RWDM moest er in 2002 noodgedwongen mee ophouden, maar onder de supporters bleef de Brusselse club voortleven. “We vinden elkaar overal terug.” In het voorjaar begonnen de fans te dromen van een herstart in de Belgische vierde klasse volgend seizoen.

Israël – België, een kwalificatiewedstrijd voor het EK 2016, is amper negen minuten bezig als Stéphane Lievens via de chat van Facebook een foto stuurt. Een shot van de tribune. Je ziet supporters met Belgische sjaals, iemand met een Israëlische sjaal, een paar gekke hoedjes, maar vooral een grote vlag met het logo van RWDM.


Het is niet de eerste keer dat het embleem van de Brusselse club opduikt bij de Rode Duivels. Ook op het WK in Brazilië viel het in de stadions te bespeuren. “Er is bij wedstrijden van de nationale ploeg altijd wel iemand aanwezig die de vlag van RWDM bij zich heeft”, zegt Lievens, een fervent supporter van Molenbeek en de Rode Duivels. “De voetbalbond heeft dat niet graag, maar we krijgen er van andere supporters wel altijd positieve reacties op. Onze bedoeling is om te tonen dat RWDM nog leeft.” Grijnzend: “Ik ben er alleen niet helemaal zeker van dat iedereen toen doorhad dat de club eigenlijk niet meer bestond.”

RWDM, op 1 juli 1973 ontstaan door de fusie van Racing White en Daring Molenbeek, ging in 2002 failliet. De poging die Johan Vermeersch daarna als nieuwe voorzitter ondernam om de club door een fusie met KFC Strombeek onder de naam FC Brussels te laten voortbestaan, hield stand tot de vereffening in juni 2014. Maar de fanatiekste supporters waren toen al lang afgehaakt: zij beschouwen 2002 als het echte einde van hun club. In een poging om RWDM alsnog weer op te richten met het originele stamnummer, het eigen logo en in het vertrouwde Edmond Machtensstadion, raakte RWDM verwikkeld in een strijd met White Star Bruxelles. De club mag dan wel a ghost looking for a body zijn om weer in eerste klasse te geraken, een ziel laat zich niet zomaar uitgommen.

Veel supporters gingen als ‘Ketje’, zoals Brusselse jochies worden genoemd, al aan de hand van hun vader, oom of grootvader naar wedstrijden. Thierry Gobbe reed toen hij zestien werd en in de buurt van La Louvière woonde, als supporter voor het eerst alleen naar het stadion. “Met een brommer die maar veertig kilometer per uur kon”, zegt hij. “Ik was anderhalf uur onderweg over de binnenwegen. En na de wedstrijd moest ik weer anderhalf uur terug. Ik was als kind al meteen gegrepen door de ambiance, die heel anders voelde dan bij Anderlecht, volkser, want een Molenbekenaar is eenvoudig en gemoedelijk. Die passie zal ik nergens anders vinden.”

De tas van Boskamp
In een uitgebreide verzameling bracht Thierry Gobbe een rits echte RWDM-memorabilia bij elkaar. Tien jaar heeft hij gespaard voor een bijgebouw aan zijn woning om ze er in onder te kunnen brengen. Een complete map elftalplaatjes uit 1930, kaften vol wedstrijdverslagen uit de krant, het naambordje van de kleedkamerdeur, kopjes en schoteltjes uit de kantine met het clublogo, een uit de vuilnisbak opgeviste trofee uit 1978 van een toernooi waaraan ook Real Madrid deelnam, onbetaalde facturen die na het faillissement gewoon op straat waren beland, de bal van de laatste officiële wedstrijd van RWDM op Gent in 2002, hoezen met vinylplaten vol RWDM-gezangen en rijen kapstokken met authentieke truitjes.

Zoals bijvoorbeeld het keeperstruitje van Francis Cuypers. “Shirts van doelmannen zijn het moeilijkst te vinden, omdat er maar twee van zijn”, zegt Gobbe. “Ik kreeg dat van Cuypers aanvankelijk niet, want zijn vrouw was een stewardess en zij sliep ’s nachts in zijn keeperstruitje als een van hen in het buitenland zat. Zo voelden ze zich toch altijd bij elkaar. Maar na een paar jaar liet ze mij weten dat hij gestopt was met voetballen en dat ze het niet meer nodig had – toen heeft ze het alsnog opgestuurd.”

Soms wilden spelers hun tenue nog eens terugzien. “Jurgen Vandevelde was vroeger reservedoelman en werkt nu in China. Hij was daar een oud-trainer van Real Madrid tegengekomen die niet geloofde dat hij ooit keeper in de eerste klasse was geweest. Dus mailde hij mij of ik als bewijs een foto kon sturen van het truitje dat hij mij ooit gegeven had. Kijk, dat contact met de spelers dat ook na hun carrière blijft, dat zou bij een club als Anderlecht nooit lukken”, zegt Gobbe met een lach.

In een hoek van zijn minimuseum staat een oude, stevige, witte sporttas. “Gekregen van Johan Boskamp”, zegt Gobbe. “Ik wilde toen hij nog voetbalde met hem op de foto. Hij heeft er ter plekke al zijn spullen uit gehaald en mij zijn tas cadeau gedaan.” En onderin een vitrinekast ligt het stuk van de houten bank waar hij als abonnee tien jaar op heeft gezeten, afgezaagd net voor de tribune werd gesloopt om er business seats op te trekken. “Die business seats hebben ons de das omgedaan”, zegt Gobbe. “Men dacht dat ze meer geld zouden opbrengen, maar RWDM was geen business- of internationale club, RWDM was een Brússelse club. De enige Brusselse club trouwens.”

