Geen oude elftalfoto, geen ingelijst wedstrijdshirt, geen vaantje aan de muur. Niets in deze Renkumse woonkamer verklapt dat hier een sierlijke aanvaller van weleer woont. De tastbare herinneringen zijn ergens op zolder in een koffer weggestopt. Wanneer Jan Menting (65) een afspraak bij de kapper heeft, haalt de eigenaar het fotolijstje, waarop de aanvaller namens Wageningen scoort tegen FC Twente, op verzoek van de klant steevast even van de muur. Vijfendertig jaar na het abrupte einde van zijn voetbalcarrière vindt Jan Menting het nog altijd moeilijk om terug te blikken.

“Het waren dertien fantastische jaren. Wageningen betekende alles voor mij. Nog steeds beginnen mensen, op staat of in de supermarkt, over de club en mijn doelpunten tegen PSV. En ja, als het bijna 21 december is, dan gaat de telefoon wel weer een paar keer met mensen die me herinneren aan die beruchte bekerwedstrijd in Eindhoven.”

Veertien jaar is Jan Menting als hij de stoute schoenen aantrekt, vanuit Heteren de Rijn oversteekt en De Wageningse Berg op fietst, om zich aan te melden bij zijn droomclub. “Wij leefden thuis in armoede. Maar vanaf de steenfabriek, waar ik samen met mijn vader en broer al vanaf mijn elfde werkte, keek ik altijd naar De Berg.”

Hooghouden

Bij Wageningen komt de aanvaller – die bij SDOO uit Heteren al wat wedstrijden in het eerste speelde – in de C2 terecht. “Van trainer Bas Paauwe kreeg ik een bal en moest ik de hele training in de hoek van het veld gaan hooghouden. Na afloop vertelde hij me dat ik goed mijn best had gedaan en mocht ik op zaterdag meedoen.”

In zijn eerste juniorenwedstrijd scoort Menting 17 (!) keer. De rustige Betuwenaar loopt razendsnel door de jeugdelftallen heen en komt de laatste twee seizoenen uit voor het belofteteam en het tweede elftal. Hierin speelt hij onder anderen samen met Gerard Brussen, jaren later nog enige seizoenen assistent-coach bij FC Wageningen.

“Jan was het dorpse leven van de Betuwe gewend, had een minderwaardigheidscomplex en kon niet goed uit zijn woorden komen”, weet Brussen zich nog te herinneren. “Allemaal dingen die je niet moest hebben, als beginnend prof. Maar wat Jan wel had, waren zijn voetbalkwaliteiten. Als hij nu had gespeeld, zou hij miljonair zijn geweest. Sierlijk, razend snel en onvoorspelbaar. Maar Jan werd – vooral de eerste twee jaar – continu gejend en uit de tent gelokt door zijn medespelers. Dan hebben we het nog niet eens over trainer Korbach, die met zijn rotopmerkingen Jan enorm naar beneden hielp. Hij kroop helemaal in zijn schulp en werd vernederd.”

Jan Menting in het seizoen 1977-1978 (beeld: Gemeentearchief Wageningen)

Onfatsoenlijkheid

Menting kan de woorden van zijn voormalig teamgenoot wel beamen. “Ik voelde me altijd minder dan de rest en werd thuis opgevoed met veel respect voor anderen. Al die onfatsoenlijkheid in de kleedkamer, daar kon ik heel slecht tegen. Ik wist eigenlijk niet hoe ik me moest manifesteren in een groep met al die brutale gasten. Het was niet mijn wereld. De eerste twee seizoenen had ik het wel zwaar, vooral buiten het veld. Ik kon er slecht mee omgaan als mensen tegen me opkeken en kon al helemaal niet overweg met de heldenstatus, alleen omdat ik een aardig balletje kon trappen.”

Na zijn debuut, in een uitwedstrijd tegen FC Volendam, groeit Menting in de daaropvolgende seizoenen uit tot één van de smaakmakers op De Berg. “Ik leefde voor die club. Als we voor de wedstrijd een soepje aten, zag ik al die duizenden mensen naar het stadion lopen. Dat ze allemaal voor ons kwamen, vond ik magisch. Scoren in dat stadion was voor mij het ultieme. Een onbeschrijfelijk gevoel.”

Collega-spits Gerdo Hazelhekke speelt in totaal drie seizoenen samen met Jan Menting, verdeeld over twee periodes. “Jan moest je geen opdrachten of aanwijzingen geven, maar vooral zijn gang laten gaan. Dat hij zich vernederd heeft gevoeld, komt wel als een verrassing voor mij. Want wat ik zeker weet, is dat hij vanwege zijn grote inzet en specifieke kwaliteiten zeer gewaardeerd werd. Eenmaal ontspannen, was Jan hartstikke goed. In de hiërarchie stond ik – met mijn staat van dienst – natuurlijk wel boven hem, maar door zijn gevoel voor diepte was hij een prima aanvalspartner.”

