Hij schilderde spandoeken met supporters van FC Barcelona, liep mee met hooligans van Sparta en bezocht supportersgroepen en voetbalwedstrijden van Brazilië tot Australië. Socioloog Ramon Spaaij (37), zelf supporter van ADO Den Haag, weet wat diverse soorten voetbalfans over de wereld beweegt en ziet hoe verschillende overheden verschillend met hen omgaan. De supporterscultuur in Nederland lijkt op die in het buitenland, de aanpak totaal niet. “Het is gek dat het hier zover heeft kunnen komen.”

De liefde voor voetbal en de fascinatie voor supportersgedrag ontstond bij Spaaij toen hij als tiener op Midden- Noord stond in het Haagse Zuiderpark. Het fanatisme, de liedjes, het uitdagen van de tegenstander; de sfeer op de tribune gaf de voetbalwedstrijd een extra dimensie. De interesse kwam al snel terug in zijn professionele leven, met onderzoeken in diverse landen naar supportersgedrag. In 2008 schreef hij het boek Hooligans, fans en fanatisme waarin hij supporters van clubs met een tegengestelde geweldsreputatie onderzocht: Feyenoord versus Sparta, Espanyol versus FC Barcelona en West Ham United versus Fulham.

Inmiddels woont Spaaij tien maanden per jaar in Melbourne, waar hij werkt aan de Victoria University. Twee maanden per jaar is hij terug in Nederland om te doceren aan de Universiteit van Amsterdam.

Als socioloog in de dop moet je op Midden-Noord je ogen hebben uitgekeken.
“Zeker op die leeftijd, rond een jaar of dertien, was dat heel spannend. Ik kwam voor het voetbal, maar zeker ook voor de sfeer. Die was imposant. De aantallen waren niet eens heel groot, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door luidkeels te zingen en te schreeuwen, rookbommen af te steken en de tegenstander te intimideren. Op het taalgebruik en sommige spreekkoren kijk ik nu wat anders terug, maar als jongen keek je daar tegenop. Daar wilde je wel bij horen.”

En als het echt uit de hand liep?
“Na de wedstrijd werden de bussen van de uitsupporters soms opgewacht door supporters en bekogeld met stenen en blikjes. Ik heb daar zelf nooit actief aan meegedaan, maar vond het wel spannend en ging vaak ook een kijkje nemen. Opvallend vond ik dat er ook altijd veel jongeren uit de wijk bij waren die helemaal niet naar de wedstrijd waren geweest. Zij wisten gewoon dat als er op zondag gespeeld werd, rond 16.15 uur het feest begon. Zij hadden vaak al stenen verzameld en deelden die uit aan de supporters die net uit het stadion kwamen. Zo stonden er tientallen supporters langs de route. Soms waren ze net te laat of gingen de bussen via een andere route, maar geregeld leverde het ook wel schade op. Verder waren de mogelijkheden om tot een confrontatie te komen vanwege alle hekken in het stadion vrij beperkt.”

Is de sfeer bij Den Haag – misschien ook door de verhuizing in 2007 naar het nieuwe stadion – erg veranderd sinds die tijd in het Zuiderpark?
“Het is tegenwoordig vooral geritualiseerd geweld: het lijkt soms intimiderend voor een buitenstaander, maar uiteindelijk is het alleen wat geschreeuw en gebeurt er weinig. De club is door de verhuizing naar het nieuwe stadion ook wel veranderd, al moet je die conclusie ook niet te snel trekken. Veel mensen zeggen dat het heel anders is geworden, maar die mensen zijn zelf ook veranderd en ouder geworden. Toch is het wel gemoedelijker geworden. Er komen nu bijna twee keer zoveel toeschouwers en ook meer kinderen. De faciliteiten zijn beter, maar het voelt nog steeds gek. Het is te gemaakt. Het Zuiderpark was organisch.”

Is de ontwikkeling van de supporterscultuur in Den Haag representatief voor die in heel Nederland?
“Voor een groot deel wel omdat overal in Nederland en ook in andere Europese landen de tolerantiegrenzen veranderen. Je hoort vaak dat de samenleving verloedert, maar is niet juist onze houding veranderd? Ik kom al jaren bij West Ham United en een paar jaar geleden werden er opeens briefjes uitgedeeld dat je moest gaan zitten om geen stadionverbod te krijgen. Er is meer controle met camera’s en stewards, maar ook meer zelfcontrole.

Het publiek is ook veranderd. De middenklasse komt nu meer naar het stadion, vaak met kinderen. Het leidt tot een meer gekuiste versie van voetbal die deels extern is opgelegd met zitplaatsen en camera’s, maar ook deels van binnenuit is veranderd omdat de fans zelf anders zijn geworden. De dominante cultuur van een harde kern, zoals die er bij Den Haag was in de jaren tachtig en negentig op Midden-Noord, is veranderd in een cultuur van de middenklasse. Die harde kern is er nog wel, maar is nu een relatief kleine subcultuur binnen de club.”

