Staantribune besteedt deze maand, in aanloop naar De Dag van de Verdwenen Clubs, veel aandacht aan de clubs die sinds de opheffing van de tweede divisie in 1971 zijn verdwenen uit het betaald voetbal: SVV, FC Wageningen, SC Veendam, RBC, HFC Haarlem, FC Amsterdam, VC Vlissingen, SC Amersfoort, AGOVV en FC Vlaardingen.

Vandaag een interview met Nico Jansen, de beuker uit de Jordaan, die in zijn jeugdjaren furore maakte bij FC Amsterdam.

Hoe kwam je bij FC Amsterdam terecht?
“Dat kwam door de fusie van DWS en Blauw-Wit. Toen ik bij de selectie werd gehaald zagen ze in mij een linksback. Toen we op een gegeven moment een wedstrijd speelden tegen Voorburg, mocht ik in de spits beginnen, omdat ze me fysiek erg sterk vonden. Ik was vijftien, maar ze wilden het proberen. We wonnen die wedstrijd met 1-7 en ik scoorde er vijf. Sindsdien hebben ze me nooit meer weggehaald uit de spits.”

Dus je speelde toen je vijftien was al een wedstrijd voor het eerste elftal?
“Dat was toen geen enkel probleem. Ik had medespelers als Frits Flinkevleugel, Abe van den Ban en Jan Jongbloed, een moderne keeper in die tijd. Toen ik zeventien was speelden we een wedstrijd tegen Helmond Sport in de KNVB Beker. Onze eerste spits, Wietze Couperus, viel geblesseerd uit. Ik kwam voor hem in het veld en scoorde in de verlenging het enige doelpunt van de wedstrijd. Dat was een hele happening. ’s Avonds mocht ik meteen naar een televisieprogramma van Mies Bouwman. Dat was een van mijn eerste optredens op tv.”

Je hebt meerdere hoogtepunten meegemaakt bij FC Amsterdam. Was de UEFA Cup-deelname er één van?
“Voor mij in ieder geval wel. In de wedstrijd tegen Internazionale wonnen we met 1-2 in San Siro en ik maakte beide doelpunten. Alle kranten stonden er vol van, zowel in Nederland als in Italië. Op het moment dat je op het veld staat, besef je het nog niet, maar als je thuiskomt, zie je pas hoe speciaal die wedstrijd was. Er was ook meteen interesse van andere clubs. Ajax, Manchester United en Arsenal wilden mij hebben. Ik besefte het toen niet helemaal. Vroeger was geld nog niet belangrijk, je wilde gewoon altijd spelen. Als je goed was kreeg je meer geld, zo simpel was het. Ik accepteerde dat ook gewoon.”

Je hebt met FC Amsterdam in het Olympisch Stadion gespeeld. Hoe was dat?
“Dat was allemaal erg indrukwekkend. Wist je dat ik een groot aandeel had in de verbouwing van het stadion? Ik was destijds timmerman en hielp gewoon mee. Alle kleedkamers, het spelershome, overal heb ik aan meegeholpen. Dat kon toen allemaal nog hè, dat hoef je nu niet meer te proberen als voetballer. Ik speelde ook gewoon mee met het reserve-elftal van Amsterdam, als keeper. Op zondag speelde ik dan mijn wedstrijd als spits in het eerste. Ik pakte elke minuut mee en trainde elke dag. Op het moment dat ik bekender werd, kon dat niet meer. Ik trainde me echt kapot.

Naarmate ik meer doelpunten begon te maken, werd ik ook bekender bij de supporters. Mijn vader stond in die jaren nog op de markt in Amsterdam, hij had een fruitkraam. Op zaterdag hielp ik gewoon nog mee op de markt. Stond het helemaal vol met mensen die een handtekening van mij wilden. Mijn vader begon dus ook te stunten met acties, zodat alle mensen die voor mij langskwamen ook fruit zouden meenemen.”

Hoe is het contact met je oud-ploeggenoten uit die tijd?
“Met Heini Otto en Gerard van der Lem heb ik nog altijd goed contact. Door de Facebookpagina van FC Amsterdam werd het makkelijker om met elkaar in contact te komen. Twee maanden geleden zijn ze nog bij mij op visite geweest in België. Zijn ze een heel weekend gebleven. Oude herinneringen ophalen, ik had zelfs mijn plakboek van zolder gehaald. Hapje en een drankje erbij, dat mag nu, hè. We hoeven niet meer zo erg op ons lichaam te letten, haha.”

Wat dacht je toen FC Amsterdam failliet ging?
“Ik voelde me er gewoon slecht door. Maar ja, als een belangrijke geldschieter als Dé Stoop wegvalt, is het ook moeilijk om de financiën op de rit te houden. De schulden liepen steeds verder op en dan is het op een gegeven moment klaar. Doodzonde, maar zo gaat het nu ook nog steeds.”

Je stond zelf bekend als een fysiek spelende voetballer, tegen welke verdediger ging het altijd hard tegen hard?
“In die tijd ging alles nog hard tegen hard. Voorstoppers waren de ‘sterke boys’ die een spits moesten uitschakelen. Je wist dat je als spits veel schoppen kreeg. Ik heb dan ook aardig wat blessures gehad. Ik was een Amsterdams schoffie, ik was nergens bang voor. Hoe harder ze tegen mij gingen spelen, hoe sterker ik werd.”

Na je periode bij FC Amsterdam vertrok je naar Feyenoord. Waarom dat besluit?
“Ik kom dan wel uit Amsterdam, maar Feyenoord was altijd mijn favoriete club. Ze speelden daar toen echt werkvoetbal en dat paste perfect bij mij. Ik had als jong ventje al posters van Van Hanegem en Wim Jansen boven mijn bed hangen. Het was mijn grote droom om de nationale ploeg te halen en ik dacht dat die kans bij Feyenoord vergroot zou worden. Ik kon ook naar Arsenal of Manchester United, achteraf had ik misschien ook wel naar Engeland moeten gaan. Maar om als snotaap naar Engeland te gaan, terwijl je geen woord Engels sprak, dat leek me niet wat.

Toen ik bij Feyenoord aankwam voor mijn eerste training, reed ik met mijn Volkswagen Kever het parkeerterrein op. Stonden er bij het bijveld ongeveer vierduizend mensen te wachten. Ik dacht dat er een oefenwedstrijd werd gespeeld, maar ze bleken allemaal voor mij te zijn gekomen. Iedereen sprong op mijn auto, geweldig.”

Je droomde om te spelen voor Nederland, maar uiteindelijk deed je dat maar één keer. Waarom?
“Omdat ik niet voor Ajax speelde. Zo simpel is het. Ik maakte dertig doelpunten per jaar, maar kwam gewoon niet in aanmerking. Dat Nederlands Elftal was toen eigenlijk gewoon een Ajax-elftal. Als ik voor Ajax had gespeeld, had ik ook meer interlands gespeeld, daar ben ik van overtuigd. Als speler van Feyenoord stond je eigenlijk gewoon buitenspel.”

Wil je oude tijden herleven? Kom dan naar de De Dag van de Verdwenen Clubs op zaterdag 25 november.  Abonnees van Staantribune hebben gratis toegang (wel aanmelden via info@staantribune.nl!), tickets voor niet-leden zijn te koop in de webshop.