Mijn eerste herinnering aan Diego Maradona stamt uit 1981. Toen bereikten mij berichten over een Argentijns supertalent dat na het WK in Spanje bij Barcelona zou gaan voetballen. Dat hij in 1978 al op de drempel van het nationale elftal had gestaan, wist ik als dertienjarig mannetje niet. Het WK in Spanje bracht niet wat men verwachtte. Tegen Brazilië ging de druistige Maradona er zelfs met rood af, na een belachelijke overtreding. Groeistuipen. Over de rest van zijn carrière hoef ik u niets te vertellen.

Op maandagochtend 7 augustus 2017 sta ik rond negen uur ’s ochtends bij een hotel in Mierlo te wachten op God. Zo maakte een fan het bekend aan zijn vriend, dat Maradona in Nederland was: God is er. Geen voetballiefhebber die opkijkt van zo’n benaming. Vreemd genoeg sta ik er alleen met een jongen van Omroep Brabant, die met een iPhone op statief een rechtstreekse verbinding met de studio heeft.


Na nauwelijks een kwartiertje lummelen komt hij naar buiten en als ik God ooit zou willen tackelen moet ik het nu doen, want om nu te zeggen dat het veel drukker is geworden.. Dat zal later in de week, na meer aandacht voor het trainingskamp, wel anders worden. Eindelijk zie ik hem in het echt, zonder glazen treurbuis ertussen. Hij is heerlijk arrogant, wimpelt vragen van de jongen van Omroep Brabant bot af, maar gaat wel op de foto met enige opvallend jeugdige fans. Alle aandacht gaat naar hem, de spelers lopen als anonieme figuranten naar het trainingsveld. Of beter, naar het bos, want ze mogen eerst wat kilometers maken.

Maradona zet zich in een dug-out en gaat na een kwartiertje wat afwerken op doel. Hij schiet er opvallend veel naast. Koude spieren. Als de spelers uit het bos terugkomen, doen ze nog wat rekoefeningen op kleedjes en voegt Maradona zich even bij zijn selectie voor wat grappen en grollen. Een kort woordje en de training zit erop. Dat had Koos Waslander ook gekund, zo’n training geven. Alleen is Koos geen God.