Wat is de rol van de harde kern nu dan nog?
“De harde kern is vooral veel kleiner geworden. Het is moeilijk in aantallen te vatten omdat het lastig te zeggen is wie harde kern is en wie niet, maar ik denk dat het bij grote clubs van zo’n vierhonderd man in de jaren tachtig naar zo’n honderd man nu is geslonken. Die groep is ook calculerender geworden als het gaat om geweld. Vaak zijn het nog maar een paar wedstrijden per jaar die worden aangegrepen om massaal af te reizen. Meestal zijn dat Europese wedstrijden, zoals je zag met Feyenoord in Rome. Dan gaat het opeens weer leven, vrienden van vrienden en jongens die jarenlang niet meer geweest zijn gaan allemaal weer mee. Ook Ajax is vooral actief tijdens Europese wedstrijden, ook als ze thuis spelen.”

Je hoort vaak dat het geweld minder is geworden, maar wel harder. Is dat zo?
“Dat hoor je vooral van de oudere supporters, maar zijn zij zelf niet ook rustiger geworden? Mijn ervaring is juist dat de fysieke gevolgen van confrontaties vaak wel meevallen. Voor mijn boek deed ik onderzoek naar de Sparta Youth Crew, die vooral op zoek waren naar gelijkwaardige tegenstanders. Zij spraken bijvoorbeeld af met ongeveer twintig tegen twintig van clubs als AZ, Go Ahead Eagles of Willem II. Zo’n confrontatie was dan bijvoorbeeld op de middag voor de wedstrijd in de stad of in een park. Hit and run, vaak zonder dat er zware gewonden vielen of mensen naar het ziekenhuis moesten. Vaak bleef het bij een blauw oog of kneuzingen.”

In hoeverre is de ontwikkeling van hooliganisme in Nederland te vergelijken met die in het buitenland?
“In Duitsland zijn vooral in het voormalige Oost-Duitsland nog grote actieve groepen die vaak ook banden hebben met extreemrechts. In Engeland gebeurt vooral in de lagere divisies nog wel eens wat, terwijl zich in Nederland in de eerste divisie en zeker het amateurvoetbal juist veel minder afspeelt. In Zuid-Amerika is de situatie helemaal anders. In een land als Brazilië neemt het geweld zelfs toe. Die context is natuurlijk ook onvergelijkbaar met Nederland. Er zijn veel sociale problemen en het wantrouwen tegenover de politie is enorm. In Brazilië vallen jaarlijks gemiddeld tien tot twaalf doden, vaak door vuurwapens in gevechten tussen supporters of met de politie. Dat is wel even wat anders dan in Nederland, waar in al die jaren twee doden zijn gevallen door voetbalgeweld. Ajacied Carlo Picornie was in 1997 in Beverwijk de laatste, terwijl ik ook FC Twente-supporter Erik Lassche in 1991 mee zou rekenen. Hij werd de nacht voor de wedstrijd in Enschede doodgestoken door een Feyenoord-supporter.”

Mede door dit soort incidenten zijn er sindsdien veel maatregelen genomen om hooliganisme in te dammen. Hoe kijk je aan tegen restricties als de clubcard en de combiregeling?
“Het lijkt me heel interessant om daar nog eens onderzoek naar te doen, want ik heb nooit een goede evaluatie gezien van het effect van die maatregelen. Gaat het echt direct mis zonder combiregeling, of weten we dat eigenlijk niet omdat we het nooit proberen? En als zo’n combiregeling wel een beetje werkt, maar een enorme inbreuk is op de vrijheid en wedstrijdbeleving van supporters, moet je er dan niet alsnog vanaf? Nederland is een interessant geval in dit opzicht omdat combiregelingen op deze schaal uniek zijn en we naast Brazilië en Italië, voor zover ik weet, het enige land zijn met een clubcard. Dat is toch een vreemd rijtje: Brazilië, Italië en Nederland. Wij waren bovendien veel eerder, want in Italië kwam deze pas in 2010 en in Brazilië geldt de registratie sinds 2003 alleen voor de harde kern, de torcidas organizadas.”

‘Mijn ervaring is juist dat de fysieke gevolgen van confrontaties vaak wel meevallen’

Hoe is het te verklaren dat er in Nederland zo veel meer restricties zijn voor voetbalsupporters?
“Het is opvallend dat die maatregelen er allemaal doorheen gekomen zijn, juist omdat Nederland een sterke overleg- en compromiscultuur heeft. Het zal een rol spelen dat supporters op landelijk niveau nooit goed vertegenwoordigd zijn. Er waren wel eens organisaties zoals de SOVS, maar daarvan had ik niet de indruk dat zij echt opkwamen voor fanatieke supporters. ‘Als je niets te verbergen hebt, heb je niets te vrezen’, zeiden zij bijvoorbeeld. Of ‘de goeden mogen niet onder de kwaden lijden’. Maar dat zijn vrij nietszeggende slogans en uiteindelijk lijden de goeden nu natuurlijk wel onder de kwaden.

Het heeft ook te maken met beeldvorming. Als over voetbalsupporters wordt gesproken, gaat het vaak over de negatieve dingen, terwijl diezelfde groep ook veel positieve dingen onderneemt.

