Staantribune-redacteur en Spartaan Anton Slotboom bracht afgelopen weekend zijn boek ‘Kampioen op Het Kasteel’ uit over het kampioensjaar van Sparta in de eerste divisie. Hieronder een hoofdstuk uit dat boek, over de man die werd uitgeroepen tot beste speler van het afgelopen seizoen: Thomas Verhaar. In Staantribune 7 staat ook een interview met de familie Verhaar, waarvoor de vader van Thomas zijn oude plakboeken van zolder haalde. 

De prijs voor de beste speler van het jaar ging naar, hoe kon het ook anders, Thomas Verhaar. De smaakmaker van Sparta deed in het kampioensjaar veelvuldig onvoorstelbare dingen. Geweldig waren zijn doelpunten, zijn passes, zijn inzichten. Zijn rol in het succes was enorm.


Wie de beelden vaker bekeek, en welke Spartaan deed dat niet, zal het zeker óók zijn opgevallen. Als Breuer tegen Jong Ajax de beslissende 2-1 scoort rent iedereen naar hem toe om te juichen. Iedereen, behalve één razend belangrijke speler: Thomas Verhaar. Hij blijft juist staan, steekt zijn handen in de lucht en gooit zijn hoofd omhoog. Hij beseft zichtbaar dat de klus is geklaard en vergeet zo eventjes de hele wereld. Want ook Verhaar beseft: de promotie naar de Eredivisie is een feit. ,,Ik heb die beelden zelf ook meerdere keren teruggezien,’’ zegt Verhaar een paar weken na het kampioenschap, als de vakantie nog maar net is aangebroken. ,,Het was zo’n mooi moment.’’

Na de 2-1 stond hij even aan de grond genageld, na het laatste fluitsignaal juist niet. Een euforische sprint, aanvankelijk schijnbaar zonder richting, eindigde in de armen van doelman Roy Kortsmit. Dat was het begin van een knotsgekke avond, waarin Verhaar zelfs nog in het supportershome een karaokeversie van Sweet Caroline van Neil Diamond zong. Niet dat veel mensen daar getuige van waren, want het was al diep in de nacht, veel supporters waren al dronken van geluk naar huis. Verhaar niet. Die maakte het laat, en bont.

Na een krankzinnige avond op Het Kasteel, met een euforisch feest voor spelers en staf in de Ridderzaal en een tocht langs de skyboxen plus het supportershome, belandde hij met medespelers in de stad. Waar op een maandagavond diep in de nacht weinig te doen bleek, dus belandde een deel van het gezelschap bij Verhaar thuis op de Hoogstraat. Daar ging het feest om een uur of zeven ’s ochtends gewoon verder. De bij hem overnachtende doelman Ricardo Kieboom was daar vooral de dupe van. Op zijn hoofd werd het woord ’LUL’ geschreven, vroeg in de ochtend, toen Kieboom in slaap was gevallen en de rest nog wakker was. Kieboom wist van niks, toen hij met een enorme kater bij Verhaar de deur uit wandelde. Voetbalhumor natuurlijk. Mooi toch? Verhaar grijnst, als teken dat hij zich een geweldig feest herinnert. “Voor een voetballer is zo’n avond natuurlijk haast onwerkelijk. Huilende mannen op het veld en die uitzinnige vreugde? Dat is moeilijk te bevatten. Hoeveel vreugde voetbal mensen kan brengen is eigenlijk bijna niet te begrijpen. Je kunt je gewoon niet voorstellen dat iets wat jij hebt gedaan, zoveel impact heeft. Ik heb mensen echt horen zeggen dat ze weer trots zijn op hun club, dat ze weer met plezier naar het stadion gaan. Dat begrijp ik wel, dat vind ik ook mooi.’’

