In het Staantribune Museum wordt elke week iets ‘bijgezet’. Heb jij een bijzonder item met een leuk verhaal erbij? Stuur dan een mail mét foto van het voorwerp naar info@staantribune.nlDeze week: het lelijke jubileumspeldje van Staantribune-redacteur Matthijs Snepvangers.

Jatto Ceesay belde mij afgelopen maandag. Het was zo vreemd als deze zin klinkt. Ik had de oud-speler van Willem II een paar weken geleden een appje gestuurd en niets meer vernomen. Zo spoorloos als hij was, wilde hij blijven, dacht ik. Maar toen ik opnam en uit verbazing alleen mijn voornaam zei, hoorde ik aan de andere kant van de lijn meteen enkele Nederlandse volzinnen. Hij was namens de Russische voetbalbond in Portugal geweest en was vanuit Sint-Petersburg net in zijn woonplaats Liverpool aangekomen. Daarom belde hij nu pas.

Of ik het erg vond dat hij in het Engels verder ging. Ondanks dat zijn Nederlands na al die jaren nagenoeg perfect is, vond ik dat natuurlijk geen probleem. Wanneer heb je nu een jeugdheld aan de lijn die zich zo nederig opstelt? De volgende anderhalf uur heb ik maar tien keer yes, no of of course hoeven zeggen. Jatto ratelde aan een stuk door. Over zijn wedstrijden in de Champions League, hoe Sami Hyypiä hem in Liverpool een trouwfotograaf bezorgde, hoe belangrijk Martin van Geel was, dat hij nog steeds eruitzag als een voetbalprof en hoe hij het respect van Co Adriaanse afdwong.

De tijd vloog aan mijn keukentafel. Zat ik daar te keuvelen met de man van wie ik zoveel seizoenen had genoten.  Tijd om terug te denken aan die wedstrijden rond de eeuwwisseling kreeg ik niet. Jatto praatte maar door. Hij luchtte zijn hart over Willem II, hield van van zijn huidige leven, lachte om gebeurtenissen in het verleden en barstte soms in woede uit over vervlogen tijden. Ik genoot als een kind in een snoepwinkel. Hij sloot uiteindelijk af met de mededeling dat ik hem altijd mocht bellen en wenste me een fijne avond toe.

Toen het gesprek voorbij was, moest ik terugdenken aan 1995. Het jaar dat Jatto bij Willem II kwam.

De Hoevenseweg in Tilburg was voor mij het kinderparadijs waar mijn opa en oma woonden. De bruine massieve keukentafel, die nu bij mijn ouders in de woonkamer staat, was het begin van mijn voetbalopvoeding. Opa, aangevreten door de kanker, pakte met trillende handen een boek uit de boekenkast. Willem II veertig jaar, simpeler en beter ga je een titel voor een jubileumboek niet krijgen. Opa liet de pagina’s van het boek door zijn vingers gaan. Die vingers, wit van de ziekte, kregen weer wat leven in zich. Het theater van de nostalgie maakte zich van hem meester. Hij wees mensen aan op de foto’s die hij kende. Had het over al lang overleden spelers en hield op een van de laatste pagina’s trots stil. Hij wees een klein blond negenjarig ventje aan. Hijzelf als speler van Willem II. Het was de leeftijd die ik toen ook ongeveer had. Met grote ogen van verwondering keek ik hem aan. 

Opa was doodziek. Maar als zijn gezondheid het even toeliet, ging hij die dagen naar Willem II. Naar de training of een wedstrijdje, net wat uitkwam. Eén speler was hem opgevallen. In de krant had hij zijn naam gelezen. ‘Keesie” noemde hij hem. Of het Tilburgs is voor Ceesay weet ik niet, maar het was de laatste speler die opa zag schitteren en waar hij het openlijk over had. Het honderdjarig bestaan in 1996 maakte hij nog volledig mee. De kanker pakte hem echter vóór het UEFA Cup-voetbal van 1998. Hij liet mij onder meer een boek, sjaal en een klein speldje na. Een speldje waar ik na het telefoontje van Jatto weer even naar keek. Dat zoiets lelijks toch zo mooi kan zijn. 

Heb jij ook een bijzonder item met een leuk verhaal erbij? Stuur dan een mail mét foto van het voorwerp naar info@staantribune.nl