Staantribune-redacteur Joris van de Wier reisde de afgelopen twee jaar langs de negen slechtste voetballanden van Europa. Het resultaat kun je lezen in Pot 6 – Op bezoek bij de voetbaldwergen van Europa. Zo bezocht Van de Wier onder meer de verdeelde stad Mitrovicë, het Kosovaarse Belfast. Een voorproefje:

Omdat het Kosovaarse elftal volgend week donderdag tegen Kroatië speelt, zijn alle competitiewedstrijden van het weekend ervoor naar midweeks verschoven. Vreemd, want de meeste competities in Europa gaan wel gewoon door. Bijkomend probleem van die midweekse wedstrijden is dat er geen stadions met lichtmasten zijn in Kosovo. De wedstrijden moeten dus overdag worden gespeeld.

Voor mij persoonlijk is dat perfect. Door mijn Moon Boot kan ik toch geen auto huren en als de wedstrijden in de ‘s avonds zouden zijn gespeeld, had ik niet kunnen gaan vanwege het ontbreken van openbaar vervoer in de avonduren. Nu kan ik op woensdag, donderdag en vrijdag duels bezoeken in de Kosovaarse competitie en op zaterdag is er zelfs nog een mogelijkheid om te gaan vincken in het Servische gedeelte van het land.

De eerste wedstrijd op mijn programma is KF Trepça – Feronikeli. Dat is een mazzeltje. Mitrovicë, het Kosovaarse Belfast, stond sowieso op mijn lijstje om te bezoeken omdat het een interessante stad is. Dat ik er nu een wedstrijd kan zien, is extra mooi. Feronikeli is de kampioen van Kosovo, dus er is zelfs een kans dat ik goed voetbal ga vincken.

Omdat er amper spoor is in het land, moet ik met de bus naar Mitrovicë. Volgens Stefan, een Nederlander die in Kosovo woont, werkt dat systeem perfect. Bij het hotel neem ik een taxi om naar het busstation te gaan, want ik ken de weg niet helemaal en ben natuurlijk slecht ter been. De chauffeur vraagt waar ik naartoe ga en als ik Mitrovicë zeg, kijkt hij zorgelijk. “Ga niet naar het noorden”, geeft hij mij mee. “Daar is het heel gevaarlijk voor mensen die daar niet vandaan komen.” Al de waarschuwingen maken mij eigenlijk nog nieuwsgieriger.

Na anderhalf uur in de bus ben ik in Mitrovicë. Het busstation is in het Albanese zuiden. Dat merk ik al snel als ik rondloop. Overal zijn de rode vlaggen met tweekoppige zwarte adelaar te zien. Ooit was dit een heel welvarende stad. Dat had het te danken aan de Trepça-mijn die hier vlakbij ligt. De grond onder Mitrovicë zit vol met rijkdommen. Al sinds de Romeinse tijd wordt hier ijzererts, koper, zink en zilver gewonnen. In de goede tijd, de decennia na de Tweede Wereldoorlog, was de mijn goed voor zeventig procent van het inkomen van Kosovo. Er werkten meer dan 23.000 mijnwerkers onder de grond en het bracht Mitrovicë veel voorspoed.

De ellende in de stad startte na het overlijden van Tito. In Joegoslavië begonnen sektarische spanningen de kop op te steken en daarvan werden vooral de Albanezen het slachtoffer. In 1989 besloten twintigduizend Albanese mijnwerkers in de Trepça-mijn te gaan staken. Zij werden allemaal ontslagen en de mijn levert sindsdien amper meer iets op. Tegenwoordig werken er een paar honderd man met verouderde spullen. Er is ook nog steeds een conflict tussen Servië en Kosovo van wie de mijn nu eigenlijk is. Mede daardoor wil niemand investeren, want het ligt politiek allemaal heel gevoelig.

Dankzij de inkomsten van de mijn floreerde niet alleen de stad, maar ook de lokale voetbalclub. FK Trepča werd in 1932 opgericht door mijnwerkers en bereikte in 1977 als eerste Kosovaarse voetbalclub de hoogste divisie van Joegoslavië. De club degradeerde meteen, maar bereikte wel de Joegoslavische bekerfinale. Dat had nog geen Kosovaarse voetbalclub hen voorgedaan. De finale werd verloren, maar Trepča maakte indruk in die jaren en leverde ook spelers aan het nationale elftal. Waar in sommige Kosovaarse steden clubs uitsluitend voor Serviërs of Albanezen waren, was Trepča de club van de hele stad. Zowel het publiek, het bestuur als de spelersgroep bestond uit mensen met verschillende achtergronden. De vijand was niet de andere bevolkingsgroep, maar FC Pristina uit de hoofdstad van Kosovo.

Helaas verdween die cohesie in de jaren na de dood van Tito. FK Trepča zakte weg en begin jaren negentig begon de Albanese gemeenschap een parallelle samenleving in Kosovo onder leiding van Ibrahim Rugova. De Albanese Kosovaren begonnen met eigen scholen, ziekenhuizen en een belastingsysteem naast dat van de Joegoslavische regering.