Geintjes van Korbach

Hoewel Hazelhekke zelf graag meeliep in de polonaise van Korbach, kan hij zich wel voorstellen dat Menting het lastiger had met de markante trainer. “Fritz kon redelijk hard zijn in zijn opmerkingen. Je moest met zijn geintjes meedoen, anders viel je af. En Jan was verbaal nu eenmaal niet zo sterk. Persoonlijk heb ik Jan nooit willen kleineren, dat verdiende hij als persoon ook niet.”

Dat Korbach na vier seizoenen op De Wageningse Berg vertrok, voelde voor Menting als een bevrijding. “Er zijn momenten geweest dat ik thuiskwam en riep dat ik ermee wilde stoppen. Het was dan altijd mijn vrouw die me over de streep trok en zei dat ik de volgende dag weer moest gaan.”

De eerste kennismaking met zijn nieuwe oefenmeester, Frans Körver, verloopt echter allesbehalve soepel. Tijdens de eerste training van het seizoen was namelijk ook de Ronde van Driel, die Menting als fervent amateurwielrenner niet wilde missen. “Nadat ik de wielerwedstrijd had gewonnen, meldde ik me de volgende dag bij het stadion. ‘Dus je hebt gewonnen?’ vroeg Körver aan me, waarop ik instemmend knikte. ‘En wat was je prijzengeld?’ vroeg hij meteen erna. In al mijn eerlijkheid vertelde ik over de gewonnen driehonderd gulden. ‘Nou mooi, dan is dat je boete!’ riep Frans.”

Publiekslieveling

Uiteindelijk betekent het seizoen 1977-1978 voor Menting zijn beste jaargang op De Wageningse Berg. In zesenveertig wedstrijden komt de voorhoedespeler twintigmaal tot scoren, waaronder drie keer in de bekerwedstrijd tegen PSV. In de regio is Menting de absolute publiekslieveling. Een van zijn trouwste fans is de latere FC Wageningen-speler Armand Mannen.

“Armand was een jaar of elf en stond mij elke dag onderaan De Berg op te wachten, tot ik aan kwam rijden vanuit Renkum”, weet Menting zich nog te herinneren. “Dan stapte hij op zijn fietsje en ging hij keihard de heuvel op. En als ik dan de auto geparkeerd had, vroeg hij: ‘Meneer Menting, mag ik uw tas dragen?’ Om dan later met zo’n ventje te voetballen, vond ik hartstikke leuk.”

Ook bij Mannen staat het ruim veertig jaar na dato nog helder voor de geest. “Ik keek enorm op tegen Jan, op dat moment een van de sterspelers in het elftal. Als ik vrij was, schoot ik daarom altijd de ballen terug bij de trainingen. Het was geweldig om in hun buurt te lopen. Toen ik een paar jaar later zelf bij het eerste elftal aansloot, was dat wel even wennen hoor.”

Mannen roemt de kwaliteiten van zijn voormalig idool. “Jan was rustig, introvert en had met iedereen het beste voor. Maar bovenal was hij natuurlijk een geweldige voetballer. Dat hij die drie doelpunten tegen PSV scoorde, was absoluut geen geluk. Op trainingen heb ik me vaak afgevraagd wat iemand met zijn kwaliteiten nog bij Wageningen deed. Een nadeel voor Jan was dat hij vanuit huis blijkbaar toch altijd de lichtmasten van De Berg moest blijven zien. Dat kon hij maar moeilijk loslaten.”

Jan Menting met Willy en René van de Kerkhof (beeld: Dick Martens)

Amsterdamse humor

Desalniettemin kiest Menting er na zijn succesvolle eerste seizoen onder Körver voor om Wageningen te verlaten. De aanvaller verkast eerst naar het Belgische Tongeren, om vervolgens via De Graafschap bij FC Amsterdam uit te komen. In de hoofdstad – ver van zijn geliefde Betuwe – heeft Menting het zwaar. “Omdat ik niet zo’n druktemaker was, ging ik ten onder aan die Amsterdamse humor. Mouwen afknippen van je shirt, schoenen vol water laten lopen. De trainer vertelde me dat ik meer van me af moest bijten. Ergens halverwege het seizoen heb ik tijdens een training alle kleding van de rest van het elftal in het grote bad gegooid. En hoe boos ze ook waren, het hielp wel. Ze hebben me daarna allemaal met rust gelaten. Na dat seizoen keerde ik gelukkig weer terug naar De Berg. Ik had daar nooit weg moeten gaan.”