Thomas Verhaar, geboren in Rotterdam in 1988, is geen doorsnee voetballer. Zijn vader is muziekleraar en voedde de drie broers Verhaar muzikaal op. Met succes, Verhaar verslindt muziek. Naast voetbal is het zijn tweede grote passie. Zijn favoriete band is The National, uit de Verenigde Staten. Een band die sombere, beklemmende muziek maakt, aangevoerd door een grillig genie met een zware stem. Geen gangbare keuze, zeker ook geen muziek die je in kleedkamers of in stadions hoort. Het is muziek die afkomstig uit een alternatieve scene die hij ontdekte toen hij op jonge leeftijd bij Willem II speelde. De eerste cd die hij toen zelf kocht was Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not van Arctic Monkeys. Daarna ging er direct een wereld voor hem open. Een wereld vol concerten in zalen als Rotown en Paradiso en festivals als Lowlands en Rock Werchter. Waar hij zelfs weleens op de schouders van vrienden ging zitten om uit te kijken over die enorme massa mensen. Fascinerend, vond hij. Een wereld ook vol cd’s en platen, vaak elpees die hij bij zijn vader uit de kast trok. Van Bob Dylan’s Blood On The Tracks, door Verhaar inmiddels zijn meest dierbare plaat genoemd, tot Oasis, De Likt en Pink Floyd. Deze muziek heeft zich ook meester gemaakt van zijn appartement in de Rotterdamse binnenstad, dat meer muziek dan voetbal ademt. Aan de muur hangen platenhoezen, op de draaitafel liggen platen van hippe artiesten als The Whitest Boy Alive. Maar schijn bedriegt, want Verhaar is toch echt vooral een voetbaldier. Assistent-trainer bij VOC, zaalvoetballer bij de Rotterdamsche Studenten, voorzitter van die studentenploeg, hij was het de afgelopen jaren allemaal. Er waren zelfs tijden bij dat hij zes avonden per week met voetbal bezig was. Net als zijn jongere broers Felix en Wessel trouwens, die allebei op het hoogste niveau zaalvoetballen en in het eerste van zondaghoofdklasser VOC spelen.

Maar topsport vraagt om offers en om keuzes. Het leven dat Verhaar leidde, toch ook een beetje dat van lang leve de lol, verdween het afgelopen seizoen uit zicht. Minder concertbezoek, minder avonden uit, beter eten, nog meer focus. Dat is de ontwikkeling die Verhaar bij Sparta onder Pastoor inzette. Een koers die zijn vruchten grandioos afwierp.

Verhaar vertelt er kalmpjes over, enkele weken na het kampioenschap, in grand café NRC op de Witte de Withstraat. Daar hebben we afgesproken om op een zondagochtend samen te ontbijten, met als doel: een terugblik op een geweldig seizoen. Het mooiste in zijn loopbaan? Dat kan niet missen. ,,Ik heb heel erg genoten van het seizoen. Eigenlijk iedereen wel, denk ik. Het was een geweldig jaar.’’

Je hebt er keihard voor moeten werken, hè?

“Ja, zeker. Er werden écht lange dagen gemaakt. Soms werd er ook wel geklaagd, hoor. Dan zei iemand van ons: ’dat kan niet joh, wat de trainer allemaal van ons vraagt.’ Maar ik merkte snel dat de bereidheid van de spelers, van iedere speler, groter groeide dan die ooit was geweest. De kampioensploeg bestond uit alleen maar speler die gewoon hun verantwoordelijkheid namen. Er werd bij ons harder getraind dan bij andere clubs, dat durf ik wel te zeggen. Ik denk dat er ook daarom al snel heel veel klopte dit seizoen, alles ging op een gegeven moment gewoon goed. Om echt van zulke grote stappen te zetten hadden we dat vele trainen nodig. Fysiek moet je soms wat slimmer kunnen zijn dan je tegenstander. Nou, dat waren we.’’

Het ene doelpunt dat hij in het kampioensjaar maakte was nog mooier dan het ander. Er is minstens één hele dvd samen te stellen vol moois. Stiftballen, vrije trappen, afstandsschoten, passes, ze waren er allemaal. De samenwerking met spits Roland Bergkamp, de Belgische aanvaller Loris Brogno en z’n andere teamgenoten was goed, bij vlagen perfect. Hij spreekt dan ook warme woorden over zijn ploegmaten van dit seizoen. Ze allemaal bespreken zou een boek in beslag nemen, maar neem deze over middenvelder Paco van Moorsel: “Hij is ook heel belangrijk geweest. Een hele stille, maar drijvende kracht, die gewoon supergoed kan voetballen. Je hoort hem niet zoveel, maar hij is wel superbelangrijk. Hij brengt gewoon kwaliteit. Ook mentaal. Op het juiste moment op de juiste plek zijn en dat gewoon heel vaak herhalen. En ook nog eens goed zijn met de bal. Dat is wat, hoor. Hij is superslim, hij loopt heel vaak vrij. We weten precies wat we aan elkaar hebben. Niet dat we vrienden zijn, buiten het voetbal spreek ik hem eigenlijk nooit. Maar we hebben een goede verstandhouding.’’

