Staantribune-redacteur Joris van de Wier reisde de afgelopen twee jaar langs de negen slechtste voetballanden van Europa. Het resultaat kun je lezen in Pot 6 – Op bezoek bij de voetbaldwergen van Europa. Zo sprak Van de Wier onder meer met Mario Frick, een icoon in Liechtenstein. Een voorproefje:

De beste speler die Liechtenstein ooit heeft voortgebracht, is Mario Frick. Hij is de Johan Cruijff van Liechtenstein. Hij speelde voor een hele rits Zwitserse topclubs zoals FC Basel, FC Zürich, Grasshoppers en St. Gallen. Daarnaast kwam hij negen seizoenen uit in de Italiaanse competitie. Hij stond onder contract bij Arezzo, Ternana en Siena, maar zijn grootste club in Italië was Hellas Verona. Samen met Adrian Mutu en Alberto Gilardino vormde hij de aanval van de club in het seizoen 2001/2002. Hij sloot zijn carrière in 2016 op 41-jarige leeftijd af bij FC Balzers, de club uit zijn geboortestad waar hij momenteel trainer is. Pas het jaar ervoor was hij gestopt als international van Liechtenstein. Op het moment dat ik Frick ontmoet, is hij recordinternational met 125 interlands. Ook is hij de eeuwige topscorer met zestien doelpunten en dat zal hij voorlopig wel blijven. De nummer twee op de lijst, Franz Burgmeier, staat op negen doelpunten, maar die nadert ook het einde van zijn loopbaan.

De eerste keer dat ik Frick tegenkom is op mijn tweede dag in Liechtenstein. FC Balzers, waar hij trainer is, speelt een oefenwedstrijd tegen FC Vaduz. Het regent keihard en Frick besluit op de dijk naast de Rijn zijn auto te parkeren en vanuit daar de wedstrijd te volgen. Ikzelf sta in de regen en raak helemaal doorweekt. Maar de echte gifbeker is voor een reservespeler van Balzers. Die heeft de opdracht gekregen om de wedstrijd te filmen. Ook hij staat op de dijk, maar dan in zijn korte broek. Gedeeltelijk staat hij te schuilen onder een paraplu, maar die lijkt met name bedoeld voor de camera. Na de eerste helft heb ik het wel gezien en vertrek ik. Daarna stopt het met regenen en met plakkende kleding klim ik de heuvel op waar Haus Gutenberg is. Persoonlijk vind ik dit kasteel nog mooier dan dat van Vaduz. Het heeft ook iets mysterieus, alsof ieder moment Bela Lugosi naar buiten kan vliegen. Een perfecte locatie voor een horrorfilm.

Een paar dagen later zie ik Frick voor de tweede keer. We hebben afgesproken in het kunstmuseum van Vaduz. Dat is een groot zwart blok in het midden van de hoofdstraat van de stad. Ideaal, want je kunt het niet missen ook al doe je nog zo je best. We bestellen een koffie en ik vraag aan Frick wie de beste speler is tegenover wie hij ooit heeft gestaan. Hij hoeft niet lang na te denken: “Paolo Maldini. Een geweldige verdediger. Als aanvaller kwam je er tegen hem niet aan te pas. Zo goed als onpasseerbaar. De beste speler met wie ik ooit heb het veld heb gestaan was Ronaldo. Niet de Portugese nep-Ronaldo, maar de echte uit Brazilië. Die versnelling en doelgerichtheid van hem, fabelachtig. Het is eeuwig zonde van zijn blessures, want ik denk niet dat er ooit veel betere spitsen dan hem zijn geweest.”

Terwijl Frick nog een slok van zijn koffie neemt, vertelt hij verder. “Ik ben een echte Balzers-man. Op mijn achtste begon ik daar in de jeugdopleiding en op mijn zestiende stond ik in het eerste. Vier jaar later maakte ik de overstap naar St. Gallen, een Zwitserse ploeg hier net over de grens. In 2011 besloot ik te stoppen met profvoetbal en ging ik weer terug naar FC Balzers. Daar werd ik ook trainer. Komende zomer stap ik over naar de bond en word ik coach van Jong Liechtenstein. Maar FC Balzers zal altijd speciaal voor mij blijven. Vorig seizoen (2015/2016, JvdW) was echt loodzwaar. We vochten tegen degradatie en ik wilde dat per se niet op mijn cv hebben in mijn laatste jaar als speler. We haalden het net. Dat jaar was zo zwaar dat ik nog geen moment spijt heb dat ik ben gestopt als speler. Ik moet er niet aan denken om nog op het veld te staan. Die tijd is geweest.”

Frick stond bij Liechtenstein vaak alleen in de spits. Dat lijkt mij een ondankbare taak. Ik wil weten hoe dat voor hem voelde. “Vooral tegen de toplanden was het zwaar. De instructie van de trainer was dan om te proberen tot aan de rust de 0-0 vast te houden. Ik kreeg dan soms geen enkele bal. Dat valt niet mee. Maar toch wist ik dat ik iedere wedstrijd, tegen wie dan ook, altijd een kans zou krijgen. Daarom moest ik altijd op scherp staan om die te maken. Het was altijd even wennen als ik aansloot bij Liechtenstein. Zeker toen ik in Italië speelde waar alles tot in de puntjes verzorgd was, vond ik overgang naar het nationale elftal groot. Van afgeschermde trainingskampen naar een omgeving waar iedereen gewoon in en uit kon lopen. In Italië speelde ik alleen met fullprofs, terwijl bij Liechtenstein minstens de helft amateur was. Als speler moet je dan echt even de knop omzetten. De druk was ook veel minder bij Liechtenstein. Daar was iedereen al tevreden als we niet met te veel verloren, terwijl je in Italië iedere wedstrijd moest winnen.

