Het ligt voor de hand om een verhaal over een bijzonder slecht voetbalelftal, zo’n team van dikke buiken op een veld achteraf, op te hangen aan de welbekende kapstok van misgelopen jongensdromen. Sentimenteel geneuzel over het moment dat jij als kleine jongen, schuchter en met een tweedehands voetbaltas om de schouders voor het eerst het voetbalcomplex betrad. Het hoofd misschien wel vol van dat prachtige stel dat eind jaren tachtig het land oranje kleurde.

Je voetbalt nog steeds. Ondanks het talent dat op geen enkele manier aansloot op jouw dromen. Het potje voetbal als een wekelijkse ode aan die nooit vervulde jongensdromen, nog altijd oplaaiend wanneer je met jouw vrienden een veld betreedt.

soccerfanshop.nl

Het zou dus ook over vriendschap kunnen gaan. Over een diepe connectie, ontstaan op de hobbelweg van jeugd naar volwassenheid. Een collectieve geschiedenis, gekleurd met verhalen over meisjes, bier en al die andere zaken die jouw ouders jou nalieten mee te geven, maar die wel degelijk geleerd moesten worden. Het potje voetbal als een wekelijkse reanimatie van de jeugd die zich nog altijd ophoudt in jouw volwassen lijf. Een tastbare herinnering aan de tijd dat het leven onbezorgd en als een vat vol keuzes voor je voeten lag.

Forever young. Tenminste, die paar uur in het weekend waarin jouw vriendenteam voor even ontsnapping biedt aan de vreselijke sleur van een volwassen mensenbestaan.

Het kan. Ze zijn er immers legio. Dat soort jongensboekachtige verhalen. Liefst in de vorm van een film. Een goed verkochte, visuele illusie. Een feest der herkenning. Onvervalste mannenromantiek. Diep in jouw hart weet je echter wel beter.

Weet jij dat het gewoon het toeval was dat jouw team bijeen heeft gebracht? Het gevolg van een verhitte bespreking in de bestuurskamer van een stel heren dat zich tot technische commissie heeft gedoopt. Jouw team is het resultaat van de laatste puzzelstukjes op een tafel vol zorgen. De puzzelstukjes die nergens terecht konden, wegens een schreeuwend gebrek aan talent. Het afvoerputje van de club. De rest van het jaar is er de twijfel. Of het gewenste aantal teams nog altijd in verhouding tot het aantal leden staat. Of jouw team er niet net een teveel aan is. Als iedereen er is, als niemand verzaakt, dan kan het net. Dan kan ook jouw team, het allerslechtste team van de vereniging, de wei in.

En zo sta je ’s morgens vroeg, ergens in het weekend, op een veld ver weg van de kantine. De laaghangende zon prikt gouden stralen door de elzenhaag dat het sportcomplex van de polder of woonwijk scheidt. Het kleurt de kou die in de vorm van een flinterdunne nevel over de velden hangt. Verspreid over het veld sjokken mannen, jouw teamgenoten, gehuld in dezelfde clubkleuren, maar allemaal in een verschillende teint, een beetje doelloos in het rond. Veel braces ter ondersteuning van de gewrichten waaruit de jeugd al lang geleden verdwenen is. Vier mannen met een nummer 10 op de rug. Zonder plan wordt er tegen een bal getrapt. Eén jongen loopt warm. De rest kijkt ernaar, grinnikend. Collectieve lamlendigheid om de tijd tot aan het beginsignaal, van een scheidsrechter die nog in de kantine zit, te doden.

Jouw positie is rechtsbuiten. Iets dat niets van doen heeft met je snelheid, passeerbeweging of messcherpe voorzet, maar vooral met het feit dat je daar het minste kwaad kan doen. “Breed houden en niet buitenspel lopen” luidt jouw opdracht. Een opdracht uit het onmetelijke dikke boek der voetbalclichés, waaruit anderhalf uur lang wordt geciteerd door de man die zich elftalleider noemt, een rol die hem wordt gegund omdat hij verder zo weinig om handen heeft.

