Het begon met lezen om niet gek te worden in de bajes, nu is Özcan Akyol schrijver van romans en columns en regelmatig met de ‘kop op de buis’ bij DWDD en Studio Voetbal. In de literatuur speelt Özcan knap bovenin de eredivisie, als seizoenkaarthouder van Go Ahead Eagles zijn de eerste divisie en de maandagavond zijn lot. Staantribune deed een avondje Adelaarshorst met Özcan.

Van alle avonden in de week wekt de maandagavond de laagste verwachtingen. De sportscholen zitten vol, de kroegen zijn leeg of potdicht. Bij het gros van gezapig Nederland moet Johan Derksen het entertainment verzorgen. En ik? Ik ga op stap met schrijver Özcan Akyol. Stappen op maandag, ooit was Özcan daar wel voor in. Sla zijn debuutroman Eus er maar op na. Eus vertelt hoe een ontsporende jongeman zich uiteindelijk bekeert tot het boek. Niet ‘Het Boek’ als in de Koran, maar ‘De Literatuur’ dus.

Eus deed verstokte lezers denken aan Ik, Jan Cremer. Mij aan Ik, Zlatan. Daarom vrees ik Özcan ook een beetje. Zijn alter ego Eus was in die debuutroman geen lieverdje. Op foto’s heeft Özcan van die priemende straatvechtersogen: wie denk je dat je bent? Nou, een mager mietje uit Arnhem met wildplassen als mijn grofste overtreding.

IJsselstreek 3
“Vroeger kon ik zeker dronken worden op maandag. Maar ik ben net vader geworden en heb morgen deadlines”, heet Özcan ons welkom in zijn Deventer, de Koekstad. Ons, dat zijn fotograaf Thijs, die als Deventenaar ‘thuisspeelt’, en ik. Gelukkig valt het met die boze blik mee, op het eerste gezicht. “Aardige kerel”, fluistert Thijs.

Het voorprogramma voor de Adelaarshorst bestaat uit een biertje in hartje Deventer. Van Go Ahead Eagles weet ik weinig, behalve dat het stadion heel ‘Engels’ in een woonwijk ligt. En daar gaat een voetbalhart sneller van kloppen, van een woonwijkstadion. In de trein richting Deventer herinnerde ik me de verhalen van mijn vroegere studiegenoot Stef Vloedgraven, een Eagles-diehard. Bij sommige uitwedstrijden was de animo tien jaar terug zo klein, dat de supporters meereisden in de spelersbus. Dat moeten wel maandagavondwedstrijden zijn geweest.

Özcan voetbalt zelf ook, als nummer tien van IJsselstreek 3. “IJsselstreek is berucht, we staan als aso’s bekend. Het is een club van kampers en wat verdwaalde Turken. Dat imago levert ons minstens drie overwinningen per jaar op, als tegenstanders ons opbellen om te vertellen dat ze niet komen. Of we alsjeblieft 3-0 op het wedstrijdformulier willen zetten. Tegenstanders die wel durven zijn bevooroordeeld en ontzettend agressief. Zo van: de aanval is de beste verdediging tegen dat tuig.”

De schrijver lijkt een haat-liefdeverhouding met ‘kansloze idioten’ te hebben. “Eigenlijk slaat het helemaal nergens op, amateurvoetbal. Nee, in wat ik op zaterdag meemaak zit geen boek. Wat er gebeurt en wat er wordt geschreeuwd gaat zo ver, dat het op papier over the top en niet grappig meer is. Maar als je nog eens een interessante reportage over de kelder van het amateurvoetbal wil maken… Echt, je weet niet wat je hoort en ziet.” Die afspraak staat. 

De meeste amateurvoetballers lezen geen boeken, maar kijken wel televisie. Özcan: “Tegenstanders die me herkennen roepen: ‘op televisie doe je heel aardig, maar in het echt ben je een vieze klootzak’. Of ze komen met tips over wat ik bij Studio Voetbal moet zeggen. Het voetbal is een uitlaatklep voor mij, maar mijn bekendheid ontneemt me de vrijheid om me te laten gaan. Laatst ging ik tekeer tegen de scheidsrechter en bleek dat gefilmd en op Twitter gezet te zijn.”

Poetin met puppy’s
Ik vraag of hij niet in Amsterdam moet wonen, net als zijn schrijvende generatiegenoten, die bijna allemaal op het Vossius College in Amsterdam-Zuid hebben gezeten. “Ik heb daar gewoond… Dertien maanden hield ik het vol. Ik aardde er niet. Ik heb er nog een column over geschreven. Die heette: ‘Als Amsterdammer een ras was, was ik een racist’.”

