Je hebt Feyenoord-supporters die hopen dat Ajax onderuitgaat in Europa. Andersom precies zo. Begrijp ik niet. Zodra Nederlandse clubs Europa ingaan, verkleuren de shirts van de ‘tegenpartij’ voor mij in oranje. Natuurlijk, als Ajax de Europa League wint, hoef je als Feyenoorder niet naar P3 af te reizen. Maar die kortzichtige haat en jaloezie – niks voor mij. Sowieso een raar fenomeen dat je clubliefde toont via clubhaat. Dat je pas een echte Feyenoorder bent wanneer je als chirurg de open beenwond van een Ajacied saboteert in plaats van opereert.

Zodra de Nederlandse clubs klaar zijn, kijk ik geen Europees voetbal meer. Vanaf januari heb ik doordeweeks dus meestal veel tijd over. De laatste jaren voelde ik veel heimwee naar mijn jeugd, toen Nederlandse clubs in Europese toernooien nog niet net zo waren als Nederlandse tennissers: veldvulling, figuranten. Zelfs de Belgen streefden ons voorbij. Ik begon me, als chauvinist, gestaag meer te verdiepen in sporten als darts, schaatsen en korfbal.

Mijn Europacup-hoop was de laatste jaren op het Ajax van Frank de Boer gevestigd. Komt vooral door mijn blinde vertrouwen in Johan Cruijff, die ontkende dat voetbal verworden was tot een ordinaire geldsport (“Een zak geld heeft nog nooit gescoord”). Frank kreeg Ajax niet echt aan het foeballuh, de aanvalsopbouw bleef hangen in aanvalsafbouw. De enige Europese successen die Ajax boekte, waren in de Youth Champions League. Soms leek opleiden bij Ajax meer doel dan middel. In spelers ouder dan achttien jaar werd nauwelijks geïnvesteerd, al het geld ging naar de jeugd. Lag de prioriteit van Marc Overmars soms bij de A1? Wilde Ajax op den duur die A1 overhevelen naar de ArenA en het eerste naar het in ‘Het Verleden’ omgedoopte ‘De Toekomst’?

Daarom ben ik nu zo blij met Peter Bosz, die meteen in zijn eerste seizoen Europees succesvol is. Peter blijkt gewoon een zeer goede trainer. Trainers worden, terecht, wel eens vergeleken met Formule 1-coureurs. Net als in de Formule 1 ben je als trainer afhankelijk van je materiaal. Zet Philip Cocu neer bij NAC en NAC zal niet promoveren. Peter startte zijn trainersloopbaan vals bij een club waar hij niet paste: De Graafschap, waar ze rugbyvoetbal willen zien, met schijt aan het positiespel. Later, bij Heracles, ontpopte Peter zich als een kale Co Adriaanse. Een voetbalidealist.

Al mijn hele leven kom ik bij Vitesse, maar nooit zag ik zo’n mooi voetbal als onder Peter Bosz. Vitesse slokte tegenstanders op; Peter was de Pep Guardiola van Gelderland. Enig nadeel: Peter was zo serieus als een schaker en leek humor te ontberen. Dacht ik. Tot ik hem op een zondagmiddag, geschorst, op de tribune zag zitten tijdens PEC Zwolle – Vitesse. Met een muts die Bob Marley-klonen gebruiken om zeven kilo dreads in op te bergen. Maar Peter had helemaal geen dreads. Peter was kaal. Peter de Boszkabouter kon bij mij niet meer stuk, toen, op de tribune in Zwolle.

Het mooie aan Peter: zijn zelfvertrouwen. Peter Bosz weet dat zijn voetbalformule klopt. Voor anderen is hij een idealist, maar voor zichzelf een realist. Waar zijn collega’s in discussies over de toekomst van ons voetbal zwabberen en defensief voetbal prediken (5-3-2) en verzanden in gelul over de wil om te winnen, bleef Peter koppig vasthouden aan zijn tactisch plan: Totaalvoetbal 2.0.

Ik herinner me de laatste bewegende beelden van Johan Cruijff, die in Tel Aviv met Peter Bosz uren over voetbal filosofeerde. Die beelden blijken, achteraf, iconisch. Johan draagt, enkele weken voor zijn dood, het stokje over aan zijn leergierige profeet Peter, op wiens kleine schouders de toekomst van ons vaderlandse voetbal rust. Jammer dat Johan de Ajax-wedstrijden in zijn ArenA tegen Kopenhagen, Feyenoord, Schalke en Lyon niet heeft mogen meemaken. Totaalvoetbal 2.0 was het. Ongetwijfeld had Johan gezien dat het goed was.