Toch kwam ik graag terug voor interlands. Even weg uit de Italiaanse stress en mijn familie in Balzers bezoeken. Dat deed mij altijd goed. Die trainingskampen in Italië vond ik altijd verschrikkelijk. Ik heb zelden meegemaakt dat andere teams op ons neerkeken. Eigenlijk maar één keer, tegen Rusland was dat. Die behandelden ons echt als vuil. Zij vonden dat wij niet het recht hadden om samen met hen op het veld te staan. Maar gelukkig is dat een uitzondering. Voor de rest heb ik het nooit meegemaakt. Hoewel, toen wij tegen Nederland speelde had Marco van Basten ook veel commentaar op ons. Waarschijnlijk omdat het slechts 3-0 werd. De spelers van Oranje respecteerden ons overigens gewoon, het was echt alleen Van Basten die vond dat wij niet het recht hadden om tegen Nederland te spelen.”

Ondanks de eentonige trainingskampen kijkt Frick nog altijd met plezier terug op zijn negen seizoenen in Italië. “Het was heerlijk om in Italiaanse competitie te spelen. Ik was daar de eerste Liechtensteiner ooit en in het begin keken ze wel raar op. De meesten kenden mijn land niet eens. Mijn eerste seizoen bij Arezzo ging zo goed dat er meteen clubs uit de Serie A mij wilde halen. Ik koos voor Hellas Verona. We hadden best een goed team, maar het kwam er niet uit. Qua beleving maakte ik dingen mee die ik nog nooit had gezien. Ons publiek was bloedfanatiek, maar het was ook vrij normaal om een Hitlergroet te brengen. Ik geloofde mijn ogen niet. In Liechtenstein is dat strafbaar. Wat nog gekker was, was de uitwedstrijd bij Napoli. Onze spelersbus werd aangevallen en ik dacht dat ze ons wilden lynchen. En het waren niet alleen de ultras die dat deden. Oude mannetjes van tachtig sloegen met stokken op de ramen, kinderen die amper konden lopen gooiden met stenen en vrouwen staken hun middelvingers op. Daarnaast spuugden ze continu. Dat was wel wat anders dan de ‘ultras’ van FC Vaduz. Heel bijzonder om zo’n haat rondom een voetbalwedstrijd mee te maken als je uit zo’n rustig land als Liechtenstein komt.”

Van FC Vaduz heeft Frick niet echt een hoge pet op. Als ik hem vraag of hij in 2011 niet heeft overwogen om nog voor de Liechtensteinse topclub te spelen, lacht hij. “Nee, absoluut niet. Ik heb echt helemaal niets met FC Vaduz. Ik ben een Balzers-man en Vaduz is onze rivaal. Dat gevoel leeft nog altijd. Het is voor mij dus nooit een optie geweest om daar te gaan spelen. Ik ben stiekem best blij dat ik dat nooit heb gedaan. Ondanks dat Vaduz sportief veel verder is dan Balzers en Eschen/Mauren, leeft de rivaliteit nog steeds. Het gaat ook verder dan voetbal alleen. Zo zijn er allemaal vooroordelen over elkaar. Eschen/Mauren komt uit het Unterland en daar staan ze bekend als dieven, Vaduz is de arrogante hoofdstad en wij in Balzers zijn heel lui, haha. Maar dat Vaduz in de Zwitserse Super League speelt is natuurlijk wel goed voor de uitstraling van het voetbal in Liechtenstein. Het is alleen jammer dat de Liechtensteinse spelers bijna allemaal op de bank zitten. FC Vaduz heeft nu meer Zwitsers in de ploeg staan dan de meeste Zwitserse clubs in de Super League zelf. Voor het Liechtensteinse voetbal is dat een slechte zaak. Hopelijk gaat dat beleid veranderen als ze degraderen.”

Een ander ding dat volgens Frick moet veranderen is de mentaliteit van de jonge spelers in Liechtenstein. “Onze voetballers moeten het land uit om beter te worden. Het leven hier is te gemakkelijk en zo bouwen ze geen weerstand op. Ik ben ook blij dat mijn zoon Yanik (Frick’s andere zoon heet Noah allebei vernoemd naar de Franse tennisser, JvdW) nu in Oostenrijk speelt. Daar wordt hij sterker van. Het is niet altijd gemakkelijk, maar later zal hij daar profijt van hebben. Ik denk overigens dat het niet alleen voor voetballers goed is om een tijdje niet in Liechtenstein te wonen. Mensen klagen hier nogal snel over het land en hoe dingen geregeld zijn, terwijl het een paradijs is. Ik vind dat Liechtensteiners meer moeten reizen, dan zien ze pas hoe fijn het hier is en dat het eeuwige klagen nergens op slaat.”

Het boek Pot 6 – Op bezoek bij de voetbaldwergen van Europa van Joris van de Wier is in een beperkte oplage en alléén te bestellen in de Staantribune Webshop!