconden op geletruidrager Laurent Fignon. Zeg maar gerust: Het Totale Niets Doen. Een zorgeloze zomer, zonder vakantievriendinnetjes en andere ongein, want daar was ik nog te jong voor.

In mijn herinnering maakten we die vakantie maar tweemaal een uitstapje. De eerste keer gingen we een dagje naar Barcelona, waar tot grote vreugde van mijn moeder een superdrukke El Corte Inglés werd gevinckt. Op de terugweg kwamen we met de bus, volledig gevuld met Hollanders die in een van de megahotels in Lloret verbleven, langs Nou Camp. Ik zat als dertienjarig jochie met mijn neus tegen het raam gedrukt.

Het was het pre-Champions League-tijdperk, dus het stadion van FC Barcelona kende ik alleen van sporadische beelden op tv en de stripboeken van Ronnie Hansen. Barça was op dat moment wel mijn favoriete buitenlandse club. Niet omdat Johan Cruijff er trainer was, maar simpelweg omdat mijn eerste voetbalshirt het blaugrana van het merk Meyba was, eerder gedragen door de zoon van Tante Roos (die overigens niet mijn echte tante was, maar in Rotterdam en omstreken heetten alle vrienden en kennissen van mijn ouders nu eenmaal ‘Oom’ en ‘Tante’).

Het tweede uitstapje was dan ook naar Nou Camp. Ik hoefde er niet lang voor te zeuren, mijn vader vond het wel leuk om mee te gaan. Niet omdat hij nu zo’n grote voetbalfan was, maar waarschijnlijk omdat hij het zitten in de schaduw, met een cerveza, een puzzelboekie of thriller van Alistair MacLean en zijn eeuwige sjekkie, wel even zat was. Mijn vier jaar oudere broer, die weinig met voetbal heeft en nog steeds denkt dat Ed de Goeij keeper is van Feyenoord, en moeder bleven achter in het hotel.

Het gebeurde niet zo heel vaak dat ik alleen met mijn vader, die helaas niet meer onder ons is, op pad ging. Het waren ook meestal zwijgzame momenten, maar pa en ik hadden niet veel woorden nodig als we met z’n tweeën waren. We hadden dezelfde soort humor – wat aan tafel vaak ten koste ging van m’n broer (sorry, Eric) – en hadden aan een blik voldoende om elkaar te begrijpen. Als we samen een film van Bud Spencer en Terence Hill of Louis de Funès zaten te kijken – ik in de grote stoel voor de tv en hij achter mij op de bank – keek ik vaak even achterom bij een grappige scène. Dan kneep hij zijn ogen fijn en grijnsden we even naar elkaar. In de auto op weg naar het voetballen maakte hij ook altijd dezelfde grap waarbij hij net deed alsof hij mij een sigaret aanbood, die ik vervolgens afsloeg, voordat hij er zelf eentje opstak.

Enfin, toen we met de bus bij Nou Camp aankwamen, maakten we eerst een rondje eromheen, zoals ik jaren later nog steeds doe bij elk nieuw stadion. Bij het zien van mijn Barcelona-shirt vroeg een passerende Nederlander aan mij in het Engels of ik ook wist hoe laat het stadion openging, waarop ik antwoordde dat ik dat net aan hem wilde vragen. Barcelona was in die tijd natuurlijk al een grote club, maar het was nog niet zo megatoeristisch als tegenwoordig. Georganiseerde rondleidingen bestonden bijvoorbeeld nog niet. Een portier meldde dat we niet naar binnen mochten, maar als we even zouden wachten, zou het stadion misschien een uur later opengaan. En dus zochten mijn vader en ik een terras in de schaduw, waar hij nog maar eens een San Miguel bestelde en ik een Fantaatje. Een diepgaand gesprek hadden we niet, maar we voelden ons op ons gemak.

Een uur later mochten we alsnog het stadion in. Er bleek een bijeenkomst te zijn van Jehovah’s Getuigen, dus we konden de tribune niet op, maar wel konden we een bezoek brengen aan het museum. Ik hield de net gewonnen Europacup II omhoog en maakte foto’s van duizenden andere, onbekende trofeeën en van een vergeeld vaantje van Feyenoord – FC Barcelona uit 1974. Bijna kwijlend van al dat moois liep ik rond en mijn vader sjokte er achteraan.

Na het verlaten van het museum kwamen we in de fanshop terecht, wat wel meer voorstelde dan de caravans met prullaria bij De Kuip, maar in het niet viel bij de huidige megastores. Daar kocht ik, gesponsord door pa, onder meer kaarten van Johan Cruijff, keeper Zubizarreta en spits Gary Lineker, een sjaal, een portemonnee met klittenband (waarover een andere keer meer) én een soort schaaltje op een aluminium houdertje. Niet omdat ik er iets mee kon, maar gewoon, omdat ik het gewoon vond.

Jarenlang heeft het schaaltje plus houdertje op mijn bureau gestaan, naast een Blokker-glas van het EK 1988 en een glas van Feyenoord – Benfica uit 1963, die allebei helaas gesneuveld zijn. Maar het schaaltje bleef fier staan, ook al had hij geen enkele functie.

Weer jaren later besloot ik het schoteltje, inmiddels zonder het aluminium houdertje, mee te nemen naar mijn studentenkamer. Mijn vriendin transformeerde het schaaltje in een schoteltje om theezakjes op te zetten (iets waarvan er tegenwoordig een stuk of vijf in het kastje boven het aanrecht liggen, naast de verzameling andere ‘handige’ schaaltjes en kommetjes). Het schaaltje werd aanvankelijk met de hand gewassen, maar waarvoor ik al bang was gebeurde… Eenmaal in het bezit van een afwasmachine stopte mijn vriendin hem in de vaat, en ja hoor, de paars-blauwe kleuren van het Barcelona-logo vervaagden langzaam. “Ik had nog zo gezegd, Hellen: NIET IN DE AFWASMACHINE!”

Maar gelukkig zijn mijn herinneringen aan die warme zomer van 1989, toen geluk nog heel gewoon was, en het uitstapje met mijn vader, nooit vervaagd.

In het Staantribune Museum wordt elke week iets ‘bijgezet’. De ene week schrijft een van de redacteuren van Staantribune een persoonlijk verhaal over een bepaald attribuut, de volgende week mogen jullie als lezers een voorwerp aanleveren. Heb jij een bijzonder item met een leuk verhaal erbij? Stuur dan een mail mét foto van het voorwerp naar info@staantribune.nl en misschien komt jouw item wel in het museum.