Onzichtbaar

Soms, als het tegenzat, was Verhaar weleens even onzichtbaar. Soms lukte er weleens een helft niet veel. Begonnen ze op de tribune al te roepen dat hij er uit moest. ’Verhaar, die kèn er geen klote van.’ Dat soort taal. Of hij dat heftig vond? Soms wel. “Maar ook dat is Sparta, hè. Het cynisme is nooit ver weg. Toen Sparta nog in de Eredivisie speelde was dat er ook al. Als we toen wonnen waren we geweldig, maar als we verloren was niets goed genoeg meer. Dat was dit seizoen soms ook zo. Ik had zelf ook even een mindere periode en dan hoorde ik meteen dat het niet goed genoeg was wat ik deed. Dat zit ook in de Spartaanse mentaliteit, denk ik. Dat zal nooit weggaan. Maar voor mij wat dat geen item. Je kunt zoiets toch alleen beïnvloeden door goed te spelen.’’

Maar het heeft weleens effect op je gehad?

“Als je wordt uitgefloten, voel je je niet op je gemak. Dat merk je wel, ja. Het vreet gewoon aan je. Je bent natuurlijk ook bezig met de wedstrijd, maar af en toe komen zulke geluiden opeens bij je binnen.’’

Hadden de supporters uiteindelijk ook een rol in de wederopstanding van Sparta?

“Ik denk het wel. Ik denk dat vorig jaar, of misschien het jaar daarvoor al, er een nieuwe generatie van supporters is opgestaan. Fans die niets anders wisten dan dat het goed ging met Sparta. Die hebben ons altijd gesteund en waren ook wel positief als het even minder ging.’’

Als het dan al even minder ging kon hij ook plotseling weer verrassen. Het was de reden waarom Alex Pastoor hem nagenoeg altijd op het veld liet staan, in de wetenschap dat Verhaar met één actie een wedstrijd kon doen kantelen. Thomas Verhaar groeide ook dankzij dat vertrouwen uit tot dé revelatie van Sparta en werd uiteindelijk ook benoemd tot de beste speler van de Jupiler League. Een onderscheiding die een Gouden Stier waard was. Zelf genoot hij net zo van het succes als het publiek dat deed. Ook in de wetenschap dat hij zijn laatste kans in het betaalde voetbal meer dan greep.

Ga maar na: Verhaar speelde al eens bij Sparta, in de jeugd, haalde het hoogste elftal niet, en voetbalde uiteindelijk ’gewoon’ weer bij de amateurs van het Rotterdamse VOC. Waar hij zoveel scoorde, en zo vaak promoveerde, dat hij opviel bij voetbalkenners als Hugo Borst en Emile Schelvis. Verhaar moest een kans krijgen, vonden zij. Er leek maar één iemand op tegen: Wiljan Vloet. Toen hij uiteindelijk ook om was, en dat duurde een eeuwigheid, zo leek het, kwam Verhaar weer bij Sparta binnen.

De verwachtingen waren niet hooggespannen. Een ideale situatie voor hem, want dankzij zijn studie en zijn brede interesses is het profvoetbal voor hem niet heilig. “Ik denk niet dat ik nog zo’n kans had gekregen, als dit niet allemaal was gebeurd,’’ bekent hij. ,,Als ik het bij Sparta de afgelopen seizoenen niet had gered, was ik niet weer naar een andere club in de Jupiler League gegaan. Dan was ik weer naar de amateurs teruggekeerd. Want ik zorg dat ik altijd de dingen doe die ik leuk vind.’’

Het boek van Slotboom kun je hier bestellen.