In de jaren vijftig van de vorige eeuw werden de spelers van Wolverhampton Wanderers geprezen als champions of the world. Die tijden zijn lang vervlogen. De afgelopen zes seizoenen bivakkeerden de Wolves in het Championship en in League One. Dit seizoen promoveerde de club – zonder die dag in actie te komen – naar de Premier League. Er gloort eindelijk weer een gouden horizon na jaren van darkness. Staantribune-redacteur Stijn Slaats en fotograaf Ted Gijsel waren aanwezig bij de promotie-festiviteiten, uitgerekend tijdens de derby tegen Birmingham City.

Wolverhampton Wanderers FC kan buigen op een rijke historie: de club was één van de Founding Fathers van de Football League, veroverde drie landstitels in de jaren vijftig en werd in die tijd door de krant The Daily Mail uitgeroepen tot beste van de wereld na een overwinning op de Hongaarse club Honvéd, destijds een club vol met Magische Magyaren, spelers die als internationals van Hongarije het Engelse nationale team omver bliezen. Hail, Wolverhampton Wanderers, champions of the world, kopte de krant. De floodlit friendlies leidden uiteindelijk tot het ontstaan van de Europa Cup voor landskampioenen.

Zelf stonden de Wolves één keer in een Europese finale, om de UEFA Cup van 1972. Vreemd genoeg wordt de Europese geschiedenis van de club ook voor ons even actueel. Voor de Stan Cullis Stand delen Fan Volunteers voetbalplaatjes uit van internationals die voor Wolves uitkwamen. Vrijwilliger Paul Woolley hoort dat we uit Nederland komen en overhandigt ons meteen alle football cards die de club dit seizoen rond thuiswedstrijden heeft uitgedeeld. We vertellen hem dat we de kampioenswedstrijd van PSV tegen Ajax hebben laten schieten voor een bezoek aan Molineux, waar de Wolves al sinds 1889 hun thuiswedstrijden spelen. Give these gentlemen a scarf”, gebiedt Woolley aan zijn collega-volunteers. “That’s how we have to treat our fans.”

Meteen schakelt hij over naar het enige Europa Cup-duel tussen de Wolves en PSV dat hij zich kan herinneren. ‘Ik weet dat hier tijdens de thuiswedstrijd tegen PSV gedurende tien minuten het licht uitviel. Toen waren er nog geen mobieltjes dus staken we onze aanstekers omhoog’, diept de Wolves-vertegenwoordiger op. Het zit hem niet lekker dat hij niet meteen weet welk seizoen het exact was. We vermoeden begin jaren tachtig. Zelf waren we toen nog niet kleuterschoolgerechtigd, dus zeker weten we het ook niet. Nu kan een mobieltje ons wel helpen: PSV bekerde in september 1980 door.

De sfeer rond het stadion is in eerste instantie niet extreem uitgelaten. Verkopers proberen vlaggen met een heel lelijk gedrukte tekst We’re going up up up te slijten en ook straatventers met shawls komen aan hun geld. Radiostation Signal 107 pakt het beter aan. Op het pleintje aan de andere kant van het stadion laten ze supporters poseren in een gesponsord schilderijframe. “These guys are from the Netherlands”, toetert de verslaggever door zijn live-verbinding. Een slap gejuich stijgt op uit de rijen wachtende supporters voor de turnstiles. Onder het tunneltje komt een stoet met Wolves-fans joelend op de radioman en zijn lijst af. Binnen een paar seconden vormt zich een hossende menigte met de microfoon als middelpunt. “We have had people from China, the Netherlands and where are you from?” probeert hij de groep erbij te betrekken. Een voorstad van Wolverhampton wordt genoemd. Gejuich.

In de stalletjes stralen de afbeeldingen van manager Nuno Espirito Santo ons tegemoet. Hij wordt aanbeden als God of toch op zijn minst heilig verklaard door de Wolves-community. De Portugese vlag komt veel voorbij. Sinds de Chinese eigenaren van Fosun International Limited in 2016 de club overnamen kan alles. Spelersmakelaar Jorge Mendes (ja, die van Cristiano Ronaldo) werd in de hand genomen en plaatste Nuno als hoofdcoach en een aantal Portugese en Spaanse spelers op de loonlijst van de Wolves. FC Porto-talent Ruben Neves kwam voor een recordbedrag van vijftien miljoen Engelse ponden ingevlogen. De afgelopen week bracht hij de fans in vervoering met een fabuleuze volley tegen Derby County. Hij is nu al minstens het dubbele van zijn transfersom waard.

Tijdens het duel imponeert Diogo Jota en onderscheidt keeper John Ruddy zich met een paar puike reddingen. Toch zetten de Wolves het in degradatienood verkerende Birmingham City vrij simpel opzij: 2-0. Pas na afloop van het duel, als drie jongens zichzelf op een mini-pitch invasion trakteren en voor het vak met Bluenoses gaan staan provoceren, merk je even iets van de rivaliteit. Om ons heen zien we vooral oudere mensen dromen. Je ziet ze de beelden op het veld op hun netvlies registreren. Nuno Espirito Santo die door zijn spelers wordt gejonast, de champagne en de song Hi Ha Wolverhampton maken het tot een feestelijk maar respectvol geheel. De man naast ons verontschuldigt zich in eerste instantie. Hij heeft als jonge vent in de jaren zestig een aantal wedstrijden gemist omdat hij zelf moest voetballen. Nu beklimt hij al decennia trouw de trappen van de upper tier. Hij is in zijn nopjes: zijn helden promoveren terwijl de rivaal uit de West Midlands, West Bromwich Albion, bijna gedegradeerd is uit het Premiership. Hij weet dat het niet gemakkelijk is om terug te keren op het hoogste niveau. Kijk maar eens naar de buren van Aston Villa, gebaart hij.

Vier jaar geleden speelde Wolverhampton nog in League One. Afgelopen seizoenen vocht het meer tegen degradatie uit het Championship dan dat het meedeed om promotie naar de Premier League. Nu is alles anders. De club is rijk door de Chinese investeerders én nu incasseert het ook de miljoenen aan tv-gelden van de Premier League.

Paul Woolley legde eerder al uit dat de Portugese connectie enorm zijn stempel op dit seizoen heeft gedrukt, maar dat ook jongens als Matt Doherty en Conor Coady zich aan dat niveau hebben opgetrokken. Sommige spelers waren rubbish vorig jaar en zijn nu helemaal opgebloeid. De spreuk in het stadswapen van Wolverhampton blijkt meer dan ooit van kracht: Out of darkness cometh light. Na jaren in de donkere schachten wacht nu weer de gouden horizon van de Premier League. 

Tekst: Stijn Slaats
Foto’s: Ted Gijsel