Eenmaal wedergekeerd bij Wageningen kost het Menting wat maanden voordat hij zijn oude niveau terug heeft. Uiteindelijk lukt het de aanvaller om weer beslissend te zijn voor de ploeg van trainer Hans Boersma, maar komt er in een thuiswedstrijd tegen SC Heerenveen een abrupt einde aan zijn profcarrière. “Ik voelde me goed die wedstrijd, net als de weken ervoor. Saint-Étienne wilde me hebben, maar ik had het goed op De Berg. Ik hoefde niet meer weg.

Die wedstrijd had ik al twee keer gescoord en weer ging ik alleen op de doelman af. In mijn ooghoek zag ik hem aankomen, die Joop Braber. Maar mijn been stond vast in de grond. Ik hoorde aan het publiek al dat het mis was. Mijn hele voet lag naast mijn scheenbeen.”

Ook oud-Feyenoorder Richard Budding, die tijdens de bewuste wedstrijd op het Wageningse middenveld speelde, kan zich het incident nog goed herinneren. “Wat een vieze schoft was dat. Jan speelde die wedstrijd als rechtsbuiten en zoals vanouds was hij niet te houden. Ook niet voor de linksachter van Heerenveen.

Ik stond er een meter of dertig vanaf, maar hoorde de botten breken. Van een afstandje zag ik die enkel gewoon los aan het been bungelen. Nee, ik durfde niet te kijken van dichtbij, bang dat die beelden in mijn hoofd zouden blijven. Achteraf gezien was dat zinloos, want ze staan nog steeds op mijn netvlies. Het was echt een doodschop, ik had die Braber wel kunnen vermoorden op dat moment. Zoiets gun je niemand, maar dat het uitgerekend Jan overkomt, maakt het nog erger. Het was – en is – zo’n doodgoede vent. Spontaan, eerlijk en aardig. Je zag hem echt genieten op het veld. Iedereen was er in de weken erna ook doodziek van. We hebben Jan daarna heel lang niet meer op De Berg gezien.”

Ruim een jaar loopt Menting met gips. In totaal wordt hij 28 keer geopereerd, ligt hij elf weken in het Radboud UMC en zijn de bezoeken aan de Sint-Maartenskliniek niet meer op twee handen te tellen. Na enkele maanden komt zijn behandelend arts tot een keiharde conclusie: “Meneer Menting, gaat u even zitten. Uw enkel is geen stuiver meer waard. Het wordt niks meer.”

Het zijn woorden die de rasvoetballer nog altijd pijn doen. Zijn enkel is vijfendertig jaar na dato nog niet hersteld. “Ik moet niet meer hopen op verbetering, de enige manier om de pijn te verhelpen, zou amputeren zijn. En dat wil ik zo lang mogelijk uitstellen. Tot op vandaag de dag zit ik tweemaal daags aan de pijnstillers. Die schop heeft mijn leven verwoest. Bij elke stap die ik zet, voel ik pijn.”

En dat terwijl Menting nog jaren bij Wageningen had willen voetballen. “Na mijn gedwongen afscheid ben ik heel lang niet terug geweest op De Berg. Ik kon het gewoon niet. De herinneringen, de pijn. Die plek was mijn alles, mijn leven. In gesprek met een psycholoog raadde ze me een paar jaar geleden aan om toch weer een keer naar het stadion te gaan. Mijn teamgenoten die er iedere dinsdag nog koffie drinken, hadden me al vaak uitgenodigd, maar de eerste keer dat ik terugkeerde, was ik alleen. Het duurde ook maar tien minuutjes. Nadat ik de auto had geparkeerd, ben ik naar de plek des onheils gelopen. Naar het moment dat mijn leven verwoestte.”

Tegenwoordig schuift Menting regelmatig aan op dinsdagochtend. “En met plezier hoor, het is er altijd goed. Omdat ik het voetbal nooit kon loslaten, heb ik sinds twee jaar mijn Jan Menting Voetbal Academie in het stadion, iedere zondagochtend. Het plezier in de ogen van die kinderen zien, geeft mij een hoop voldoening.

De volgende stap is de koffer met al mijn tastbare herinneringen aan die voetbaljaren van zolder halen. Het is nu alleen nog te moeilijk voor me, door fotoalbums bladeren en zien hoe gelukkig ik destijds was. Shirtjes in mijn handen hebben, die ik droeg op mijn dierbaarste momenten. Het doet me zeer. Terugkomen op De Berg was een eerste stap. En achteraf ben ik blij dat ik die stap heb durven zetten. Misschien dat ik ooit die koffer nog eens open. Eigenlijk ben ik dat ook naar mijn kleinkinderen toe verplicht. Ik moet trots zijn op al die jaren.”

Uitgelichte afbeelding: Stanley Gontha (Pro Shots)