Ook besloten de Albanezen eigen voetbalclubs te beginnen. De Albanese tak van FK Trepča ging verder onder de naam KF Trepça en claimt de club uit 1932 te zijn. In een artikel over de Trepca’s in de New York Times legt Bardhec Seferi, ex-speler van FK Trepča die overstapte naar KF Trepça, uit wat de omstandigheden waren voor de voetballers van de nieuwe club. “Ik speelde in de jaren tachtig voor Trepča. In de ploeg zelf waren geen etnische spanningen en maakte het niet uit of de spelers nu Albanees, Servisch of Bosnisch waren. We waren net één grote familie en konden goed met elkaar opschieten. Maar in 1991 verlieten wij, de Albanese spelers, het team. Als Albanezen hadden wij geen rechten meer, daarom besloten wij een eigen samenleving te beginnen met dus ook een aparte voetbalcompetitie. Wij hadden geen stadion meer en voetbalden op weilanden of afgelegen velden. Dat moest geheim blijven en vaak kregen wij pas vlak voor de wedstrijd te horen waar die gehouden werd. De velden waren niet goed en wij moesten ons wassen in ijskoude beken. Als de politie erachter kwam dat wij aan het voetballen waren, gingen zij meteen op de wedstrijden af om die stil te leggen. Spelers en toeschouwers konden gearresteerd worden en dan zat je soms zomaar drie dagen in de cel.”

FK Trepča ging ondertussen door zonder de Albanese spelers en bleef in het Trepča-stadion spelen. Waar er in de goede jaren soms twintigduizend mensen zaten, mocht de club nu blij zijn met een paar honderd. Tijdens de burgeroorlog werd het stadion niet meer voor voetbal gebruikt maar schuilden er vluchtelingen. Na de oorlog lag het stadion ineens in het Albanese zuiden van Mitrovicë. FK Trepča moest vertrekken en KF Trepça trok erin.

Seferi schrok toen hij het stadion weer zag: “Nadat de oorlog was afgelopen en wij terug naar ons stadion konden, was het gras zo hoog dat je niet eens je navel kon zien. Daarom gingen de spelers het zelf wegsnoeien en maaien. We waren weer thuis, maar het stadion was een puinzooi. Zo waren alle prijzen verdwenen.” KF Trepça speelt vandaag de dag nog altijd in het stadion dat tegenwoordig de naam Olympik Stadiumi Adem Jashari, vernoemd naar de oprichter van het UÇK, draagt.

Bij FK Trepča doet die stadionnaam extra pijn. Vanaf de andere kant van de Ibar kunnen de Serviërs namelijk het stadion zien liggen en de naam van Adem Jashari lezen. In hetzelfde artikel in de New York Times komt FK Trepča-secretaris Petar Milosavljevic aan het woord. “Als ik op mijn balkon sta, kan ik de Albanese spelers zien spelen. Het doet pijn om dat te zien. Het stadion is mijn thuis en ik kan wel janken als ik dat zie. Ik hoop dat de relatie tussen ons Serviërs en de Albanezen ooit weer zal verbeteren. Mijn droom is om beide Trepca’s ooit weer samen te zien spelen, maar weet niet dat ik dat nog ooit ga meemaken.”

Zelf probeerde ik ook met Milosavljevic in contact te komen, maar dat lukte niet. Sowieso kreeg ik geen antwoord van FK Trepča, dat ook claimt de club uit 1932 te zijn ondanks een fusie in 2010. Toch wil ik ook het noordelijke deel van de stad bezoeken. Daarvoor moet ik de New Bridge over die in 2001 met Frans geld werd gebouwd. Om gevoeligheden te vermijden werden er precies evenveel Serviërs als Albanezen ingehuurd om die te bouwen. Mensen wandelden na de opening over de brug alsof er niets aan de hand was, maar in 2004 liep het helemaal uit de hand in Mitrovicë. Er ging een vals gerucht dat Serviërs drie Albanese kinderen hadden laten verdrinken. Als wraak werden er zeven Servische dorpen gesloopt waarbij 28 Serviërs stierven en honderden gewond raakten.

Ook gingen dertig historische orthodoxe kerken in vlammen op en werd het Servische kerkhof, dat in het zuiden van de stad ligt, helemaal gesloopt door zigeuners die hoopten een wit voetje te halen bij de Albanezen. Sindsdien ligt er een barricade aan de Servische kant van de brug en staan er Italiaanse KFOR-soldaten die de partijen uit elkaar moeten houden.

De brug zelf is afgesloten. Aan de Albanese kant staan hoge hekken, maar ik zie dat er onder een loopbrug ligt. Daar lopen een paar mensen, dus ik ga ervan uit dat ik daarmee naar het noorden kan. Beneden bij de brug is een muurschildering te zien van een studente die een bordje met de tekst ‘I want to study abroad, but where is my freedom of movement?’ in haar handen heeft. Daarboven staat de tekst ‘treat us fairly’. Aan de Servische kant word ik begroet door de militaire voertuigen van de Italianen, een grote geschilderde Servische vlag en veel wantrouwige blikken. Op een van de flats is een muurschildering te zien van de Servische waterpoloërs die twee maanden eerder goud wonnen op de Olympische Spelen van Rio. Ook staat er een monument met de namen van de Servische slachtoffers uit de burgeroorlog.