Rivaliteit met Anderlecht
“RWDM is de ziel van Brussel”, beaamt Stéphane Streker, een Brusselse cineast en supporter van RWDM, “omdat Anderlecht al snel een nationale ploeg is geworden met supporters uit Vlaanderen en Wallonië. Bij RWDM zie je bijna alleen maar Brusselaars. Die zingen niet voor niets ‘There’s only one team in Brussels’. Wie Brussels wil horen praten, moet bij RWDM zijn, niet in Anderlecht.”

Daarmee is meteen de rode draad in het bestaan van RWDM aangeraakt: de rivaliteit met Anderlecht. “Ik herinner mij nog dat ze in de rust en na afloop de uitslagen van de andere wedstrijden omriepen”, zegt Streker. “Als Anderlecht gewonnen had, riepen ze die in het midden van het rijtje af; als ze verloren hadden, was het wachten, wachten, wachten, tot op het laatst… en dan barstte het kabaal los.”

‘There’s only one team in Brussels’

De grootste overwinning op Anderlecht boekte RWDM in 1975, onder het voorzitterschap van Jean-Baptiste L’Ecluse, door kampioen van België te worden. Supporters trokken door de straten van Molenbeek met een lijkwagen en een kist om Anderlecht symbolisch ten grave te dragen. In een vlaag van overmoed verklaarde L’Ecluse, een welstellende bouwondernemer en mecenas, dat hij de plek waar het stadion van Anderlecht stond vol zou zetten met appartementen. Echter, een paar jaar later moest hij al zijn beste spelers aan Anderlecht verkopen om te kunnen overleven. Nico de Bree, Benny Nielsen, Morten Olsen… Alleen Johan Boskamp niet. “Vandaar dat Boskamp Anderlecht lang haatte: ze hadden iedereen weggekocht, behalve hem. En hij was de Gouden Schoen”, zegt Thierry Gobbe.

In het vastgoed dat L’Ecluse als bouwondernemer in de omgeving van het stadion neerpootte, investeerden ook sommige spelers. “Op de aankoopakte van het appartement waarin mijn moeder nu nog woont”, zegt Streker, “staan de handtekeningen van mijn ouders naast die van de verkoper: Johan Boskamp.” Voor Streker was Boskamp een idool. “Het truitje dat ik van hem kreeg, koester ik en in mijn toilet hangt zelfs nu nog een poster van hem.”

Boskamp was de eerste buitenlander in de Belgische competitie die de Gouden Schoen kreeg. Hij genoot veel aanzien binnen de club. “Boskamp verwachtte van iedereen hetzelfde professionalisme als hij zelf aan de dag legde”, herinnert Gobbe zich. “Maar Kersten Bjerre, de Deense libero die ook nog voor PSV en Go Ahead Eagles speelde, amuseerde zich graag naast het veld. Tijdens een stage was Bjerre een keer laat op stap geweest en Boskamp kon dat absoluut niet hebben. Dus verscheen Bjerre ’s anderendaags met een blauw oog op de training. Er is nooit gezegd hoe hij daar aan kwam, maar iedereen wist wie het hem had bezorgd”, lacht Gobbe.

Feyenoord
UEFA Cup, tegen Athletic Bilbao, een ander groot moment in de clubgeschiedenis. Piet de Visser was trainer, hij versloeg in 1977 met RWDM Feyenoord in de kwartfinales. “Ik herinner mij die wedstrijd tegen Feyenoord nog als de dag van gisteren”, zegt Streker. “Hij vond namelijk plaats op 16 maart en ik verjaar de 17de, dus ik mocht als vervroegd verjaardagscadeau met mijn vader mee. Jacques Teugels, wiens bijnaam om evidente redenen Jacky Tuborg was, heeft daar een van de belangrijkste doelpunten in de geschiedenis van de club gemaakt door een penalty binnen te trappen.”

In een van zijn films, Le monde nous appartient, liet Stéphane Streker overigens Teugels als eerbetoon een figurantenrol spelen. “Ik nam er een kort dialoogje tussen Jacques Teugels en Maurice Martens in op”, lacht hij. “De dag nadat de film was uitgekomen, mochten RWDM-fans komen kijken. Teugels, Martens en nog een pak andere spelers waren er ook. Op het moment van hun scène begon iedereen in de zaal te applaudisseren.”

Feestje in Bordeaux
De ziel van RWDM laat zich niet zomaar uitgommen. Met White Star Bruxelles, dat afgelopen seizoen in het Edmond Machtensstadion speelde, hebben echte RWDM-supporters daarom niet veel. “Er zaten toen we het een keer telden twaalf betalende thuissupporters. Dat is zowat hun gemiddelde. Bij RWDM zitten er gegarandeerd meteen tweeduizend, daar ben ik zeker van”, zegt Thierry Gobbe. “Want we vinden elkaar overal terug. Met mijn broer en een vriend van hem ben ik in 1998 naar België – Mexico gaan kijken op het WK in Frankrijk. Zij zijn twee Anderlechtmannen, dus terwijl we met de TGV naar Bordeaux reden, zaten ze mij te plagen dat ik mij ginder als RWDM-supporter alleen zou voelen. Maar toen we bij het stadion kwamen, zei de ene na de andere supporter goeiedag tegen mij, want we kenden elkaar allemaal van RWDM. En zij tweeën zijn niemand tegengekomen die ze kenden. Na die wedstrijd hebben we trouwens nog fantastisch feest gevierd in de stad, hoewel daar niets op voorhand van was afgesproken. Zo ging het ook toen we na het faillissement in 2002 een reünie hielden. Al hadden we elkaar negen maanden niet gezien, toen we weer samenkwamen, voelde het als de dag van gisteren. Op zulke momenten besef je dat RWDM nooit zal sterven, daarvoor maakt het een veel te groot deel van ons leven uit.”

Foto’s: Marco Magielse