Staantribune-redacteur Joris van de Wier reisde de afgelopen twee jaar langs de negen slechtste voetballanden van Europa. Het resultaat kun je lezen in Pot 6 – Op bezoek bij de voetbaldwergen van Europa. Zo bezocht Van de Wier onder meer de verdeelde stad Mitrovicë, het Kosovaarse Belfast. Een voorproefje:

De dag na de interland heb ik een interview gepland met Koldo. Zijn echte naam is eigenlijk Jesús Luis Álvarez de Eulate Güergue, maar dat is zo ingewikkeld dat hij het daarom heeft versimpeld. Dat had ik als ik hem was geweest ook gedaan. Ondanks dat hij een geboren Bask is, was hij jarenlang international voor Andorra. De doelman kwam in 1994 bij FC Andorra terecht en werd na vier jaar gevraagd of hij niet het doel van zijn geadopteerde land wilde verdedigen. Koldo, die al 28 jaar was en wist dat hij nooit een kans een kans zou krijgen in het Spaanse elftal, zag dat wel zitten. Zijn debuut maakte hij in een 0-3 nederlaag tegen Brazilië en, elf jaar en 78 interlands later, zwaaide Koldo af met een 0-6 tegen Engeland. De Andorrese voetbalbond riep hem in 2003 uit tot hun beste speler ooit. Een paar maanden nadat hij gestopt was als speler werd hij bondscoach van zijn geadopteerde vaderland. Met de nederlaag tegen Zwitserland erbij heeft hij in zijn 47 wedstrijden als bondscoach drie keer gelijkgespeeld en 44 wedstrijden meer verloren. Maar toch is de bond erg tevreden over hem, want monsternederlagen vinden zelden meer plaats.

De afspraak is in het hoofdkwartier van de Andorrese bond. Het is een goed halfuur lopen, want het ligt net aan de andere kant van de hoofdstad. In een zijstraatje zie ik, tussen sigarettenwinkels, een klein kantoortje met daarop de letters FAF. Bingo, dat is het. Ik bel aan en Xavi Bonet, de perschef met wie ik vooraf contact heb gehad, doet zelf open. Waar de perschefs van San Marino en Kosovo clowns waren, is Bonet het tegenovergestelde. Met hem valt goed te praten en hij is heel hulpvaardig. Hij kijkt wat bezorgd naar mijn Moon Boot, maar ik vertel hem dat mijn achillespees aan de beterende hand is. Bonet begrijpt een klein beetje Nederlands, omdat zijn vrouw een Duitse is. Hij is geen groot fan van de Duitse taal, die volgens hem heel hard is. Ik beaam dat en vertel dat Nederlands totaal anders is. Vooral onder de grote rivieren, waar we niet van die rare keelklanken hebben. Hij vraagt wat ik van Andorra vind en als ik antwoord dat vooral de obsessie met sigaretten mij opvalt, moet hij lachen.

Ondertussen komt Koldo aangelopen. Hij spreekt geen Engels, waardoor Bonet bij het interview aanwezig zal zijn om alles te vertalen. Ook hij is bezorgd om mijn been en geeft wat tips. Dan gaan we naar de interviewkamer – ja, die hebben ze in Andorra – en vraag ik Koldo of het niet lastig is om iedere wedstrijd te beginnen terwijl je eigenlijk al weet die te gaan verliezen. Koldo: “Realistisch gezien weet ik dat de kans groot is dat we gaan verliezen, maar dat wordt niet hardop uitgesproken. Iedere wedstrijd beginnen we weer met 0-0 en er is altijd een kans op een stunt. Daar moet je ook altijd aan denken als speler zijnde, want anders kun je net zo goed niet aan de wedstrijd beginnen. Zo dacht ik ook toen ik doelman was. Ik wist dat ik het heel druk zou krijgen, maar wist ook dat we nooit helemaal kansloos waren. Dat hebben veel teams in het verleden al bewezen.”

Terwijl we het over de wedstrijd tegen Zwitserland hebben, vraag Koldo ineens: “Zag jij een verschil tussen de eerste en tweede helft?” Ik vertel dat ik Andorra veel beter vond na de rust, maar dat is niet het antwoord dat Koldo zoekt. Als kenner val ik keihard door de mand. “In de rust heb ik wat omzettingen gedaan. Met onze ploeg kunnen wij Zwitserland niet 90 minuten opjagen. Daarom koos ik ervoor om dat in de tweede helft te doen. Zij waren wat in slaap gesust door de eerste helft en dachten dat het heel gemakkelijk zou gaan. Natuurlijk hebben zij veel meer kwaliteit, maar door ze te verrassen hoopte ik een kans te maken en uiteindelijk kwamen we nog heel dichtbij.”

Koldo blijkt ook heel geïnteresseerd in mijn eerdere wedstrijden en vraagt wat het verschil is tussen Andorra en de twee landen die ik al bezocht heb. Ik vertel hem dat ik het Andorrese elftal veel harder vond spelen. Koldo knikt. “Ja, dat is zo. Ik heb de wedstrijden van San Marino en Kosovo ook gezien en vond hen heel naïef spelen. Grote landen loten ook veel liever San Marino of Liechtenstein dan ons. Andorrezen zijn een beetje gemeen en doen alles om te winnen. Dat vinden zij niet fijn. Ik denk dat het de enige manier is om een kans te maken tegen hen. Als straks de Nations League begint en wij tegen landen als San Marino spelen, hoop ik dat dat het verschil gaat maken.”

Nadat ik afscheid heb genomen van de twee vriendelijke mannen pak ik nog even de bus om wat rond te reizen in het land. Veel plekken zijn hetzelfde als in de hoofdstad. De natuur is prachtig, maar de dorpen zijn over het algemeen heel erg lelijk. Vooral plaatsjes die tegen de Franse en Spaanse grens aan liggen zijn afschuwelijk. Overal is dezelfde rommel te koop. Andorra heeft absoluut niet de charme van San Marino. De volgende ochtend om vijf uur ‘s ochtends, is het doodstil in Andorra. Het enige geluid wordt gemaakt door de bus die naar Spanje gaat. Precies die heb ik nodig, want de komende dagen ben ik in Madrid en Baskenland voor Staantribune. Stiekem ben ik blij dat ik maar vier dagen in Andorra ben gebleven. Vooraf leek het wat kort, maar het is meer dan voldoende gebleken. De kans dat ik hier nog eens terugkeer is minimaal. Of ik moet een kettingroker worden.

Het boek Pot 6 – Op bezoek bij de voetbaldwergen van Europa van Joris van de Wier is in een beperkte oplage en alléén te bestellen in de Staantribune Webshop!