Dat Theo Janssen niet alles uit zijn voetbalcarrière heeft gehaald, verwijt ik hem niet. Sterker nog: ik ben er blij om. Anders was Theo zo goed geweest dat hij hooguit twee seizoenen voor Vitesse had gespeeld. Toen Theet op 32-jarige leeftijd een nieuwe kruisbandblessure opliep, dacht ik: jammer, maar na de revalidatie is hij na de zomer nog een paar jaar de revelatie. Maar toen Theo anders besloot en stopte met profvoetbal, was ik boos. Besefte die gek wel wat hij opgaf? De mooiste baan op aarde: voetballen voor Vitesse!

Ik vond dat Theo ondankbaar omsprong met zijn talent, dat hij de paar Vitesse-jaren die er nog in zijn lichaam zaten er uit had moeten persen in plaats van verspillen met een leven dat nog wel even kon wachten. Voetballen in GelreDome kan je relatief maar even, daarna heb je nog een leven lang om op je lauweren te rusten. Nee, ik begreep geen reet van Theet, die na zijn voetbalpensioen direct baard en buik liet staan.


Achteraf besef ik dat mijn boosheid teleurstelling was. Een beetje zoals wanneer een vrouw tegen je zin in bij je weggaat. Zo voelde het. Ik ging Theo op dat veld dat hij verliet gewoon heel erg missen – een Ernummer in het eerste, en wat voor eentje – en vond dat hij er te makkelijk een punt achter zette. Ja, natuurlijk kostte het profvoetbal je al je weekenden en kwam je, naarmate je ouder werd, een dag na de wedstrijd moeilijker uit bed. Maar daar moest Theet nog een paar seizoenen doorheen bijten. Ik wist zeker: Theo krijgt spijt.

Liever dan alles uit zijn talent halen, wilde Theo alles uit zijn leven halen. Genieten hoorde daar ook bij en daaronder verstond Theo niet hollen in de bossen bij Papendal, spinaziesap slurpen en commentaar op iedere openbare peuk. Natuurlijk had ik, net als al die Ernummers die kritiek hadden op Theo’s zogenaamde André Hazes-levensstijl, makkelijk praten. In de jaren dat Theo bij Twente topsport bedreef, stond ik in stampvolle kroegen te stuiteren. Wie was ik eigenlijk – zeker toen ik een paar maanden WW pakte – om “werken voor je geld te zingen!” in een koor vol bijstandsrukkers?

Laatst zat ik met mijn pa op een doordeweekse avond in de Ierse Pub op de Arnhemse Korenmarkt. Mijn pa keek boven zijn bier jaloers naar de jongeren om zich heen. “Godver, had ik jouw leeftijd maar. Dan had ik het wel geweten. Ga je nog vaak de kroeg in?” Ik antwoordde dat het ongelooflijke aan gebeuren was: ik kwam steeds minder vaak op de Korenmarkt.

Zestien jaar speelde mijn leven zich af op de Korenmarkt. Er was niks mooiers dan na het indrinken een met veel meiden gevulde kroeg of discotheek te betreden. Bij gebrek aan voetbaltalent was stappen mijn sport. Vrienden die voortijdig stopten met stappen, snapte ik niet. Ze kregen een vriendin, werden bankzitters en dan was de kans dat ze nog terugkeerden in het stapleven gering. Sommigen keerden na een jaar of anderhalf nog terug, de meesten niet.

Een vriendin was zoals een kruisbandblessure voor profvoetballers. Zelf liep ik ook een kruisbandblessure op en die relatie kostte me rond mijn vijfentwintigste een dik jaar Korenmarkt. Maar de relatie ging uit en ik keerde terug. Tot ik vorig jaar, na zeven jaar zuipen, weer een kruisbandblessure opliep. Een hardnekkige en een fatale, want sinds afgelopen zomer woon ik er zelfs mee samen. Het is waar wat voetballers zeggen over kruisbandblessures: je staat er mee op en gaat er mee naar bed.

Ik hoorde mezelf in de Ierse Pub tegen mijn pa zeggen dat ik blij was dat ik niet meer iedere zondagmiddag doodziek wakker werd, dat niet uitgaan veel afgaan voorkwam en geld bespaarde. Een rekensom leerde dat ik zestien jaar lang ieder weekend minstens vijftig euro in de Korenmarkt had geïnvesteerd. Met het totaalbedrag had ik in een klap mijn onafgeloste studieschuld kunnen betalen.

“Je moet blijven gaan, man”, zei mijn pa hoofdschuddend. “Stappen is het mooiste wat er is. Nu kan het nog.” Ik zweeg. Na zestien jaar een basisplaats te hebben gehad op de Korenmarkt, merkte ik dat ik het – net als Theet – op mijn tweeëndertigste wel had gezien. Het heilige vuur was dovende. Ik dacht aan Theo, die ik nu beter begreep, en die ik een paar jaar geleden op zondag zag staan met een biertje in de kantine van Eldenia, zijn nieuwe voetbalclub. Theo had net zelf gevoetbald. Niet op het niveau van Vitesse, gewoon voor de lol, als amateur. Zo ga ik het ook doen. Ik blijf sporadisch stappen, maar echt niet meer op het niveau van voor mijn ‘kruisbandblessure’.