“Minder, minder, minder”, schrijft Özcan in zijn anti-Amsterdamcolumn. Het levert hem politiebeveiliging op, want het hagelt kiezelharde bedreigingen. “Maar alleen op internet. In het echt doet niemand wat. Nee, ik voel me niet onveilig. Alles wat ik doe levert bedreigingen op. Columns, maar ook als ik in een talkshow over Hakim Ziyech, Wilders of Turkse politiek praat. Te kansloos voor woorden eigenlijk.”

Zijn afkeer van Amsterdam lijkt een een afkeer van pretentie. Özcans woorden zijn direct en doelgericht. Taal is zijn middel, niet zijn doel. “Ik ben een gewone gast uit Deventer, geboren in de Raambuurt.” Geen man van het geloof. “Maar wel van bijgeloof. Zo moet ik altijd in hetzelfde shirt schrijven.” Een voetbalshirt? “Nee. Een shirt van Poetin, Poetin met puppy’s.”

Fotograaf Thijs schiet in de lach. Özcan in Poetin-shirt achter zijn schrijftafel, mogen we daar een foto van maken? “Helaas jongens. Geen tijd. We moeten naar het stadion.” GA Eagles – Volendam wacht. “Sommige vooroordelen kloppen trouwens wel”, zegt Özcan. “Laatst moest ik vertellen over de waarde van literatuur op een basisschool in Volendam. Shit man. Volendammers zijn net Chinezen: ze lijken allemaal op elkaar.”

Domino’s pizza
Terwijl Thijs fanatiek fotografeert, vraagt Özcan tijdens de wandeling naar het woonwijkstadion mijn leeftijd. “Dertig”, antwoord ik op een toon alsof het een ziekte is. “31 vond ik erger”, zegt de net 32 geworden Özcan. “Nu zie ik erg op tegen 36. Echt zo’n leeftijd waarop profvoetballers moeten stoppen.” 

We passeren een boekhandel, waarop we Özcans hoofd, die bangmakende gangsterkop, terugzien op een poster van Turis, zijn meest recente boek. Nee, Özcan is geen arme, op water en brood levende schrijver. “Ik ben zelfs wat te zwaar, man.” Hij is niet de Theo Janssen van de literatuur, maar als we een Domino’s pizza passeren volgt wel een anekdote. “Hier heb ik eens pizza besteld. Drie uur later, we hadden al wat anders gegeten, stond die knakker met zijn brommertje aan de deur. Dat is lef hebben.” Thijs blijft ondertussen fotograferen. Özcan: “We maken een artikel, geen boek toch?”

Bij de ingang van de Adelaarshorst legt Özcan me uit dat ik de seizoenskaart door het hek aan een steward moet geven. Als Arnhemmer ben ik GelreDome gewend, waar je de seizoenskaart in een gleuf duwt om door het draaihek te kunnen. Özcan: “Hier hebben ze die gleuf aan de verkeerde kant gemaakt, dus de steward stopt hem erin voor je. Typisch Eagles. Nou ja, het houdt de mensen aan het werk.”

Op de achterste rij van de IJsseltribune, waar we businessclass-beenruimte hebben, vertelt Özcan over de recente renovatie van de Adelaarshorst. “Van de vier tribunes zijn er twee gerenoveerd. Het stadion is dus oud en nieuw. Normaal is het trouwens drukker. Maar het is maandag, hè.” Over de nog niet gerenoveerde IJsseltribune zegt hij: “Hier kan je de wedstrijd zien, op de B-Side, waar de harde kern staat, kun je de wedstrijd ervaren. Vanavond zullen ze niet snuiven en slikken, maar op vrijdag gaat het los.”

Techno galmt hard door het stadion, waardoor het lastig is om elkaar te verstaan. “Pillenmuziek. Voor de B-Side”, zegt Özcan met een knipoog. “Hé! Zie je dat tl-licht daar? Dat was de laatste maanden een irritant knipperlicht, maar nu is het gemaakt. Daar heb ik wedstrijden lang over zitten zeuren tegen de steward.”

Hij blijft mijn verwachtingen preventief verontschuldigend temperen. “Het voetbal kan saai zijn. Laatst tegen Eindhoven heb ik geen kans gezien. Onmogelijk om er een samenvatting van te maken. Die duurde ook dertig seconden. Gelukkig is het internetbereik hier sinds kort beter. Kijk ik op mijn mobiel een andere wedstrijd als het kut is.”

