De hele maand maart staat bij Staantribune in het teken van Italiaans voetbal. Iedere dag schrijft een calcioliefhebber een ode aan zijn favoriete speler. Vandaag: Italië-kenner Wouter Pennings.

Moest u ook meteen aan Mark van Bommel denken toen u zag wie fungeert als het lijdend voorwerp van deze ode? Arme Mark, zijn reputatie liep een gevoelige deuk op door die ene beslissende situatie op die vervloekte dag, 4 mei 2005. Van het ene op het andere moment verwerd de natuurlijke leider en boegbeeld van het on-Nederlands volwassen PSV van misschien-Champions League-finalist tot nationale schlemiel. Hij verloor in rap tempo niet alleen zijn status in Oranje, maar ook zijn plek in de selectie van bondscoach Van Basten en werd door een deel van het voetbalminnende volk een tijdlang niet meer voor vol aangezien. Allemaal door die verdomde Massimo Ambrosini.

Maar wees gerust, dat is niet waarom de middenvelder met de ietwat hoekige stijl het schopte tot ’s schrijver dezes’ favoriete eigentijdse Italiaanse voetballer. Waarom dan wel, ik hoor het u denken. Je hangt een ploeg aan die overloopt van de vedetten. Van de prachtige stilisten, van de grote persoonlijkheden, van de killers in de zestien, van de gebeeldhouwde verdedigers, van de supersterren, simpelweg. Als je een opstelling maakt van de beste elf uit het tijdperk-Ancelotti staat-ie er zelfs gegarandeerd naast. En toch stond-ie er vaker in. Vaak zelfs met aanvoerdersband en al. Massimo Ambrosini, opgeleid bij Cesena maar bijna zijn hele profbestaan Milanista. Onmisbaar element van een van de allerbeste teams uit de geschiedenis van het voetbal.

En toch, in de seizoenen dat nummer 23 het prominentst aanwezig was, presteerde Milan beduidend minder. Maar dat waren allesbehalve jaren die door ondergetekende met afgrijzen werden beleefd. Integendeel, juist in die periode – grofweg tussen 2007 en 2013 – zoog ik elke minuut die de Rossoneri speelden in me op. Er viel veel te genieten, in die al zichtbaar aftakelende Serie A, die echter zijn oude gedaante nog niet helemaal had verloren. En Ambrosini was het immer brandende vuur te midden van een keur aan primadonna’s die niet meer iedere week hun oude topniveau wisten te halen. En dus moest hij het vaker zelf opknappen, onder meer dankzij een heel arsenaal aan doelpunten, analoog aan Het Van Bommel Moment.

Heus, het overkwam lang niet alleen Mark. Juist ná hem verging het velen op dezelfde manier, alleen was de consequentie nooit meer zo dramatisch en tragisch als de Eindhovenaren overkwam bij het aanbreken van de blessuretijd in de return van de halve finale van de Champions League. Wegsluipen uit de rug van zijn man en plotseling opduiken in de doelmond, alles en iedereen kansloos latend met een vernietigende slag van het hoofd. Vaak compleet met een paar zwierende goudblonde lokken die hadden weten te ontsnappen aan het meestal witte haarbandje, precies zoals Ambro zelf wist te ontglippen aan zijn bewaker in de middenlinie. Maar minstens zo vaak was die scherpe en sierlijke sliding, waarmee op het laatste moment acuut gevaar werd afgewend, niet van Alessandro Nesta of Paolo Maldini, maar van de man die zwaar ondergewaardeerd werd door de diverse bondscoaches van de Squadra Azzurra.

Toegegeven, als jij voor de keuze staat of liever je Alessandro Del Piero of Francesco Totti als fantasista opstelt, of toch Antonio Cassano, of liever voor een voorhoede met pure spitsen gaat als Luca Toni, Alberto Gilardino, Vincenzo Iaquinta, Antonio Di Natale, Giampaolo Pazzini of toch maar weer Filippo Inzaghi, dan heb je wel andere prioriteiten dan nog een middenvelder van Milan meenemen. Zou dat het echt geweest zijn? Andrea Pirlo en Gennaro Gattuso hadden meer internationale uitstraling, terwijl Ambrosini toch vooral werd gezien als clubspeler. Doodzonde, dat is het in ieder geval. Want de veelzijdige Ambrosini uit Pesaro, die zijn beperkingen uitstekend kende, kon als geen ander zijn ziel en zaligheid in een wedstrijd leggen.

Het met afstand mooiste Italiaanse sportwoord, grinta, wordt niet geheel onlogisch vooral geassocieerd met de explosieve oprispingen van de kleine driftkikker Gattuso. Voor mij staat Ambrosini een treetje hoger in dat opzicht. Zijn granieten grimas verried een doorlopende agressiviteit en vastberadenheid, altijd klaar om tot de laatste druppel bloed de rood-zwarte eer te verdedigen. Als een kiezelharde sta-in-de-weg voor al wie het waagde het middenveld van de Milanezen over te steken, als een onvermoeibare loper tussen zestien en zestien. Maar vooral als de gerespecteerde leider van zijn toen nog respecteerde troepen. Als een diplomaat laverend tussen al het temperamentvolle geweld om hem heen, in een calcio dat bol stond van de huizenhoge ego’s.

En juist daarom deed het zo onvoorstelbaar veel pijn toen dat na achttien seizoenen plotsklaps voorbij was. De capitano was klaar om nog één jaargang te vlammen, broodnodig om de in rap tempo veranderende formatie wat op de juiste koers te houden en tegelijkertijd zichzelf te revancheren voor de zo ondermaats verlopen campagne in het seizoen 2012-2013. Daarin werd na een dramatische eerste seizoenshelft ternauwernood nog Champions League-kwalificatie afgedwongen dankzij verkiezingsstunt Mario Balotelli.

Maar ook Ambrosini, de laatst overgebleven Mohikaan, moest worden weggewerkt uit San Siro om plaats te maken voor een horde vreemde vogels met vreemde kapsels, tatoeages en een hoop eigendunk, maar des te minder nederigheid ten opzichte van de Maglia Rossonera, het rood-zwarte shirt dat nu vooral een statussymbool was geworden voor omhooggevallen miljonairs in plaats van een heilig stuk stof voor de laatste generatie echte kerels op noppen.

Dida; Cafú-Nesta-Maldini-Serginho; Gattuso-Pirlo-Seedorf; Kaká; Shevchenko-Inzaghi, geen onaardig rijtje. Maar ik snak nog het meest terug naar Massimo Ambrosini.

Wouter Pennings