Toen ik voor mijn boek in Barcelona was, heb ik een keer meegeholpen met het schilderen van een spandoek. Dan zitten daar dus mensen urenlang onwijs geconcentreerd een enorme vlag in te kleuren. Ze organiseerden vaak ook mozaïeken op de tribunes, waarbij ze als een architect te werk gingen met bouwtekeningen en al. Ook liedjes zijn vaak erg origineel en grappig. Ze doen het deels voor zichzelf, maar dragen ook voor heel veel anderen bij aan de beleving.”

Is het te verwachten dat het supportersbeleid in Nederland de komende jaren zal veranderen?
“Een sterke landelijke supportersvertegenwoordiging, zoals je dat in bijvoorbeeld Duitsland en Engeland veel meer hebt, zou daar in elk geval een belangrijke rol bij kunnen spelen. Anders bestaat het gevaar dat het beleid een voortschrijdend proces blijft waar alleen maar steeds meer maatregelen bij komen die langzamerhand normaal gevonden gaan worden. De maatregelen stapelen zich op en worden nooit afgebouwd. Na de combi kwam daar de uitkaart nog eens bij. Het is niet gericht op mensen die daadwerkelijk gewelddadig gedrag vertonen, maar heeft als doel het voorkomen van eventueel geweld. Maar hoe weet je dat het zonder die maatregelen daadwerkelijk mis zou gaan?”

De overheid en de KNVB strijden al jaren voor ‘normalisatie’. Door een dadergerichte aanpak en ‘maatwerk’ moet het aantal generieke maatregelen worden verminderd. Is dit een goede koers en heeft dit effect?
“Het klinkt goed, maar het is de vraag hoe het wordt geïnterpreteerd. Het moet op individueel niveau worden bekeken, want als het op clubniveau gebeurt is het ook maatwerk om alle supporters van Den Haag als tuig te zien en zo te behandelen. Sowieso mag er wel wat meer discussie worden gevoerd over de huidige maatregelen. Wordt bijvoorbeeld wel goed gebruikgemaakt van de maatregelen die er zijn voordat er weer nieuwe komen? We hebben nu een voetbalwet, maar wordt die ook gebruikt en werkt dat?”

Ligt het gevaar op de loer dat al die maatregelen leiden tot institutionalisering van het veiligheidsbeleid?
“Beveiliging is big business, zeker nu steeds meer private partijen zich ermee gaan bemoeien. In Den Haag kregen we in het nieuwe stadion Happy Crowd Control – alleen die naam al. De supporter werd als laboratoriumrat gebruikt bij het testen van poortjes die werkten met een irisscan. Dat bedrijf wilde dat systeem verder verkopen aan bijvoorbeeld vliegvelden of evenementenhallen. Moet je je voorstellen wat er zou gebeuren als je dat bijvoorbeeld hier op de universiteit zou willen doen, dan wordt gelijk het gebouw bezet en een rechtszaak aangespannen. In Den Haag konden ze rustig hun gang gaan, al heeft het systeem nooit helemaal goed gewerkt. Ik ben normaal nooit zo activistisch als het om burgerlijke vrijheid gaat, maar dit soort dingen vind ik wel zorgelijk. Al die gegevens worden gekoppeld en zelfs als je een keer preventief of onterecht bent aangehouden, blijf je in zo’n systeem staan.”

‘De supporter werd als laboratoriumrat gebruikt’

Is hooliganisme nog altijd een maatschappelijk probleem?
“Het is momenteel geen groot probleem, maar het blijft wel iets om rekening mee te houden. Het kan soms weer even de kop opsteken. We moeten er dan wel op letten niet direct in paniek te raken na zo’n incident en te zeggen dat het geweld weer toeneemt. Geweld is in de maatschappij en rond het voetbal één van de risico’s, maar dat risico is goed te overzien. De overgrote meerderheid van de voetbalbezoekers heeft nooit last van supportersgeweld. Het gaat meestal hoogstens om verbaal geweld of een intimiderende sfeer. De één vindt dat leuk, de ander vindt het te ver gaan. Luidruchtig gedrag wordt nu soms al erg gevonden, maar dat is toch juist één van de dingen die het voetbal leuk maken? Zo zijn er altijd wel argumenten te vinden om beperkingen op te leggen. De sfeer in landen als Duitsland, Engeland en Spanje is veel relaxter en tegelijkertijd toch intens. Waarom zou dat hier niet kunnen?”

Dit interview is eerder gepubliceerd in Staantribune #4, na te bestellen in de webshop.

Verder in dit nummer:
– Een persoonlijk verhaal over Glenn Helder van journalist Remco Regterschot
– Reportages over Racing Mechelen en Parma
– VV De Wâlden uit op de Wadden
– De derby van Montevideo
Vergoedingen in het amateurvoetbal
– Interview met Hennie Meijer
– Het Plakboek van Davy Pröpper
– Voetbal & Muziek over ex-Cambuurspeler Oebele Schokker