“Ik dacht dat de hele eerste divisie aan het kunstgras zat”, merk ik op. “GEK! Kunstgras: nooit”, roepen Thijs en Özcan in koor. Voor de wedstrijd presenteert de voorzitter (“een populist”) het nieuwe uitshirt en vliegt mascotte Harley (“een zeearend”) een meter of twintig. Eerste divisie-niveau: Hertog in GelreDome vliegt een heel rondje.

Man of the Man
Go Ahead begint de wedstrijd overdonderend en creëert kans op kans; Özcan schrikt ervan. Als boomstamspits Léon de Kogel al na een paar minuten de openingstreffer binnen kogelt, hoor ik een ondefinieerbaar geluid uit de speakers komen. Badkamercommercie, aldus Özcan. “Bij Zwolle is het erger. Daar hoor je bij dode spelmomenten een reclame van een uitvaartverzekering.”

Volendam, stonden die niet hoog, vraag ik. “Je hebt je research wel op orde, vriend. Tot de Volendamse kermis stonden ze hoog ja, daarna was het over”, aldus Özcan.

Door een blessure valt bij de Eagles Kenny Teijsse in. ‘Kelly’ Teijsse, met zijn lange, krullerige manen. Van afstand lijkt Kenny op Stijn Vreven met permanent. “Kenny is een cultfiguur. Hij belde me nog vorige zomer. Of ik mijn seizoenkaart wilde verlengen. De club zette de spelers in als telemarketeers. Kenny heeft me toen vijf goals beloofd. Hij staat op één.” Volendam maakt onterecht gelijk, maar al snel wordt het 2-1 voor de Eagles. De speaker meldt echter dat het 2-0 is geworden. Daarna roept hij op om de Man of the Man door te twitteren. Özcan: “Niemand is hier in vorm…” Hij pakt zijn telefoon erbij. “Even naar Rob (de stadionspeaker) twitteren dat hij mijn Man of the Man is vanavond.” Na een meevallende eerste helft, legt een tegenvallende tweede helft het publiek het zwijgen op. Özcan: “Maandag, hè.”

In de tweede helft mist Go Ahead een penalty, waarna het scorebord GOAL! GOAL! knippert en onterecht 3-1 aangeeft. Özcan schudt zijn hoofd en mompelt zijn zoveelste ‘kansloos’. Ik vraag of Özcan de voetballende technisch directeur hier nog heeft zien spelen. “Marc Overmars? Die was zo gierig dat hij, in plaats van een speler te kopen, zelf maar weer ging ballen.”

Daarna vult Thijs tijd door me over de ‘bekerpoeper’ te vertellen: een supporter die in het supportershome in plastic bekers poept en doorspoelt op het toilet met als resultaat een verstopping. “Er is nu ook een stadhuispoeper”, zegt Özcan. Wat die doet? Thijs: “Die schijt het hele stadhuis onder. Nou ja, het toilet van het stadhuis.”

Volendam maakt 2-2. “Kansloos…” “Ik ben mijn bril vergeten. Kun je even op het scorebord kijken hoelang het nog is?”, vraagt Özcan. Hij zucht als ik antwoord dat er nog een kwartier resteert. “Gelukkig woon ik in Deventer. Ooit moest ik voor deze wedstrijden uit Amsterdam komen.” De wedstrijd kruipt naar het einde, de kersverse vader gaapt er op los. Bij een wissel in de slotfase toont de vierde man een bord met zeventien. “Zeventien minuten extra tijd”, schreeuwt een schorre mannenstem. Dan veert het publiek toch nog massaal op: in de blessuretijd kroont nota bene Kenny Teijsse zich met een winnende goal tot Man of the Man. De Adelaarshorst gaat, voor een maandagavond, aardig los.

“Als het vrijdag was geweest, had ik nog een biertje gedaan met jullie”, zegt Özcan, terwijl we het supportershome passeren. Maar helaas: het is maandag. “Je was lekker naar quotes aan het hengelen: Wat zei je, wat zei je”, imiteert Özcan me lachend, terwijl we door een verduisterd Deventer wandelen. “En, viel het je mee?” vraagt hij. “Ik vond het leuk. Voor een maandagavond in de Jupiler League vond ik het zelfs geweldig.”

Tekst: Remco Kock
Foto: Thijs Brouwers

Dit verhaal stond eerder in Staantribune #8. Voor dit nummer bezochten we onder meer Het Kasteel van Sparta en Tsjernobyl, voor een verhaal over de verdwenen voetbalclub Stroitel Pripjat. Verder gingen we naar Turijn, voor een artikel over het oude stadion waarin Il Grande Torino furore maakte en naar Rosario, waar we op zoek gingen naar de roots van Lionel Messi. Het magazine is na te bestellen in de webshop.