Ik merk meteen dat het noorden een totaal andere wereld is dan het zuiden. Overal zijn Servische vlaggen te zien, de auto’s hebben Servische nummerplaten en je kunt er alleen betalen met de dinar. Er hangen posters met de afbeelding van Vladimir Poetin en grote muurschilderingen met teksten dat Kosovo bij Servië hoort. Op een heuvel boven Noord-Mitrovicë staat een gigantisch betonnen monument ter ere van de Trepča-mijn. In de hoofdstraat hangen slingers met de Servische vlag. Het doet mij allemaal heel erg denken aan Belfast, waar je ook overal vlaggen ziet en meteen weet in welk deel van de stad je bent.

Ik loop weer terug naar het Albanese gedeelte. Het was een aparte ervaring in het noorden. Het stadion ligt op een halfuurtje lopen, dus dat moet te doen zijn ondanks het feit dat het snikheet is. Op Google Maps heb ik gezien dat ik onderweg het stadion van KF Trepça’89 passeer. Die club werd opgericht in 1992, maar koos voor het jaartal 1989 in de clubnaam ter ere van de stakers uit dat jaar. Drie Trepca’s, het wordt er niet makkelijker op. Het Riza Lushtastadion is open en is een echte Oostblokbak. Grote betonnen staantribunes laten mij genieten. De hoofdtribune is een paar jaar geleden afgebrand en nu weer opgeknapt. Het ziet er best modern uit.

Volgens de kenners die ik heb gesproken is Trepça’89 op dit moment de beste club van de drie Trepca’s. Zij maken zelfs een goede kans op de Kosovaarse titel (en zouden die ook winnen en daarmee de eerste Kosovaarse club in de CL worden, JvdW.). Het Riza Lushtastadion is vernoemd naar een van de beste voetballers die Mitrovicë heeft voortgebracht. Lushta speelde in de jaren dertig, veertig en vijftig in de Italiaanse (voor onder andere Juventus en Napoli) en Franse competities. Bij de Oude Dame liep hij bijna twee op drie, maar door zijn Albanese achtergrond werd hij nooit opgeroepen voor het Joegoslavische elftal. Lushta stierf in 1997 en het stadion van Trepça’89 draagt zijn naam.

Overigens heeft de stad meer goede voetballers voortgebracht, zoals Stevan Stojanović. In 1991 stopte hij in de finale van de Europa Cup I tegen Olympique Marseille de strafschop van Manuel Amoros in de beslissende serie en dat was genoeg om de beker te winnen. Twee jaar later stond hij met Royal Antwerp op Wembley voor weer een Europese finale. Ditmaal tegen Parma om de Europa Cup II. De Italianen wonnen met 3-1, waardoor Stojanović geen tweede internationale beker in zijn prijzenkast heeft staan. Ook vandaag de dag worden er in Mitrovicë nog goede voetballers geboren. Zo komen Servisch international Miloš Krasić van onder meer Juventus, en de voor Zwitserland uitkomende Valon Behrami (Lazio, Fiorentina, Napoli, West Ham, HSV, Watford en tegenwoordig Udinese) uit de stad.

De weg naar het Olympik Stadiumi Adem Jashari is vrij dubieus. Ik moet recht door de kampen van zigeuners lopen en word enorm bekeken. Ik voel mij nog ongemakkelijker dan aan de Servische kant van de stad. Het is ook ontzettend heet en ik zweet mij kapot door het lopen met die krukken. Als ik eenmaal voorbij de kampen ben, voel ik mij heel erg opgelucht. Even later ben ik bij het stadion dat er erg gaar uitziet. Op foto’s leek het een moderne bak, maar het blijkt een veredelde bouwval te zijn. In de muren zie ik nog kogelgaten zitten van de burgeroorlog. Of het komt doordat het woensdagmiddag is of doordat KF Trepça het zo slecht doet in de competitie weet ik niet, maar er zitten niet meer dan een paar honderd man in het stadion.

Vanaf de tribune zie ik de Ibar en het Servische deel van de stad liggen. Vanuit de flats daar kun je de wedstrijd volgen, maar geen Serviër die dat doet. Om de sfeer erin te krijgen, staat er op de sintelbaan een foute dj met een wit bestelbusje. Hij draait keiharde Kosovaarse techno. Het blijkt het hoogtepunt van de middag te zijn, want de wedstrijd is enorm slecht. Feronikeli is Kosovaars kampioen, maar kan er niet veel van. Het wint met 0-1, maar ik snap nog steeds niet dat iemand erin geslaagd is om te scoren. Mijn eerste indruk van het spelniveau van het Kosovaarse voetbal is niet positief. De techno daarentegen was wel heel goed.

Het boek Pot 6 – Op bezoek bij de voetbaldwergen van Europa van Joris van de Wier is in een beperkte oplage en alléén te bestellen in de Staantribune Webshop!