De laatste jaren weet ik niet meer zo goed welke voetballer bij welke club speelt. Vroeger kon ik makkelijk een heel elftal oplepelen, wist ik exact wie bij welke club speelde en vaak ook nog bij welke clubs een speler daarvoor had gevoetbald. Tegenwoordig moet ik even Wikipedia checken om te kijken of het wel klopt wat ik denk.

Wellicht komt dat omdat mijn interesse in de voetballers zelf is afgenomen. Ik zit niet te wachten op clubhoppers die alleen maar foto’s van hun auto’s, sneakers en gadgets delen op Instagram. Spelers wisselen tegenwoordig even vaak van club als contant geld van eigenaar. Bovendien is dat voor hen een stuk makkelijker als in, pak ‘m beet, 1989. Het is een behoorlijke opgave om tegenwoordig alle mutaties bij te houden

soccerfanshop.nl

Van 1989 tot halverwege de jaren negentig was dat anders en kende ik complete elftallen uit m’n hoofd. Dat is mede te danken aan één ding: de Panini-albums. Bij mijn eerste album, dat ik in 1988 kreeg, was ik meteen verkocht. Ik kreeg regelmatig een zakje met zes stickers van mijn vader en greep elke gelegenheid aan om hem een zakje voor mij te laten kopen. Bij mijn moeder ging dat een stuk lastiger. Zij lette meer op alle uitgaven dan m’n vader. Elke cent die ik kreeg, werd geïnvesteerd in de stickers en het album raakte snel vol.

Het sparen ging mij echter niet snel genoeg; het was voor mij – zeven, acht jaar oud destijds – het teken om regelmatig de plaatselijke boekhandel te bestelen. Op de toonbank pakte ik een aantal zakjes, vervolgens liep ik rustig naar het hoekje waar alle kindertijdschriften lagen, meteen naast de ingang, en daar propte ik stiekem de stickers in m’n broekzak. Buiten, pal voor de ingang van de boekenzaak, stond een bankje. Mijn nieuwsgierigheid overwon vrijwel altijd mijn angst om daar gepakt te worden en zittend op dat bankje scheurde ik de pakjes open.

Dolblij was ik als ik een sticker had van mijn club PSV of één van de ‘zilveren’ stickers van het Nederlands Elftal van 1988, mét handtekening erop. Thuisgekomen liet ik ze zien aan mijn broer, die zich constant afvroeg hoe ik toch aan zoveel stickers kon komen. “Ik had nog geld van oma”, was dan altijd mijn vaste antwoord. Ook op het schoolplein werden er stickers geruild. Bij het maken van de schoolfoto stond ik zelfs triomfantelijk met twee Panini-plaatjes in mijn handen die ik die ochtend uit een zakje had gevist: Johnny Bosman en Erwin Koeman, beiden van KV Mechelen. Maar aan het einde van dat seizoen was het niet genoeg: tot op de dag van vandaag mis ik nog 28 plaatjes.

De jaren erna begon elk seizoen steevast met het kopen van een nieuw Panini-album, ondanks de bezwaren van mijn moeder, die het maar wat oneerlijk vond van de makers dat kinderen steeds nieuwe pakjes met stickers moesten kopen, waarbij je op den duur vrijwel alleen maar ‘dubbele’ stickers in een pakje vond.

Of ik nu de stickers in mijn album had of niet, de namen van dat seizoen zal ik nooit meer vergeten. Claus Boekweg van FC Groningen, Rini van Roon bij Haarlem, Rob Delahaye van MVV, Manuel Sanchez Torres bij Roda JC, Herman Verrips van FC Utrecht en Edwin van Berge Henegouwen van VVV.

Naarmate ik ouder werd, werd het sparen steeds minder en elk jaar na 1989 werden de albums steeds iets leger. Mijn laatste album kocht ik als een zestienjarige puber in 1997 in een opwelling. Veel heb ik er niet meer mee gedaan. Bovendien was het sparen van stickers natuurlijk niet stoer, dus angstvallig hield ik dit verborgen op school.

Leuker dan mijn Panini-album uit 1989 is het nooit meer geworden en tegenwoordig lijkt er van deze hobby in het algemeen weinig meer over. Ik zie de stickers van de Nederlandse competitie helaas nooit meer liggen.

Mocht er een Staantribune-lezer zijn die nog stickers heeft van het Panini-album uit 1989: ik wil ze graag hebben!