“Accepteren!”
“Mondje! Hee! Mondje tegen de scheids!”
“Ze raken geïrriteerd!”
“In je rug!”
“Wegblijven daar!”
“Mannetje!”
“Kom op, we zijn er nog lang niet!”

Het is de poëzie van het voetbalveld. Aangehoord door minder dan een handvol toeschouwers, waarvan je weet dat ze niet komen voor het voetbal, maar vanwege de hoop op een knudde-achtige vertoning. Een dikke vette nederlaag ingeleid door de capriolen van een stel bijzonder slechte voetballers. Jouw team is een circusact waarom gelachen wordt.

Anderhalf uur later zit je weer op die houten bank in de kleedkamer waar het eerder die morgen allemaal begon. Verloren, nulletje of vijf. Je weet: niets meer aan te doen, nooit meer wat aan te doen. Zeker niet met deze jongens, dit team. Het gaat over de tegenstander. Een vriendenteam, zij wel. Al heel lang samen, de meesten nog in het 1e elftal van hun club gespeeld, ingedeeld ver onder hun niveau. Kortom, niet eens zo slecht gedaan.

Een teamgenoot banjert op zijn kousen richting de kantine, vraagt of iedereen gelapt heeft en keert terug met een krat bier. En een fles cola voor die ene jongen van de warming-up. Overal op de vloer liggen shirtjes, broekjes en opgestroopte kousen. Onder de tafel staat de waterzak met daarin de spons die meer wonderbaarlijke genezingen op zijn conto heeft staan dan de Verlosser. De eerste slok trekt in een baan door het nog lege lijf. Een aantal jongens staat al onder de douche. Sigarettenrook en waterdamp vermengen zich, een lichte roes in het hoofd. Het verlangen naar meer.

Een beetje losgekomen van de houten bank zweef je met je kop tussen de verchroomde haken vol jassen en spijkerbroeken, luisterend naar de verhalen die elke week hetzelfde zijn, en die met elke fles toenemen in cynisme over de vereniging, over de jongens hogerop, over het eigen team.

Nog maar een fles, de grond ligt vol met doppen, in elkaar gekreukte bekertjes van de thee, alweer een eeuwigheid geleden, en modderkluiten met gaten van de noppen. Vlak voor je gezicht een witte kont, wankelend op een been, worstelend met een sok over een vochtige voet. Een duwtje, gelach, de tafel die een stuk verschuift, de colafles rolt draaiend in een hoek, de waterzak kletst over iemands schoenen. Nog een krat, nu zonder cola, geen benul van tijd, de groep die kleiner wordt, de verhalen groeien. Douchen met een fles bier in je hand, aankleden en dan naar de kantine. Uren later rol je weer naar buiten. De schemer hangt al over de velden, de netten omhoog getakeld in het doel.

Op de fiets naar huis stel je jezelf de vraag waarvoor je dit eigenlijk doet. Heel even schieten de nuttige dingen door je hoofd die je vandaag allemaal had kunnen doen. En toch weet je dat je volgende week weer even gretig van de partij zal zijn.

Waarom?

Zomaar opeens weet je het. Het is de humor die jou bindt aan deze jongens. Een relativerende vorm van zelfspot, mild cynisme misschien, over datgene wat er op het veld wordt gepresteerd. Het voelt als een tegenreactie op een bestaan waarin het draait om presteren, uiterlijk vertoon en de vraag waarmee je jouw geld verdient. Die paar uur in het weekend, op dat veld, in de kleedkamer en in de kantine, lijkt dat allemaal voor heel even niet te bestaan. Het gedeelde gebrek aan talent doet alle verschillen verdampen.
Langzaam maar zeker voel je een band. Tussen jou en jouw team. Een gevoel dat sterk genoeg is om er volgende week weer voor te gaan.

Stiekem sla je toch weer aan het dromen. Over die bal die je eindelijk eens goed raakt. De winnende, de ommekeer. En zo gaat het toch nog over vriendschap en een hoofd vol dromen.
Eigenlijk net als vroeger.

Joost-Jan Kool